ECLI:NL:RBAMS:2024:2576

ECLI:NL:RBAMS:2024:2576, Rechtbank Amsterdam, 02-05-2024, 13.006358-24

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 02-05-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13.006358-24
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Tussenuitspraak
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 5 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823

Samenvatting

Tussenuitspraak, Polen, vervolgings-EAB, gelijkstellingsverweer verworpen, onderzoek heropend om vragen te stellen met betrekking tot Poolse detentieomstandigheden in 'remand prisons'

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.006358-24

Datum uitspraak: 2 mei 2024

TUSSEN-

UITSPRAAK

op de vordering van 1 maart 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 11 september 2019 door een rechter bij the Regional Court in Szczecin, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1976,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] ,

thans gedetineerd in [detentieplaats] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 april 2024, in aanwezigheid van mr. M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. T. Polat, advocaat in Breda en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een enforceable decision on remand in custody issued by the Szczecin-Centrum District Court in Szczecin, 5th Penal Division van 8 juli 2019, met kenmerk V Kp 699/19.

De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.

4. Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder, respectievelijk, de nummers 8, 20, en 23, te weten:

fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de Europese Gemeenschappen

oplichting

vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten; vervalsing van betaalmiddelen

Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

6. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

Gelijkstelling

Standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering in de uitvaardigende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan. Hij heeft hiertoe meerdere stukken aangevoerd, waaronder jaaropgaves van verschillende uitzendbureaus tussen 2018 en 2023, en een bevestiging indiensttreding van begin 2023. Hieruit blijkt dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken in Nederland heeft gewerkt en gewoond. Ook licht de raadsman toe dat de opgeëiste persoon zich niet kon inschrijven in die periode vanwege de werkwijze van haar werkgevers, die hun werknemers ervan weerhielden zich in te schrijven op hun adressen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er niet voldoende onderbouwd is dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld zou moeten worden met een Nederlander. De geleverde stukken tonen weliswaar vijf jaar aan ononderbroken inkomen aan, maar een inschrijving in die periode ontbreekt, en er zijn ook geen andere stukken om het verblijf in Nederland te ondersteunen.

Oordeel van de rechtbank

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:

1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;

2. de opgeëiste persoon kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten genoemd in het EAB;

3. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat zij niet haar recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een haar na overlevering opgelegde straf of maatregel.

De eerste voorwaarde

De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat zij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. De opgeëiste persoon heeft over de periode van 2018 tot en met 2023 uitsluitend jaaropgaven overgelegd. De rechtbank ziet hierin een aanwijzing dat de opgeëiste persoon gedurende vijf jaren ononderbroken inkomen heeft gehad en daarom mogelijk gedurende die periode in Nederland heeft verbleven, echter zonder nadere ondersteunende documenten acht de rechtbank dit onvoldoende om vast te stellen dat hiervan daadwerkelijk sprake is geweest. Tijdens de zitting heeft de verdediging ook aangegeven dat aanvullende documenten waaruit een ononderbroken verblijf in Nederland zou kunnen blijken, zoals bankafschriften, ook niet overgelegd kunnen worden.

Aan deze voorwaarde is dus niet voldaan. De rechtbank komt daarom niet toe aan toetsing van de overige voorwaarden. Het beroep op gelijkstelling faalt, zodat de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet toepasselijk is.

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van haar strafzaak is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

7. Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in Polen

De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen onder punt 4.2 van de tussenuitspraak die deze rechtbank op 5 april 2024 heeft gewezen; ook deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Standpunten van de verdediging en de officier van justitie

Standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de overlevering geweigerd dient te worden op grond van artikel 11 OLW omdat overlevering een schending van één of meer grondrechten zou opleveren. Hij verwijst hierbij naar het CPT-rapport van 22 februari 2024, dat zorgen uit ten aanzien van de detentieomstandigheden van voorlopig gedetineerden. Hij benoemt in het bijzonder de problemen rondom de toegang tot zorg, gezien de medische problemen van de opgeëiste persoon.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er aanvullende vragen gesteld dienen te worden ten aanzien van de detentieomstandigheden voor voorlopig gedetineerden in Polen, gelet op de eerdere uitspraken van de rechtbank waarin hetzelfde gedaan is.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft kennis genomen van de zorgen die in het CPT-rapport van 22 februari 2024 worden geuit met betrekking tot de detentieomstandigheden van voorlopig gedetineerden. Verder heeft de rechtbank kennis genomen van de reactie van 22 februari 2024 van de Poolse autoriteiten daarop. In recente uitspraken zijn aanvullende vragen gesteld, ter beoordeling van de vraag of sprake is van algemeen reëel gevaar voor schending van grondrechten.

Gelet op de bevindingen uit het CPT-rapport, en de recente uitspraken van de rechtbank ziet de rechtbank ook in onderhavige zaak aanleiding om aanvullende vragen te stellen ten aanzien van de detentieomstandigheden waarin de opgeëiste persoon zich zal bevinden na een eventuele overlevering.

De zorgen van het CPT zien in hoofdlijnen op vier punten, namelijk: de medische zorg, het contact met de advocaat, 23 uur per dag op cel zitten, en het contact met de buitenwereld. Deze punten zijn eerder toegelicht, waarbij door de rechtbank in eerdere genoemde recente uitspraken ook besloten is om geen aanvullende vragen te stellen ten aanzien van de medische zorg en het contact met de advocaat. Nu de raadsman geen andere informatie heeft overgelegd dan reeds eerder door de rechtbank in overweging is genomen en tevens geen nadere toelichting heeft gegeven over de gezondheidsproblemen van de opgeëiste persoon ziet de rechtbank geen aanleiding om in deze zaak tot een ander oordeel te komen.

De rechtbank zal het onderzoek heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen voor te leggen aan de Poolse autoriteiten:

Geldt ten aanzien van de out-of-cell activiteiten die worden genoemd in de reactie van de Poolse autoriteiten van 22 februari 2024 dat die allemaal beschikbaar zijn voor voorlopig gedetineerden? Zo niet, welke out-of-cell activiteiten zijn wél beschikbaar voor voorlopig gedetineerden?

Mogen alle voorlopig gedetineerden deelnemen aan deze activiteiten, behoudens de situatie dat een beslissing tot (contact)beperking is opgelegd?

Als het zo is dat voorlopig gedetineerden gebruik kunnen maken van de aangeboden activiteiten of anderszins buiten de cel mogen verblijven (bijvoorbeeld in een gemeenschappelijke ruimte), hoeveel uur per dag kunnen zij buiten hun cel doorbrengen?

Maakt het voor de beantwoording van de bovenstaande vragen uit in welk huis van bewaring de voorlopig gedetineerde is geplaatst? Zo ja, kunt u uitleggen hoe dit per huis van bewaring verschilt?

Kunt u omschrijven welke procedure door een voorlopig gedetineerde moet worden gevolgd om toestemming te vragen voor het ontvangen van bezoek dan wel telefonisch contact met een ander dan de advocaat?

o Hoe lang duurt het voordat daar een beslissing op is genomen?

Is de bevinding van het CPT, dat dit er voor voorlopig gedetineerden in de praktijk toe leidt dat zij slechts één keer per maand bezoek kunnen ontvangen voor maximaal 1 uur, nog steeds actueel? Zo ja, geldt dit alleen voor de bezochte remand prison of geldt dit ook voor andere huizen van bewaring?

In welk huis van bewaring zal de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid worden geplaatst?

- Hoeveel persoonlijke ruimte (in een meerpersoonscel) staat haar daar ter beschikking, waarbij de ruimte die in beslag wordt genomen door de sanitaire infrastructuur niet mag worden meegenomen?

8. Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd – met dien verstande dat de zaak uiterlijk 14 dagen voor 26 juni 2024 (het verstrijken van de beslistermijn) weer op zitting moet worden aangebracht – teneinde de officier van justitie in gelegenheid te stellen de hiervoor onder 7.2 genoemde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;

VERLENGT op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissing;

VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon met 30 dagen;

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon en haar raadsman tegen een nader te bepalen datum en tijdstip;

BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.Deze uitspraak is gedaan door

mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,

mrs. M. Vaandrager en M. Westerman, rechters,

in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 mei 2024.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?