RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.319901-23
Datum uitspraak: 2 mei 2024
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 6 maart 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 oktober 2023 – en aangepast op 8 maart 2024 – door een rechter bij the Regional Court in Kraków, III Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
gedetineerd in de [P.I.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 april 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E.B. Jobse, advocaat in Rotterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een enforceable decision of the District Court for Kraków-Śródomieście in Kraków, II Criminal Division on pre-trial detention in preparatory proceedings van 31 augustus 2023, met kenmerk II Kp 1237/23/S.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon.
Genoegzaamheid
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de overlevering geweigerd dient te worden, omdat de verdenkingen niet genoegzaam omschreven zijn. In het bijzonder ten aanzien van de verdenking zoals beschreven onder E sub I is onvoldoende onderbouwd op grond van welk bewijs de Poolse autoriteiten tot de verdenking zijn gekomen. Subsidiair dienen aanvullende vragen gesteld te worden aan de Poolse autoriteiten om hier helderheid over te verschaffen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het EAB genoegzaam is.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens bevat op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder is het voor de rechtbank duidelijk dat het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Het EAB bevat een beschrijving van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van de datum, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving waarborgt ook de naleving van het specialiteitsbeginsel. De rechtbank merkt daarbij op dat het bewijs niet behoeft te worden overgelegd in deze procedure.
4. Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten 1 en 2 aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder de nummers 1 en 5, te weten:
Deelneming aan een criminele organisatie
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feit 3 levert naar Nederlands recht op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft
Feit 4 levert naar Nederlands recht op:
diefstal vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
Feit 5 levert naar Nederlands recht op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft
Feit 6 levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
5. Onschuldverweer
Standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de opgeëiste persoon in de pleegperiode van het feitencomplex genoemd in het EAB onder E sub I in voorlopige hechtenis zat, waardoor zijn onschuld ondubbelzinnig vaststaat.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de onschuldbewering onvoldoende is onderbouwd, en er geen sprake is van het ondubbelzinnig hebben aangetoond van de onschuld van de opgeëiste persoon. Het is een kwestie voor de Poolse strafrechter.
Oordeel van de rechtbank
De opgeëiste persoon verklaart niet schuldig te zijn aan de feiten maar hij heeft dit, anders dan de OLW vereist, niet tijdens het verhoor ter zitting aangetoond. Overigens maakt het enkele feit dat de opgeëiste persoon gedurende (een deel van) de pleegperiode van de verdenking onder E sub I in voorlopige hechtenis heeft gezeten nog niet dat zijn onschuld daarmee ondubbelzinnig is aangetoond. Het feit dat hij de hele pleegperiode vast zat is onvoldoende onderbouwd.
De onschuldbewering leidt alleen om die reden al niet tot weigering van de overlevering.
6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW
7. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de opgeëiste persoon verzoekt de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Naast Nederland zouden ook Spanje, Noorwegen en Duitsland rechtsmacht hebben aangezien de verdenkingen zich ook deels daar hebben afgespeeld. Het is daarbij onduidelijk welke specifieke handelingen zich op Pools grondgebied zouden hebben plaatsgevonden.
Subsidiair dienen aanvullende vragen gesteld te worden aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond. Hij voert hiertoe het volgende aan:
In deze zaak ziet de rechtbank geen aanwijzingen dat sprake is van een situatie waarin de verweten gedragingen geheel buiten het grondgebied van de uitvaardigende staat zouden zijn gepleegd. De vraag of andere landen rechtsmacht kunnen uitoefenen, valt daarom buiten het toetsingskader van de Overleveringswet..
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn. Verder is de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond om te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
In het licht van de door de officier van justitie aangedragen argumenten, vormt het gegeven dat het feit wordt geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen, of om aanvullende vragen te stellen.
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er in het specifieke geval van de opgeëiste persoon sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld dan wel in ieder geval doen vermoeden dat de bekende gebreken in de Poolse rechtsorde een concrete invloed zullen hebben op de strafzaak van de opgeëiste persoon.
Ten eerste is de ‘prosecutor’ Tomasz Dudek, die de zaak jegens de opgeëiste persoon heeft aangevangen in Polen, controversieel en worden zijn eerlijkheid en onafhankelijkheid in twijfel getrokken. Hiertoe heeft de raadsman meerdere stukken overgelegd, waaronder een verklaring van de Poolse advocaat van de opgeëiste persoon.
Ten tweede is de rechter Agnieszka Katarzyna, die met de zaak van de opgeëiste persoon belast is, een NEO-KRS rechter. Zij is verbonden aan de controversiële Neo-nationale raad. Hiertoe is een stuk overgelegd dat samengesteld is door de familie van de opgeëiste persoon.
Ten slotte zijn de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd – in het bijzonder ten aanzien van de deelneming aan een criminele organisatie – vanwege hun aard en karakter bij uitstek feiten waarbij de kans op een oneerlijk proces toeneemt vanwege de vele verdachten en gecompliceerde verdenkingen. Dit zorgt voor veel druk op justitie om tot een veroordeling te komen. Dit lijkt zich zelfs al te hebben verwezenlijkt tijdens de periode van 2 jaar en 8 maanden voorlopige hechtenis waaraan de opgeëiste persoon werd onderworpen, waarbij hij meermaals onder druk werd gezet om te bekennen en waarna nieuw bewijs is gefabriceerd om hem opnieuw aan te houden.
Op grond hiervan dient de overlevering geweigerd te worden. Anders dient de behandeling van de zaak te worden aangehouden om nadere informatie te verkrijgen over de misstanden van justitie in Polen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het standpunt van de verdediging onvoldoende is onderbouwd. De overgelegde stukken zijn afkomstig van de Poolse advocaat en familieleden van de opgeëiste persoon, en kunnen dus gekleurd zijn. Er zijn geen objectieve gegevens geleverd op basis waarvan een gevaar kan worden aangenomen dat er een oneerlijk proces zal komen. Ook is er onvoldoende aanleiding om aanvullende vragen te stellen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat – noch die doen vermoeden dat – die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld en bestaat er ook geen aanleiding om aanvullende gegevens op te vragen.
8. Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden
De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen onder punt 4.2 van de tussenuitspraak die deze rechtbank op 5 april 2024 heeft gewezen; ook deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Standpunten van de verdediging en de officier van justitie
Standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de overlevering geweigerd dient te worden op grond van artikel 11 OLW omdat overlevering een schending van één of meer grondrechten zou opleveren. Hij verwijst hierbij naar het CPT-rapport van 22 februari 2024, dat zorgen uit ten aanzien van de detentieomstandigheden van voorlopig gedetineerden.
Indien niet geweigerd wordt op grond van artikel 11 OLW, dienen er aanvullende vragen gesteld te worden zoals de rechtbank dat eerder heeft gedaan in de tussenuitspraak van 5 april 2024.
De reeds gestelde vragen dienen aangevuld te worden met verzoeken om informatie met betrekking tot de volgende elementen:
een garantie ten aanzien van de duur van de voorlopige hechtenis van de opgeëiste persoon, de datum van de inhoudelijke procedure, de mogelijke strafeis en de uiteindelijke straf bij een bewezenverklaring;
een garantie ten aanzien van de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon gedetineerd zal worden in het geval de overlevering toegestaan wordt, in welk detentie-regime hij dan geplaatst zal worden, en op welke wijze gegarandeerd wordt dat hij niet onderworpen wordt aan onmenselijke of vernederende behandeling;
de eventuele gevolgen van de oorlogssituatie tussen Oekraïne en Rusland op gedetineerden, mocht de oorlog zich naar Polen verplaatsen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er aanvullende vragen gesteld dienen te worden ten aanzien van de detentieomstandigheden voor voorlopig gedetineerden in Polen, gelet op de eerdere uitspraken van 5 en 9 april 2024 van de rechtbank waarin hetzelfde gedaan is.De raadsman heeft niet voldoende onderbouwd dat de voorgestelde aanvullende vragen toegevoegd dienen te worden aan de reeds gestelde vragen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft kennis genomen van de zorgen die in het CPT-rapport van 22 februari 2024 worden geuit met betrekking tot de detentieomstandigheden van voorlopig gedetineerden. Verder heeft de rechtbank kennis genomen van de reactie van 22 februari 2024 van de Poolse autoriteiten daarop. In recente uitspraken zijn aanvullende vragen gesteld, ter beoordeling van de vraag of sprake is van algemeen reëel gevaar voor schending van grondrechten.
Gelet op de bevindingen uit het CPT-rapport, en de recente tussenuitspraak ziet de rechtbank ook in onderhavige zaak aanleiding om aanvullende vragen te stellen ten aanzien van de detentieomstandigheden waarin de opgeëiste persoon zich zal bevinden na een eventuele overlevering.
De zorgen van het CPT zien in hoofdlijnen op vier punten, namelijk: de medische zorg, het contact met de advocaat, 23 uur per dag op cel zitten, en het contact met de buitenwereld. Deze zijn eerder toegelicht, waarbij door de rechtbank in de eerder genoemde recente tussenuitspraak ook besloten is om geen aanvullende vragen te stellen ten aanzien van de medische zorg en de toegang tot de advocaat. De raadsman heeft geen stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt dat er extra vragen moeten worden gesteld, waardoor de rechtbank geen aanleiding ziet om extra vragen te stellen in deze zaak. De rechtbank zal dan ook soortgelijke vragen stellen als in de recente tussenuitspraak.
De rechtbank zal het onderzoek heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen voor te leggen aan de Poolse autoriteiten:
Geldt ten aanzien van de out-of-cell activiteiten die worden genoemd in de reactie van de Poolse autoriteiten van 22 februari 2024 dat die allemaal beschikbaar zijn voor voorlopig gedetineerden? Zo niet, welke out-of-cell activiteiten zijn wél beschikbaar voor voorlopig gedetineerden?
Mogen alle voorlopig gedetineerden deelnemen aan deze activiteiten, behoudens de situatie dat een beslissing tot (contact)beperking is opgelegd?
Als het zo is dat voorlopig gedetineerden gebruik kunnen maken van de aangeboden activiteiten of anderszins buiten de cel mogen verblijven (bijvoorbeeld in een gemeenschappelijke ruimte), hoeveel uur per dag kunnen zij buiten hun cel doorbrengen?
Maakt het voor de beantwoording van de bovenstaande vragen uit in welk huis van bewaring de voorlopig gedetineerde is geplaatst? Zo ja, kunt u uitleggen hoe dit per huis van bewaring verschilt?
Kunt u omschrijven welke procedure door een voorlopig gedetineerde moet worden gevolgd om toestemming te vragen voor het ontvangen van bezoek dan wel telefonisch contact met een ander dan de advocaat?
o Hoe lang duurt het voordat daar een beslissing op is genomen?
Is de bevinding van het CPT, dat dit er voor voorlopig gedetineerden in de praktijk toe leidt dat zij slechts één keer per maand bezoek kunnen ontvangen voor maximaal 1 uur, nog steeds actueel? Zo ja, geldt dit alleen voor de bezochte remand prison of geldt dit ook voor andere huizen van bewaring?
In welk huis van bewaring zal de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid worden geplaatst?
- Hoeveel persoonlijke ruimte (in een meerpersoonscel) staat haar daar ter beschikking, waarbij de ruimte die in beslag wordt genomen door de sanitaire infrastructuur niet mag worden meegenomen?
9. Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd – met dien verstande dat de zaak uiterlijk 14 dagen voor 2 juli 2024 (het verstrijken van de beslistermijn) weer op zitting moet worden aangebracht – teneinde de officier van justitie in gelegenheid te stellen de hiervoor onder 8.2 genoemde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;
VERLENGT op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissing;
VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon met 30 dagen;
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon en zijn raadsman tegen een nader te bepalen datum en tijdstip;
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. M. Vaandrager en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 mei 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.