RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/189580-23 (was: 13/751524-20) (EAB 1)
Datum uitspraak: 21 mei 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 2 juli 2020 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 februari 2019 door the District Court of Legnica - III Criminal Department, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988,
niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen,
laatst bekende adres: [BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
Zitting 3 september 2020
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 september 2020, in aanwezigheid van mr. C.L.E. McGivern, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.G.A. Aben, advocaat in Eindhoven, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft het onderzoek op deze zitting voor onbepaalde tijd geschorst om de antwoorden van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen over de Poolse rechtstaat af te wachten.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Zitting 7 mei 2024
De behandeling van het EAB is hervat op de zitting van 7 mei 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw, mr. A.G.A. Aben, advocaat in Eindhoven. De raadsvrouw heeft desgevraagd verklaard dat de opgeëiste persoon haar uitdrukkelijk heeft gemachtigd om namens hem het woord te voeren.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor de overleveringsdetentie. De rechtbank stelt dan ook vast dat de overleveringsdetentie is geëindigd.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van the Regional Court of Lublin (Polen) van 22 mei 2018, referentie: II Kp 324/18.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4. Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het onder I vermelde strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. Het feit valt op deze lijst onder nummer 18 en 21 te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal;
racketeering en afpersing.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van dit feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de onder II en III vermelde strafbare feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank stelt ten aanzien van feit II vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
handelen in strijd met een in artikel 3 van de Opiumwet gegeven verbod.
Ten aanzien van het voorhanden hebben van het onder feit III vermelde wapen stelt de rechtbank vast dat aan deze voorwaarden niet is voldaan, omdat dit feit is ingevolge artikel 2, categorie III, sub 4, van de Wet wapens en munitie niet strafbaar is.
Desondanks kan ingevolge artikel 7, vierde lid, OLW de overlevering voor deze feiten toch worden toegestaan indien overlevering plaatsvindt tezamen met één of meer andere feiten die wel voldoen aan alle eisen van artikel 7, eerste lid, OLW. Nu deze feiten ondergeschikt zijn aan de onder feit I vermelde diefstal met geweld, ziet de rechtbank geen aanleiding om van toepassing van deze bevoegdheid af te zien.
5. Weigeringsgrond artikel 11 OLW
Poolse rechtstaat
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat mogelijk geen sprake meer is van genoemd algemeen reëel gevaar, gelet op recente ontwikkelingen in de politieke situatie in Polen en nu de Europese Commissie heeft aangekondigd de procedure tegen Polen, op basis van artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, in te trekken.
De rechtbank volgt de officier van justitie niet. De artikel 7-procedure had tot doel om Polen als lidstaat te schorsen, vanwege een schending van de waarden van Europese Unie. De rechtsstaat in Polen werd volgens de Europese Commissie ondermijnd doordat het parlement te veel invloed kreeg op de media en rechterlijke macht. De Europese Commissie is nu voornemens die procedure in te trekken, omdat Polen een reeks maatregelen heeft getroffen om de zorgen over de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht weg te nemen. De voorgenomen maatregelen, waarmee Polen deels ook al een aanvang heeft gemaakt, leiden er volgens de Europese Commissie toe dat er niet langer een duidelijk risico bestaat op een ernstige schending van de rechtsstaat. Deze maatregelen leiden er naar het oordeel van de rechtbank echter niet toe dat er op dit moment in Poolse strafprocedures geen algemeen reëel gevaar meer bestaat voor schending van het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De maatregelen moeten namelijk grotendeels nog ten uitvoer worden gelegd, waarna deze pas hun voorgenomen effect kunnen sorteren en daadwerkelijk het gevaar kunnen wegnemen van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Detentieomstandigheden
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat onvoldoende informatie beschikbaar is over de detentieomstandigheden in de remand prisons in Polen en hierover ook geen nadere vragen meer kunnen worden gesteld omdat de beslistermijn is verstreken.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden in de remand prisons in Polen in deze zaak niet relevant zijn. De overlevering voor het gelijktijdig behandelde EAB voor de tenuitvoerlegging van een opgelegde vrijheidsstraf (EAB 2; 13/189570-23) kan namelijk worden toegestaan en de opgeëiste persoon zal om die reden na overlevering niet in een regime voor voorlopig gedetineerden gedetineerd worden. Subsidiair heeft de officier van justitie geconcludeerd dat aan de uitvaardigende justitiële autoriteit aanvullende vragen moeten worden gesteld over de detentieomstandigheden in de remand prisons, alsmede over de vraag of na de feitelijke overlevering voorrang wordt verleend aan de vervolging van de opgeëiste persoon voor de in dit EAB omschreven feiten of aan de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf zoals vermeld in EAB 2.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft kennis genomen van de zorgen die in het CPT-rapport van 22 februari 2024 worden geuit met betrekking tot de detentieomstandigheden van voorlopig gedetineerden. Verder heeft de rechtbank kennis genomen van de reactie van 22 februari 2024 van de Poolse autoriteiten daarop. In recente tussenuitspraken heeft de rechtbank aanvullende vragen gesteld, ter beoordeling van de vraag of sprake is van een algemeen reëel gevaar voor schending van grondrechten.
Gelet op de bevindingen uit het CPT-rapport en de recente tussenuitspraken in soortgelijke zaken is het naar het oordeel van de rechtbank ook in deze zaak nodig om aanvullende vragen te stellen ter beantwoording van de vraag of sprake is van een algemeen gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor personen die zich in Polen in voorlopige hechtenis bevinden. De termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen in deze zaak is echter al geruime tijd verstreken. Hierdoor heeft de rechtbank geen mogelijkheden meer om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit aanvullende informatie te vragen. De opgeëiste persoon mag daarvan echter niet de dupe worden. Daarom ziet de rechtbank aanleiding om aan het EAB geen gevolg te geven (artikel 11, eerste lid, OLW).
6. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven.
7. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en 2, 5, 7 en 11 OLW.
8. Beslissing
GEEFT GEEN GEVOLG AAN het verzoek tot overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court of Legnica - III Criminal Department (Polen).
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en A.B. Sluijs, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden en A.Q.L. van der Meulen, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 mei 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.