ECLI:NL:RBAMS:2024:5019

ECLI:NL:RBAMS:2024:5019, Rechtbank Amsterdam, 13-02-2024, 13/213104-23

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 13-02-2024
Datum publicatie 19-12-2025
Zaaknummer 13/213104-23
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Vrijspraak poging zware mishandeling. Gevangenisstraf van 1 maand voor mishandeling en bedreiging.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/213104-23

Datum uitspraak: 13 februari 2024

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:

[De verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 februari 2024.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R. Willemsen en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. S.T.M. Eijsbouts naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

Feit 1: poging tot zware mishandeling, subsidiair ten laste gelegd als mishandeling van [slachtoffer] ;

Feit 2: bedreiging van [slachtoffer] .

De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.

3. Waardering van het bewijs

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten kunnen worden bewezen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling (feit 1 primair), door met een mes in zijn hand meerdere stekende bewegingen te maken richting het slachtoffer en het slachtoffer vervolgens hard te schoppen en te slaan terwijl het slachtoffer op de grond lag. Ook bedreiging van het slachtoffer met een mes (feit 2) kan worden bewezen. Dat sprake was van een noodweersituatie en verdachte om die reden het recht had zichzelf te verdedigen is niet aannemelijk geworden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de poging tot zware mishandeling (feit 1 primair). Niet kan worden vastgesteld dat verdachte met een mes meerdere stekende bewegingen richting het slachtoffer heeft gemaakt of dat hij meerdere malen heeft geschopt en geslagen tegen het hoofd van het slachtoffer. Gelet daarop is er geen sprake van een situatie dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het onder 2 ten laste gelegde kan niet worden vastgesteld omdat niet is gebleken dat verdachte dreigende woorden heeft geuit.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. De rechtbank acht het onder 1 subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde wel bewezen, zoals hierna in rubriek 4 is weergegeven. De rechtbank grondt deze beslissing op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen en op de hierna volgende overwegingen. Als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkorte vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte vonnis gehecht. De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank acht mishandeling en bedreiging bewezen. De rechtbank stelt op basis van de camerabeelden vast dat verdachte meermalen tegen het lichaam van het slachtoffer heeft gestompt en geschopt terwijl het slachtoffer op de grond lag (feit 1 subsidiair). Verder heeft verdachte met een mes in zijn hand één stekende beweging gemaakt richting het slachtoffer (feit 2).

De rechtbank acht, net als raadsvrouw, de poging zware mishandeling (feit 1 primair) niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. De rechtbank kan op basis van de camerabeelden namelijk niet vaststellen of de stekende beweging die verdachte maakt richting het hoofd of het lichaam van het slachtoffer gaat. Ook is niet duidelijk wat op dat moment de afstand is tussen (het mes van) verdachte en het slachtoffer en wat de kracht was van de stekende beweging. Ook staat niet vast dat verdachte heeft gestompt en geslagen of heeft geschopt en getrapt tegen het hoofd van verdachte, waardoor niet kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel was en zo ja, of verdachte die heeft aanvaard.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Feit 1 subsidiair

op 23 augustus 2023 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het meermalen

- te stompen/slaan tegen het lichaam van [slachtoffer] , terwijl [slachtoffer] op de grond lag, en

- te schoppen/trappen tegen het lichaam van [slachtoffer] , terwijl [slachtoffer] op de grond lag.

Feit 2

op 23 augustus 2023 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een mes, een stekende beweging te maken in de richting van het lichaam van [slachtoffer] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5. Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf van 101 dagen wordt opgelegd met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte een taakstraf van 40 uren op te leggen en deze straf om te zetten naar een gevangenisstraf van 20 dagen.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer meerdere malen te schoppen en te slaan en aan bedreiging door met een mes één stekende beweging richting het slachtoffer te maken. Verdachte heeft door zijn handelen een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Naast de angst en het leed voor het slachtoffer in deze zaak zorgt een vechtpartij met een mes op de openbare weg, midden in het centrum van Amsterdam, ook voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 15 januari 2024. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsrapport omtrent verdachte van 16 januari 2024. Hieruit volgt – kort gezegd – dat de reclassering geen mogelijkheden ziet om met verdachte in contact te komen.

Strafoplegging

Om te bevorderen dat landelijk door rechtbanken voor dezelfde feiten ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf voor de bewezen verklaarde feiten gekeken naar deze oriëntatiepunten. Voor mishandeling is het uitgangspunt een taakstraf van 40 uur. Voor bedreiging is het uitgangspunt een taakstraf van 60 uren. De rechtbank ziet in de omstandigheden waaronder het feit is begaan en in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte echter aanleiding om te kiezen voor een andere strafsoort. Daarbij weegt mee dat verdachte zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland verblijft, waardoor het uitvoeren van een taakstraf niet mogelijk is. Omdat een gevangenisstraf een zwaardere strafsoort is dan een taakstraf zal de rechtbank een lagere gevangenisstraf opleggen dan dat de uitgangspunten aangeven.. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van één maand, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

8. Beslag

Onder verdachte zijn, blijkens de beslaglijst van 30 oktober 2023, de volgende voorwerpen in beslag genomen:

1. 1 STK Mes (Omschrijving: PL1300-2023190464-G6385172, Zwart, merk: aardappelschilmes)

Onttrekking aan het verkeer

Omdat met het genoemde voorwerp het bewezen geachte is begaan en het van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, wordt dit voorwerp onttrokken aan het verkeer.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 36b, 36c, 57, 285, 300 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1

Mishandeling

Feit 2

Bedreiging

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [De verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

1 STK Mes (Omschrijving: PL1300-2023190464-G6385172, Zwart, merk: aardappelschilmes)

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.A.E. Wijnker, voorzitter,

mrs. P.P.C.M. Waarts en M. Smit, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.S. Eisses, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 februari 2024.

[--]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.A.E. Wijnker

Griffier

  • mr. L.S. Eisses

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?