ECLI:NL:RBAMS:2024:7008

ECLI:NL:RBAMS:2024:7008, Rechtbank Amsterdam, 13-11-2024, 24/6024

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 13-11-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 24/6024
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

Voorlopige voorziening. Verzoekster mag haar [bedrijf] niet exploiteren, omdat is geconstateerd dat de [functie] niet aan de kwaliteitseisen die aan de [functie] zijn gesteld, voldoet. De voorzieningenrechter is van voorlopig oordeel dat het college niet een minder vergaande maatregel had moeten opleggen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af.

Uitspraak

[verzoekster], h.o.d.n. [bedrijf 1], uit Amsterdam, verzoekster

(gemachtigden: mr. R.P. Kuijper en mr. R. Kloese),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college

(gemachtigde: [gemachtigde 1]).

Inleiding

Beoordeling door de voorzieningenrechter

9. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.De duur van de verlenging

10. Verzoekster voert allereerst aan dat de verlenging van het bevel niet zes maanden heeft mogen duren.

11. Het college heeft op de zitting toegelicht dat hij het bevel tot 28 mei 2024 heeft verlengd en dat vanaf 28 mei 2024 alleen nog het exploitatieverbod gold. Van een verlenging met zes maanden is dan ook geen sprake.Minder vergaande maatregel

12. Verzoekster heeft op de zitting toegelicht dat een voorlopige voorziening moet worden getroffen, omdat het college een minder vergaande maatregel heeft moeten opleggen, zoals een last onder dwangsom. Verzoekster voert daarnaast aan dat het rapport van de GGD onjuistheden en onvolledigheden bevat.

13. Artikel 1.66, eerste lid, van de [wet] bepaalt onder meer dat het college de houder kan verbieden de exploitatie van een [bedrijf 2] voort te zetten, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is.

14. In zaken die over de [wet] gaan is de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) de hoogste bestuursrechter. De Afdeling heeft overwogen dat een lopende exploitatie mag worden beëindigd met een verbod, als er de kwaliteit van de opvang rakende gebreken zijn geconstateerd en er objectieve aanwijzingen zijn dat er op aanvaardbare termijn – een per geval door het bestuur te concretiseren termijn – geen zicht meer op is dat het [bedrijf 2] alsnog aan de kwaliteitseisen zal gaan voldoen. Deze verwachting moet steunen op concrete feiten en omstandigheden waarvan vaststaan dat deze zich hebben voorgedaan.

15. De voorzieningenrechter is allereerst van voorlopig oordeel dat er de opvang rakende gebreken zijn geconstateerd. Uit het rapport van de GGD komen verschillende overtredingen naar voren. Verzoekster heeft niet alle geconstateerde overtredingen betwist. Deze niet betwiste overtredingen raken de kwaliteit van de [bedrijf 1]. Zo heeft de GGD onder meer geconcludeerd dat verzoekster er onvoldoende zorg voor draagt dat gedurende de dagopvang te allen tijde ten minste één volwassene aanwezig is met een geldig EHBO-diploma, dat verzoekster onvoldoende zorg draagt voor uitvoering van het veiligheids- en gezondheidsbeleid en heeft verzoekster niet aangetoond hoe wordt geborgd dat alle stukken uit het veiligheids- en gezondheidsbeleid worden behandeld. Het betoog van verzoekster dat het rapport van de GGD onvolledigheden en onjuistheden bevat, kan dan ook niet leiden tot de door verzoekster gewenste voorlopige voorziening.

16. De voorzieningenrechter is daarnaast van voorlopig oordeel dat er objectieve aanwijzingen zijn dat er op aanvaardbare termijn geen zicht meer op is dat verzoekster alsnog aan de kwaliteitseisen zal gaan voldoen. Uit de stukken en uit de toelichting van het college op de zitting is namelijk gebleken dat het college sinds 2014 verschillende aanwijzingen en lasten onder dwangsom aan verzoekster heeft opgelegd. Deze handhavingsmiddelen hebben niet tot duurzame verbeteringen geleid. In het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, heeft de GGD geconcludeerd dat de geconstateerde gebreken dusdanig basaal en ernstig zijn dat verzoekster geen [uitoefenen]. Gelet op deze geschiedenis heeft het college naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk mogen achten dat het wederom opleggen van een last onder dwangsom of een aanwijzing niet tot het naleven van de gestelde kwaliteitseisen zou leiden. De grond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

17. Gelet op het bovenstaande is er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Sullivan, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.W. Steenhoff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op

13 november 2024.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. D

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?