ECLI:NL:RBAMS:2024:7187

ECLI:NL:RBAMS:2024:7187, Rechtbank Amsterdam, 27-11-2024, AMS 23/5707

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 27-11-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AMS 23/5707
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 12 zaken
Aangehaald door 2 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0004825 BWBR0005537 BWBR0006622

Samenvatting

Verweerder heeft met toepassing van bestuursdwang het voertuig van eiser laten wegslepen omdat hij geparkeerd stond op een vergunninghoudersplaats. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat de verkeerssituatie – anders dan eiser stelt – voldoende duidelijk was. In de regel gelden verkeersborden voor het gebied ná het bord, bezien vanuit de richting van waaruit het bord zichtbaar is. Dit uitgangspunt is ook voor borden met betrekking tot parkeerplaatsen in de rechtspraak bevestigd. Van eiser mocht daarbij worden verwacht dat hij, in ieder geval na het parkeren, de verkeerssituatie goed had bekeken en zich bij twijfel over de nieuwe parkeersituatie nader had geïnformeerd. Dat er situaties zijn waarin het verkeerbord vóór het verboden parkeervak staat, leidt niet tot een andere conclusie. Beroep ongegrond.

Uitspraak

[eiser] , uit Amsterdam, eiser

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde 2] ).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit tot toepassing van bestuursdwang

Met het primaire besluit van 8 mei 2023 heeft verweerder met toepassing van bestuursdwang het voertuig van eiser laten wegslepen omdat hij geparkeerd stond op een vergunninghoudersplaats. Het kenteken van het voertuig van eiser kwam niet overeen met het kenteken op het onderbord. Met het bestreden besluit van 17 augustus 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank beoordeelt of verweerder de auto van eiser mocht wegslepen en de kosten daarvan op eiser mocht verhalen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder bevoegd was om de auto van eiser weg te slepen, omdat eiser zijn voertuig geparkeerd stond op een vergunninghoudersplaats ter hoogte van de [adres] te Amsterdam, zonder vergunning. In geschil is of verweerder de kosten van het wegslepen van de auto op eiser mocht verhalen.

Mocht verweerder de kosten van het wegslepen van de auto op eiser verhalen?

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder inconsequent is in de plaatsing van bebordingen, hetgeen tot verwarrende situaties leidt. Eiser heeft verschillende foto’s overgelegd, waar volgens hem uit volgt dat er op andere plaatsen in de [locatie] de verkeersborden ‘achteraan’ het vak zijn geplaatst. Terwijl dit volgens het beleid van verweerder juist voor het parkeervak geplaatst moet worden. Verweerder wijkt volgens eiser van het eigen beleid af bij de plaatsing van verkeersborden. Dit heeft tot verwarring geleid bij eiser over de vraag in welk parkeervak hij niet mocht parkeren. Bovendien voert eiser aan dat hij heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht, door na het parkeren na te gaan of er verkeersborden dan wel verkeerstekens waarneembaar waren. Ook voert eiser aan dat hij al jaren in de [locatie] woont en niet bekend was met de verkeerssituatie ter plaatse, omdat hij doorgaans gebruikt maakt van een elektrische oplaadplek. Op zitting heeft eiser nog gevraagd om naar de hoogte van het bedrag te kijken, omdat er geen sprake is van opzet.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de kosten van het wegslepen van de auto in redelijkheid kon verhalen op eiser. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen gaan als regel uitoefening van bestuursdwang en kostenverhaal samen. Voor het maken van een uitzondering hierop kan aanleiding bestaan als de aangeschrevene geen verwijt valt te maken over de ontstane situatie en als bij het ongedaan maken van de strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken, dat moet worden geoordeeld dat kosten in redelijkheid niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene moeten komen. Ook andere, bijzondere omstandigheden kunnen het bestuursorgaan nopen tot het geheel of gedeeltelijk afzien van het kostenverhaal.

In dit geval is de rechtbank van oordeel dat de verkeerssituatie – anders dan eiser stelt – voldoende duidelijk was. Uit de foto’s in het dossier blijkt dat het verkeersbord haaks ten opzichte van de wegas en aan het begin van de parkeerplaats waar eiser geparkeerd stond was geplaatst. Het gereserveerde parkeervak bevindt zich direct na het verkeersbord (bezien vanuit de geldende rijrichting). In de regel gelden verkeersborden voor het gebied ná het bord, bezien vanuit de richting van waaruit het bord zichtbaar is (de rijrichting). Als voorbeeld kan gewezen worden op een verkeersbord waarmee de maximumsnelheid wordt aangegeven, van toepassing op het hierna gelegen gedeelte van de snelweg. Dit uitgangspunt is ook voor borden met betrekking tot parkeerplaatsen in de rechtspraak bevestigd. Van eiser mocht daarbij worden verwacht dat hij, in ieder geval na het parkeren, de verkeerssituatie goed had bekeken en zich bij twijfel over de nieuwe parkeersituatie nader had geïnformeerd. Hij had bijvoorbeeld op internet kunnen zoeken naar de hoofdregel met betrekking tot het plaatsen van verkeerborden (namelijk vóór de situatie die het betreft).

Dat er situaties zijn waarin het verkeerbord vóór het verboden parkeervak staat, leidt niet tot een andere conclusie. Op de foto’s die eiser heeft overgelegd is in alle gevallen sprake van verkeerssituaties die anders zijn dan de situatie rondom de parkeerplaats waar eiser stond geparkeerd. Op de foto’s die eiser heeft overgelegd is te zien dat er bij de parkeervakken obstakels zijn zoals bloembakken, een bankje of fietsenrekken en dat er bij de meeste gevallen een wit kruis op het parkeervak is geplaatst en dat er sprake is van andere verkeersborden. Dit is allemaal niet het geval bij de parkeerplaats waar het in deze zaak over gaat. Bovendien heeft verweerder ter zitting toegelicht dat in dergelijke gevallen wordt afgeweken van de hoofdregel en dat er in het geval van de parkeerplaats waar eiser geparkeerd stond geen reden was om af te wijken van de hoofdregel. In veel gevallen is dan ook nog eens (onverplicht) een wit kruis aangebracht, juist om duidelijk te maken dat wordt afgeweken van de hoofdregel. Dat betekent dat de overgelegde foto’s niet leiden tot de conclusie dat de verkeersituatie onvoldoende duidelijk was.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechtbank geen reden ziet om de kosten van de bestuursdwang te matigen.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de auto mocht wegslepen zoals zij heeft gedaan en de kosten daarvan op eiser mocht verhalen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2024.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L. Dolfing

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?