RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/296747-24
Datum uitspraak: 28 november 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 25 september 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 27 juli 2023 door the District Court in Wrocław, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1982,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
uit andere hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 november 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T. Mustafazade, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een final and binding judgement of the Regional Court for Wroclaw-Fabryczna in Wroclaw of 29 June 2021 (II K 1093/20), upheld on the strength of the judgement of the District Court in Wroclaw of 30 November 2021 (IV Ka 1212/21).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Uit het EAB volgt dat de zaak in hoger beroep is behandeld waar the District Court in Wrocław als laatste instantie over de straf en schuld heeft geoordeeld. De rechtbank zal daarom alleen het proces in hoger beroep toetsten aan artikel 12 OLW.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing in hoger beroep heeft geleid. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
4. Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
Het standpunt van de raadsvrouw
Ten aanzien van het niet betalen van alimentatie in Polen heeft de raadsvouw aangevoerd dat dit naar Nederlands recht geen strafbaar feit oplevert, omdat uit het EAB niet blijkt dat de opgeëiste persoon door het niet betalen van de alimentatie opzet heeft gehad zijn dochter in een hulpbehoevende situatie te brengen. Daarbij heeft de raadsvrouw aangevoerd dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 7 OLW, zodat de overlevering ook voor deze feiten kan worden toegestaan.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het feit ook in Nederland strafbaar is onder artikel 255 Wetboek van Strafrecht en heeft daarbij verwezen naar een eerdere uitspraak van deze rechtbank. Subsidiair heeft de officier van justitie verzocht om van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 7 OLW af te zien, nu het feit is begaan door een Poolse onderdaan tegen een andere Poolse onderdaan in Polen.
Het oordeel van de rechtbank
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan ten aanzien van feit I.
Dit feit levert naar Nederlands recht op:
poging tot diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden.
Ten aanzien van feit II en III overweegt de rechtbank dat de feiten, zoals omschreven in het EAB als ‘het niet betalen van kinderalimentatie’, niet naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat uit de feitsomschrijving niet kan worden afgeleid dat concreet gevaar dreigde voor leven of gezondheid van de dochter. De omstandigheid dat er daadwerkelijk concreet gevaar dreigde dat haar basisbehoeften niet zouden worden vervuld, maakt immers nog niet dat haar leven of gezondheid op dat moment concreet in gevaar was.
De rechtbank ziet echter aanleiding om van de weigering af te zien, omdat zij van oordeel is dat onvoldoende aanleiding voor weigering bestaat. De rechtbank acht daarbij redengevend dat de feiten geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde hebben. De feiten zijn begaan door een onderdaan van Polen tegen een andere onderdaan van Polen. Daar komt bij dat de overlevering voor feit I al toelaatbaar wordt geacht.
5. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
6. Overige verweren
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat als het EAB, dat in 2023 is uitgevaardigd, eerder aan het licht was gekomen, de opgeëiste persoon in overleveringsdetentie had gezeten in plaats van op de titel van de ISD-maatregel en dan had de tijd in overleveringsdetentie kunnen worden afgetrokken van de Poolse gevangenisstraf. Zij verzoekt de rechtbank primair om de tijd die de opgeëiste persoon sinds het uitvaardigen van het EAB op de titel van de ISD-maatregel in detentie heeft doorgebracht, in mindering te brengen op zijn straf in Polen. Subsidiair vraagt zij aftrek vanaf het moment dat het EAB is ontvangen door het openbaar ministerie.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen ruimte is om de tijd die de opgeëiste persoon in de ISD-maatregel heeft doorgebracht in mindering te brengen op zijn straf in Polen, omdat hij nooit gedetineerd is op grond van de OLW.
Het standpunt van de rechtbank
Hoewel de rechtbank begrijpt dat de opgeëiste persoon graag zou zien dat zijn tijd in detentie in Nederland van zijn Poolse gevangenisstraf wordt afgetrokken, ziet de rechtbank geen mogelijkheid daartoe te beslissen. Dit valt namelijk buiten de reikwijdte van de overleveringsprocedure.
7. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45 en 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
9. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Wrocław (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. J.B. Oreel en A.R. Vlierhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. C.W. van der Hoek en D.F.A. Reuvekamp, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 november 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.