RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/836
uitspraak van de meervoudige kamer van 5 december 2024 in de zaak tussen
[eiser 1] , uit Smyrna (de Verenigde Staten)
en
[eiser 2] , uit Arnhem,
samen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. J.H.J. Boekel),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Elfert).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de weigering om de vrijwillige verzekering van [eiser 1] op grond van de WW en WIA met terugwerkende kracht te beëindigen.
Met de besluiten van 6 juni 2023 en 8 juni 2023 (de primaire besluiten) heeft verweerder de vrijwillige verzekering voor de WW en WIA van [eiser 1] per 2 juni 2023 beëindigd. Met het bestreden besluit van 20 december 2023 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2024 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder. Namens eisers was ook mr. D.J.C.H. Pouw aanwezig.
Totstandkoming van het bestreden besluit
1. [eiser 1] is in 2020 door zijn werkgever [eiser 2] voor werkzaamheden uitgezonden naar de Verenigde Staten. Het was de bedoeling dat [eiser 1] verplicht verzekerd zou blijven in Nederland, maar de daarvoor benodigde formulieren lieten op zich wachten. Daarom heeft [eiser 1] op initiatief van [eiser 2] een vrijwillige verzekering voor de Nederlandse sociale verzekeringen aangevraagd om te voorkomen dat [eiser 1] niet verzekerd zou zijn. Tussen [eiser 1] en [eiser 2] is afgesproken dat [eiser 2] de premies voor de vrijwillige verzekering zou betalen. Verweerder heeft aan [eiser 1] een vrijwillige verzekering toegekend per 1 maart 2020. De aangevraagde E101-verklaring is uiteindelijk op 22 juni 2020 verkregen. Hiervoor geldt een ingangsdatum van 1 maart 2020. Op 2 juni 2023 heeft de gemachtigde van eisers verzocht om de vrijwillige verzekering van [eiser 1] met terugwerkende kracht per 1 maart 2020 te beëindigen. Volgens eisers is [eiser 1] namelijk vanaf die datum al verplicht verzekerd in Nederland op grond van de E101-verklaring. Eisers verzoeken om de door [eiser 2] al betaalde premies voor de vrijwillige verzekering terug te betalen.
2. Met de primaire besluiten heeft verweerder de vrijwillige verzekering voor de WW en WIA van [eiser 1] per 2 juni 2023 beëindigd. Verweerder heeft daartoe overwogen dat een redelijke termijn voor beëindiging met terugwerkende kracht wordt gehanteerd van 13 weken na afgifte van de E101-verklaring. [eiser 1] heeft op 22 juni 2020 de E101-verklaring verkregen. Hij en zijn werkgever hebben niet binnen de redelijke termijn, maar pas op 2 juni 2023, verzocht om de vrijwillige verzekering te beëindigen. Daarom beëindigt verweerder per 2 juni 2023 de vrijwillige verzekering. Met het bestreden besluit is verweerder bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
Beoordeling door de rechtbank
3. In geschil is of verweerder de vrijwillige verzekering van [eiser 1] voor de WW en WIA had moeten beëindigen met de door eisers gewenste terugwerkende kracht tot 1 maart 2020 en tot premierestitutie had moeten overgaan.
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser 1] door de afgifte van de E101-verklaring op 1 maart 2020 verplicht verzekerd was voor de WW en WIA. Op grond van artikel 20, aanhef en onder a, van de Wet WIA beëindigt verweerder de vrijwillige verzekering op verzoek van de vrijwillig verzekerde in beginsel met ingang van een door hem te bepalen datum. Verweerder moet daarentegen op grond van artikel 20, aanhef en onder d, van de Wet WIA de vrijwillige verzekering altijd beëindigen met ingang van de dag waarop de vrijwillig verzekerde verplicht verzekerd wordt. Deze bepaling biedt verweerder geen ruimte om bij de toepassing ervan rekening te houden met een termijn waarbinnen de beëindiging van de vrijwillige verzekering is verzocht. Dit heeft verweerder in het bestreden besluit miskend door eisers zonder wettelijke grondslag wel tegen te werpen dat zij niet binnen dertien weken na afgifte van de E101-verklaring om beëindiging hebben verzocht en vervolgens om die reden een andere beëindigingsdatum vast te stellen.
6. Voor zover verweerder heeft verwezen naar een gedragslijn die in uitspraken van de Centrale Raad van Beroep aanvaardbaar is geacht, kan dit verweerder niet baten. De gedragslijn houdt in dat een vrijwillige verzekering slechts per een toekomende datum wordt beëindigd. Uit deze (en andere) uitspraken van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat deze gedragslijn enkel ziet op situaties waarin iemand heeft verzocht om de vrijwillige verzekering te beëindigen op grond van de hiervoor genoemde sub a van de betreffende artikelen, terwijl diegene in dezelfde periode niet verplicht verzekerd was. De rechtbank is het in zoverre met de Centrale Raad van Beroep eens dat de bepaling onder sub a inderdaad ruimte biedt voor de toepassing van deze gedragslijn om daarmee een verzekeringsrisico voor verweerder af te wenden. Deze zaken betreffen echter een andere situatie dan in dit geschil voorligt. In dit geval is namelijk in artikel 20, aanhef en onder d, van de Wet WIA, dwingend de beëindigingsdatum van de vrijwillige verzekering voorgeschreven, te weten met ingang van de dag waarop de vrijwillig verzekerde verplicht verzekerd wordt. De wettekst biedt in dergelijk geval geen ruimte om hier vanaf te wijken. De gedragslijn van verweerder gaat dan ook niet op.
7. Verweerder heeft verder aangevoerd dat de vrijwillige verzekering niet met terugwerkende kracht beëindigd kan worden omdat zij gedurende de vrijwillige verzekering het risico draagt van de gevolgen van het intreden van arbeidsongeschiktheid of werkloosheid. De rechtbank volgt deze stelling niet nu [eiser 1] in dezelfde periode verplicht verzekerd was. Het is de rechtbank dan ook onduidelijk welk concreet risico verweerder in deze periode heeft gelopen. Eisers hebben nu ten onrechte voor hetzelfde risico twee keer premie afgedragen. Dat verweerder het betreurt dat eisers niet eerder om beëindiging van de vrijwillige verzekering hebben verzocht en verweerder hierdoor administratief meer werk heeft, maakt niet dat een interne gedragslijn een wettelijke bepaling terzijde kan schuiven. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder de vrijwillige verzekering met terugwerkende kracht tot 1 maart 2020 moeten beëindigen en tot premierestitutie moeten overgaan.
8. Eisers hebben in beroep een verzoek gedaan tot vergoeding van de wettelijke rente. Ter zitting is gebleken dat eisers hiermee primair de wettelijke handelsrente voor ogen hebben. De rechtbank is hier echter over van oordeel dat de door eisers gevorderde wettelijke handelsrente uit artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (BW) over de terug te betalen premies niet toewijsbaar is, omdat de vordering van eisers voortvloeit uit een onverschuldigde betaling en niet uit een handelsovereenkomst. De (gewone) wettelijke rente is wel toewijsbaar vanaf het moment waarop verweerder in verzuim is geraakt. Door eisers is niet gesteld dat verweerder bij ontvangst van de premiebetaling te kwader trouw is geweest. In dat geval volgt uit het bepaalde in artikel 6:205 BW dat verweerder in beginsel pas in verzuim is geraakt na ingebrekestelling. De rechtbank merkt het verzoek om beëindiging met terugwerkende kracht per 1 maart 2020 aan als ingebrekestelling en zal de wettelijke rente toewijzen met ingang van de dag waarop verweerder (positief) had moeten beslissen op dit verzoek. De rechtbank houdt daarbij rekening met de beslistermijn van zes weken en de door eisers genoemde betalingstermijn van zes weken. Dit komt neer op twaalf weken vanaf het verzoek van eisers. De wettelijke rente is daarmee verschuldigd vanaf 25 augustus 2023.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond. Verweerder heeft ten onrechte de vrijwillige verzekering niet met terugwerkende kracht tot 1 maart 2020 beëindigd. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak.
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eisers vergoeden. Eisers hebben in deze procedure eenmaal € 51,- griffierecht betaald. Ook krijgen eisers een vergoeding voor hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Voor zover eisers hebben verzocht om – met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht – verweerder te veroordelen in de werkelijke proceskosten, overweegt de rechtbank als volgt. Uitgangspunt van het Besluit proceskosten bestuursrecht is dat een forfaitaire vergoeding wordt toegekend. In artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht is neergelegd dat hiervan in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat eisers door de werkwijze en besluitvorming van verweerder gedwongen werden tot het inroepen van rechtshulp waar een meer dan normale tijdsbesteding mee was gemoeid. Nu geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, bestaat voor toekenning van een andere dan de forfaitaire proceskostenvergoeding geen grond.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.S. van Limburg Stirum, voorzitter, en mr. L.Z. Achouak el Idrissi en mr. M.W. Speksnijder, leden, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2024.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.