[eiseres], uit Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. E. Tahitu),
en
de minister van Financiën, verweerder
(gemachtigden: mr. M.A. Balbi en [gemachtigde]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres door verweerder tot het overnemen van de private schulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
Met het besluit van 18 juli 2022 is de aanvraag afgewezen, omdat geen vordering (meer) openstaat. Met het bestreden besluit van 18 augustus 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek op die zitting geschorst. Hierna hebben beide partijen een reactie ingediend.
Het onderzoek is hervat op de zitting van 24 oktober 2024. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde [gemachtigde] van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten en vervolgens heropend om partijen in de gelegenheid te stellen schriftelijk nader te reageren. Verweerder en eiseres hebben respectievelijk op 12 en 13 november 2024 gereageerd. Partijen hebben daarbij laten weten geen behoefte te hebben aan een nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiseres is een erkende gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire. Op grond van de Wht komen gedupeerden in aanmerking voor betaling van hun private schulden en compensatie van de afgeloste private schulden als die voldoen aan de vereisten van de Wht.
3. Eiseres heeft verzocht om overname van haar schuld aan Santander Consumer Finance Benelux B.V. (Santander) van € 28.050,10,- waarvan de maandelijkse automatische incassering van € 431,54 - na de pauzeknop - weer is hervat en moet worden afbetaald. Verweerder heeft de schuld niet overgenomen, omdat de schuld niet voor 1 juni 2021 opeisbaar was als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, onder b, van de Wht. Hierdoor wordt ook niet voldaan aan artikel 4.1, vierde lid, onderdeel b, van de Wht.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt de weigering van verweerder om de schuld van eiseres bij Santander over te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Het beroep is ongegrond en de rechtbank komt tot dit oordeel op basis van de volgende overwegingen.
Opeisbaar voor 21 juni 2021
5. Eiseres heeft aangevoerd dat haar schuld bij Santander in aanmerking komt voor overname omdat de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar was.
6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat opeisingen van betalingsachterstanden hebben plaatsgevonden. Uitsluitend opgeëiste hoofdsommen van leningen binnen de periode, zoals benoemd in de Wht, worden vergoed, met name om te voorkomen dat de ouder in verdere problemen komt doordat de schuldeiser alsnog (incasso)maatregelen neemt voor de opeisbare hoofdsom.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Uit de aanwezige stukken in het dossier valt op te maken dat eiseres steeds heeft voldaan aan haar maandelijkse aflossing van de schuld. De rechtbank heeft eiseres twee maal in de gelegenheid gesteld om te bewijzen, al dan niet met ingebrekestellingen dan wel sommeringen door Santander, dat sprake was van betalingsachterstanden voor 1 juni 2021 en de schuld bij Santander daarom opeisbaar was. Hierin is eiseres evenwel niet geslaagd. In de door eiseres ingebrachte brief van 24 juni 2021 waarin verweerder eiseres heeft geïnformeerd over de mogelijkheid van een pauzeknop voor schulden voor 12 februari 2021, die geldt voor 1 jaar vanaf 4 mei 2021, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te concluderen. Hiermee staat nog niet vast dat sprake is geweest van betalingsachterstanden.
Hardheidsclausule
8. Artikel 9.1 van de Wht bepaalt dat van artikel 4.1 kan worden afgeweken voor zover toepassing zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Daarvan is sprake als bijzondere omstandigheden tot een schrijnende situatie leiden. Deze bepaling beschermt het belang van gedupeerde ouders bij een kans op een nieuwe start, waarbij de ontvangen compensatie zoveel mogelijk moet worden ontzien. Het is echter niet het doel van de regeling geweest ouders volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen.
9. In de desgevraagd gegeven toelichting op de zitting van 11 juni 2024 over de huidige situatie waarin eiseres zich bevindt, heeft de rechtbank reden gezien om de burgerlijke lus toe te passen en eiseres in de gelegenheid te stellen om te onderbouwen met stukken of de hardheidsclausule moet worden toegepast. Hierna heeft de rechtbank het persoonlijk verhaal, inclusief de huidige financiële situatie, van eiseres in de kinderopvangtoeslagaffaire ontvangen.
10. Verweerder heeft hierin evenwel geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen.
Daarvoor is volgens verweerder redengevend dat in het onderhavig geval, waarbij sprake is van het niet overnemen van een hoofdsom, de Wht daar expliciet in heeft voorzien, en er geen sprake is van daadwerkelijk bijzondere omstandigheden op grond waarvan onverkorte toepassing van de regels in de Wht onevenredig nadeel voor eiseres zou opleveren. Uit de door eiseres in haar persoonlijk verhaal benoemde omstandigheden heeft verweerder berekend dat eiseres, na betaling van de maandelijkse aflossing aan Santander, € 359,- aan maandelijkse bestedingsruimte heeft met de kanttekening dat er bepaalde maandelijkse lasten dan wel uitgaven van tijdelijke aard zijn, zoals de termijnbetalingen aan de Belastingdienst, gemeentelijke belastingen, terugbetalingen aan het Waternet en de terugvordering(en) over de toeslagen over het jaar 2023. Verder is er ook geen rekening gehouden met de ontvangen zorgtoeslag, die eiseres maandelijks wordt bijgeschreven. De maandelijkse aflossing bij de Santander bedraagt € 431,- en dit betekent volgens verweerder dat er (voldoende) financiële ruimte is om aan de maandelijkse verplichting te voldoen.
11. Op de zitting van 24 oktober 2024 heeft de rechtbank partijen gewezen op de uitspraak van de rechtbank Noord Nederland waarin, zakelijk weergegeven, is geoordeeld dat de rol van een overheidsorgaan als veroorzaker van een probleem voor de burger betrokken dient te worden bij de beoordeling of er redenen zijn af te wijken van strikte toepassing van de wet. .
12. Verweerder heeft zich schriftelijke uitgelaten over deze uitspraak en de achterliggende uitspraak van 18 april 2024 van de Centrale Raad van Beroep (de Raad). Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het gaat om (a) een ander rechtsgebied en andere bevoegdheden; (b) terugvordering en de rol van de instantie die terugvordert; (c) een andere context en (d) dat hardheidsclausule een ander rechtsfiguur is.
13. De rechtbank komt na bestudering van de genoemde uitspraak en het commentaar van verweerder op deze uitspraak tot een andere conclusie dan verweerder. Dat het om een ander rechtsgebied gaat, een andere bevoegdheid en een andere instantie, is op zich juist, maar dat is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant. Het gaat in de uitspraak van de rechtbank Noord Nederland immers om analoge toepassing. Analoge toepassing impliceert al dat de onderliggende casussen niet identiek zijn. Waar het in de kern om gaat is het uitgangspunt dat een overheid die zelf (ernstige) fouten heeft gemaakt zich niet al te rigide moet opstellen als het gaat om beperking van de aangerichte schade die het gevolg is van die (ernstige) fout. Dit uitgangspunt is toepasbaar op verschillende rechtsgebieden, verschillende bevoegdheden en verschillende instanties. Of het nu om een terugvordering gaat (belastend besluit) of overname van een schuld (besluit op aanvraag); het gaat om de vraag in hoeverre in het kader van een beroep op de evenredigheid van een besluit er gegronde redenen zijn om af te wijken van een wettelijke verplichting als het besluit op basis van die wet onevenredig uitpakt voor de gedupeerde burger. Het enkele feit dat een bestuursorgaan zelf (mede) veroorzaker is van een situatie waarin een burger terecht is gekomen hoeft nog niet te betekenen dat een beroep op het evenredigheidsbeginsel zonder meer dient te worden gehonoreerd. Het is wel een element dat in het geheel van feiten en omstandigheden een rol speelt bij de beoordeling door de rechtbank.
14. De rechtbank is van oordeel dat bij een beroep op de hardheidsclausule beoordeeld dient te worden of toepassing van de wet leidt tot een situatie waarbij er geen sprake is van het kunnen maken van een nieuwe start. Dit laatste is immers het beoogde doel van de wetgever. Naar het oordeel van de rechtbank dient een beroep op de hardheidsclausule niet al te strikt te worden getoetst. Niet alle verzoeken tot toepassing van de hardheidsclausule zullen echter voor toewijzing in aanmerking komen. Eiseres heeft desgevraagd haar persoonlijke situatie beschreven, waaronder de financiële situatie. Deze is zeker niet optimaal en het is aannemelijk. Op basis van de ingebrachte stukken kan echter niet gezegd worden dat er sprake is van een zodanig schrijnende situatie dat het niet overnemen van de private schuld door verweerder in de weg staat aan een nieuwe start voor eiseres. De rechtbank is zich er van bewust dat dit oordeel een bittere pil is voor eiseres en eiseres is helaas niet de enige die in deze situatie verkeert. De rechtbank herhaalt daarom nogmaals de oproep aan de wetgever en verweerder om op korte termijn alsnog wel te zorgen voor daadwerkelijke en snellere compensatie van de volledige schade die gedupeerden hebben geleden door het toeslagenschandaal.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. van de Water, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.S. Soylu, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2024.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.