RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-338359-24
Datum uitspraak: 24 december 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 29 oktober 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 oktober 2023 door Prosecutor’s Office at the Appeal Court of Larissa, Griekenland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1995 te Pakistan,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in [J.C.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 december 2024 in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat in Alkmaar, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Pakistaanse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een Arrest Warrant van the Investigating Magistrate of the Second Department of the First Instance Court of Larissa van 4 oktober 2022 (met kenmerk no. 11/2022).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Grieks recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
4. Ontvankelijkheid van de officier van justitie
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering niet kan worden toegestaan nu het EAB door een officier van justitie is uitgevaardigd en daarom niet geldig is. De Griekse officier van justitie kan niet als een rechterlijke autoriteit worden aangemerkt. Slechts het aan het EAB ten grondslag liggende nationale arrestatiebevel (hierna: NAB) is door een rechter uitgevaardigd. Het EAB had eveneens door een rechter getoetst moeten worden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitvaardiging van het EAB door een officier van justitie niet problematisch is, gelet op de uitspraak van de rechtbank in een vergelijkbare zaak van 16 november 2022. De van belang zijnde jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie is daarin meegenomen. Er is afdoende effectieve rechterlijke bescherming voor opgeëiste persoon.
Oordeel van de rechtbank
In lijn met haar uitspraak van 16 november 2022 oordeelt de rechtbank dat – in het licht van Europese jurisprudentie – de enkele omstandigheid dat het EAB niet door een rechter, maar door een officier van justitie is getoetst, niet in de weg staat aan de overlevering. De rechtbank stelt daarbij vast dat het NAB is uitgevaardigd door een (onderzoeks)rechter. Dit betekent dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vordering.
5. Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
moord en doodslag, zware mishandeling
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Griekenland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
6. Artikel 11 OLW; Griekse detentieomstandigheden
De rechtbank heeft in eerdere zaken geoordeeld dat, vanwege de algemene detentie-omstandigheden in Komotini, Thessaloniki en El Chemourek, waaronder met name de overbevolking in de gevangenissen, voor gedetineerden in die detentiecentra een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest).
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in de aanvullende informatie van 1 november 2024 laten weten dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden geplaatst in de detentie-instelling in Larissa. De rechtbank overweegt dat daarmee gegarandeerd wordt dat de opgeëiste persoon niet gedetineerd zal worden in één van de detentie-instellingen waarover door de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment in recente rapporten zorgen zijn geuit. De detentie-omstandigheden in de detentie-instelling in Larissa staan dan ook niet aan overlevering in de weg.
7. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
9. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Prosecutor’s Office at the Appeal Court of Larissa voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. J.B. Oreel en B.M. Vroom-Cramer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp en L.E. Poel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 december 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.