RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 10988963 \ EA VERZ 24-239
Beschikking van 17 juni 2024
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
procederend in persoon,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GVB EXPLOITATIE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: GVB,
gemachtigde: mr. R. Jonkmans.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de e-mail van [verzoeker] van 11 maart 2024, die is aangemerkt als een verzoekschrift;
- de e-mail van [verzoeker] van 14 maart 2024;
- het verweerschrift van GVB met producties.
Op 27 mei 2024 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. [verzoeker] was daarbij aanwezig met zijn ex-partner [naam ex-partner] . Namens GVB waren [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.
Beschikking is bepaald op heden.
2. De feiten
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] , was sinds 2 augustus 1991 in dienst van GVB. Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van personenvervoerder Metro.
[verzoeker] is (deels) arbeidsongeschikt sinds 29 augustus 2015.
Op 15 december 2015 is [verzoeker] betrokken geweest bij een ongeval, waarbij de metro die [verzoeker] bestuurde stil stond en een andere metro achter op zijn metro reed. Toen heeft [verzoeker] zich volledig ziek gemeld.
Sindsdien is [verzoeker] onafgebroken arbeidsongeschikt. GVB heeft getracht [verzoeker] ander passend werk te laten verrichten, onder andere bij het serviceteam, als tramconducteur en in de loge van Garage Zuid. In de praktijk bleek dit steeds niet haalbaar en meldde [verzoeker] zich weer ziek.
GVB heeft verder getracht [verzoeker] te re-integreren in zijn eigen werk. Voor de uitvoering van zijn functie dient [verzoeker] een zogenoemde WLS-keuring te ondergaan. [verzoeker] is meerdere malen uitgenodigd voor een WLS-keuring, maar heeft de WLS-keuring niet gedaan.
In een rapportage van 27 september 2022 heeft arbeidsdeskundige [naam arbeidsdeskundige] (verder: de arbeidsdeskundige) geconcludeerd dat werkhervatting in het eigen werk niet mogelijk is, vanwege een onoplosbare overschrijding van de belastbaarheid van [verzoeker] ten aanzien van veelvuldige deadlines. Op 13 september 2023 heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat dit rapport nog steeds actueel was.
De bedrijfsarts van GVB heeft in een terugkoppeling van 14 juli 2023 geschreven dat geen onderbouwd realistisch re-integratieplan kan worden gegeven waarbij het aannemelijk is dat [verzoeker] binnen 26 weken het eigen werk (eventueel in aangepaste vorm) kan hervatten. De reden daarvan is volgens de bedrijfsarts de volledige arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] , de wisselende belastbaarheid de afgelopen periodes, ofwel het ontbreken van een stabiel herstellende tendens met een terugkerend patroon van opbouw en terugval.
Op 9 oktober 2023 heeft GVB een ontslagaanvraag vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid ingediend bij het UWV. [verzoeker] heeft verweer gevoerd tegen de ontslagaanvraag.
Het UWV heeft per brief van 29 november 2023 toestemming verleend aan GVB om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op te zeggen. GVB heeft de arbeidsovereenkomst bij brief van 4 december 2023 opgezegd, waarna het dienstverband per 13 januari 2024 is geëindigd.
3. Het verzoek en het verweer
[verzoeker] wil weer te werk gesteld worden in zijn eigen functie als metrobestuurder. Als dat niet kan wil [verzoeker] te werk gesteld worden bij de afdeling SVT en/of een conducteursfunctie of elke andere functie, met behoud van zijn salaris en opbouw. Als dit allemaal niet kan worden gehonoreerd, verzoekt [verzoeker] om een billijke vergoeding van drie bruto jaarsalarissen inclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering. [verzoeker] verzoekt verder GVB te veroordelen in de proceskosten.
GVB verzet zich tegen toewijzing van het verzoek op formele en inhoudelijke gronden.
De stellingen en verweren van partijen komen voor zover relevant bij de beoordeling aan de orde.
4. De beoordeling
Ontvankelijkheid [verzoeker]
In de eerste plaats heeft GVB aangevoerd dat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, omdat hij in zijn e-mails van 11 en 14 maart 2024 geen duidelijke omschrijving van zijn verzoek heeft gegeven en de gronden waarop het berust. Dit formele verweer van GVB wordt door de kantonrechter verworpen. Weliswaar is het verzoek van [verzoeker] op ongebruikelijke wijze opgesteld, maar uit de e-mails volgt voldoende wat [verzoeker] met het verzoek feitelijk en juridisch wil bereiken. In de e-mail van mr. Ouderdorp die [verzoeker] bij zijn eerste e-mail van 11 maart 2024 heeft overgelegd worden hem twee juridische opties voorgehouden die middels een procedure bereikt zouden kunnen worden: (i) herstel van de arbeidsovereenkomst en (ii) een billijke vergoeding. De advocaat bericht [verzoeker] dat hij het starten van een procedure naar zijn voorlopige oordeel niet kansrijk acht. [verzoeker] heeft op de mail gezet waarom hij het daar niet mee eens is en heeft deze procedure vervolgens aanhangig gemaakt. Daaruit kan voldoende worden opgemaakt dat [verzoeker] (één van) de hem gegeven juridische opties – herstel van de arbeidsovereenkomst, dan wel een billijke vergoeding – nastreeft. Uit het verweerschrift van GVB blijkt ook dat zij het verzoek van [verzoeker] als zodanig heeft opgevat, omdat zij hiertegen inhoudelijk verweer heeft gevoerd. Op de mondeling behandeling heeft [verzoeker] vervolgens toegelicht dat hij primair herstel van de arbeidsovereenkomst verzoekt en subsidiair een billijke vergoeding. Dat deze primair/subsidiair-rangorde pas zo laat in de procedure is aangebracht, heeft GVB niet in haar belangen geschaad, omdat zij tegen beide verzoeken adequaat verweer heeft kunnen voeren. De kantonrechter zal de verzoeken van [verzoeker] daarom inhoudelijk beoordelen.
Inhoudelijke beoordeling
Herstel van de arbeidsovereenkomst
Het gaat in deze zaak in de eerste plaats om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden hersteld.
Uit artikel 7:682 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst is opgezegd met de toestemming van het UWV, de werkgever kan veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen indien de opzegging in strijd is met artikel 7:669, lid 3, onderdeel a of b, BW.
GVB heeft bij het UWV ontslag aangevraagd en na verkregen toestemming de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] opgezegd, omdat hij vanwege arbeidsongeschiktheid niet in staat was de bedongen arbeid te verrichten (de grond van artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder b BW, verder aan te duiden als de b-grond). [verzoeker] is het hier niet mee eens en vindt -zo begrijpt de kantonrechter- dat hij wel weer als metrobestuurder kan werken. [verzoeker] heeft dit standpunt echter op geen enkele wijze onderbouwd. [verzoeker] is feitelijk al 8 jaar niet in staat gebleken zijn eigen werk als metrobestuurder te doen, ook niet in aangepaste vorm. Zowel uit de arbeidsdeskundige rapportage, als de terugkoppeling van de bedrijfsarts die GVB heeft overgelegd (zie onder rov 2.6 en 2.7) blijkt dat geen van beiden werkhervatting in (aangepast) eigen werk binnen een redelijke termijn nog als mogelijkheid zien. Daarmee staat voor de kantonrechter voldoende vast dat [verzoeker] niet langer in staat is de bedongen arbeid als metrobestuurder te verrichten, zodat GVB de ontslagaanvraag terecht op de b-grond heeft gebaseerd.
Uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat bovenop de eisen van de b-grond, ook nog de eis geldt dat herplaatsing van de werknemer in een andere passende functie, al dan niet met behulp van scholing, niet mogelijk is binnen een redelijke termijn, dan wel dat een dergelijke herplaatsing niet in de rede ligt. De in dit geval toepasselijke redelijke termijn bedraagt 26 weken (op grond van artikel 10 Ontslagregeling). Een andere passende functie is werk dat aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van de betrokken werknemer (artikel 9 lid 3 Ontslagregeling).
GVB heeft onder overlegging van stukken aangetoond dat werkhervatting in ander (aangepast) werk in principe niet mogelijk is. Als bijlage bij het arbeidsdeskundig onderzoek van 27 september 2022 is een lijst gevoegd waarbij per functie uitgebreid is toegelicht waarom die functie binnen het GBV voor [verzoeker] niet passend is. Alleen de functie van tramconducteur was mogelijk passend. GVB heeft toegelicht dat zij alles in gang heeft gezet om te onderzoeken of deze functie passend was voor [verzoeker] , maar [verzoeker] meldde zich binnen een paar dagen weer ziek. Uiteindelijk is door de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat deze functie niet als passend kon worden aangemerkt. [verzoeker] heeft in deze procedure ook overigens niet gemotiveerd gesteld welke functie binnen GVB volgens hem dan een passende functie voor hem is.
Gelet op het voorgaande is de opzegging ook in overeenstemming met artikel 7:669 lid 1 BW. De kantonrechter zal het verzoek van [verzoeker] om GVB te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen daarom afwijzen.
Billijke vergoeding
Ten aanzien van het subsidiaire verzoek om een billijke vergoeding toe te kennen wordt als volgt overwogen. Uit artikel 7:682 lid 1, onderdeel b, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst is opgezegd met de toestemming van het UWV, aan die werknemer een billijke vergoeding kan toekennen, indien een opzegging wegens omstandigheden als bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel b, BW het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd of als een werknemer arbeidsongeschikt is geworden (en uiteindelijk wordt ontslagen) als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. Dat GVB haar re-integratie verplichtingen heeft veronachtzaamd, is door haar uitdrukkelijk betwist en met de voorliggende stukken niet vast komen te staan. Niet gesteld of gebleken is dat GVB adviezen niet heeft opgevolgd. De deels onterechte loonstop en de schorsing van [verzoeker] zijn niet dermate ernstig dat de gang van zaken daaromtrent tot toekenning van een billijke vergoeding moet leiden. De verzochte billijke vergoeding zal dan ook worden afgewezen.
Proceskosten
Omdat [verzoeker] in het ongelijk is gesteld, zal hij worden veroordeeld in de proceskosten. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van GVB vast op € 543,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 68,00 nakosten. Dit is totaal € 611,00.
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst het verzoek af;
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van GVB van € 611,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en deze beschikking daarna wordt betekend, dan moet [verzoeker] ook de wettelijke/Btag kosten van betekening betalen;
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
Deze beschikking is gegeven door mr. J.P.C. van Dam van Isselt, kantonrechter, bijgestaan door mr. K.J. Verschueren, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2024.