ECLI:NL:RBAMS:2024:8950

ECLI:NL:RBAMS:2024:8950, Rechtbank Amsterdam, 05-06-2024, C/13/715999 / HA ZA 22-293

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 05-06-2024
Datum publicatie 30-12-2025
Zaaknummer C/13/715999 / HA ZA 22-293
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

tussenvonnis inzake eindafrekening voortijdig beeindigde aanneemovereenkomst Galaxy Tower in Utrecht

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/715999 / HA ZA 22-293

Vonnis van 5 juni 2024

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BALLAST NEDAM BOUW & ONTWIKKELING SPECIALE PROJECTEN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

eiseres in het incident,

advocaat mr. A. Moret te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE LELIE VASTGOED B.V.,

gevestigd te Bussum,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

verweerster in het incident,

advocaat mr. F.G. Horsting te Amsterdam.

Partijen zullen hierna BN en DLV worden genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 mei 2023, met de daarin genoemde processtukken,

- de conclusie na tussenvonnis tevens houdende eiswijziging, incidentele vordering ex artikel 223 Rv van BN van 19 juli 2023,

- het tussenvonnis van 3 januari 2024, met de daarin genoemde processtukken, waarin een deskundige is benoemd,

- het tussenvonnis in het incident van 24 januari 2024, met de daarin genoemde processtukken,

- het proces-verbaal van de op 29 februari 2024 gehouden mondelinge behandeling, met de daarin genoemde processtukken,

- de akte van 14 maart 2024 met producties 179 t/m 202 van BN,

- de (herziene) akte uitlating producties van 3 april 2024 met productie 154 van DLV,

- de akte uitlating productie van BN van 17 april 2024, met de daarbij gevoegde producties,

- de akte van DLV van 1 mei 2024.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

In de hoofdzaak

In conventie

In de hoofdzaak is de rechtbank in afwachting van de antwoorden van de deskundige op de in het tussenvonnis van 3 januari 2024 aan hem voorgelegde vragen. In verband daarmee zal in dit tussenvonnis in de hoofdzaak, voor zover mogelijk, alleen op de vordering van BN onder (i), de betaling door DLV van de eindafrekening, worden beslist.

De eindafrekening

BN vordert, na wijziging eis, DLV te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 20.771.113,65 (hierna: de eindafrekening),

In de op 14 september 2018 door partijen gesloten aannemingsovereenkomst is in artikel 2 de Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012) van toepassing verklaard. In de onderhavige zaak is sprake van beëindiging in onvoltooide staat en dient de eindafrekening tussen partijen plaats te vinden conform het bepaalde in paragraaf 14, tiende lid, UAV 2012. Daarin staat het volgende:

De aannemer heeft alsdan recht op de aannemingssom, vermeerderd met de kosten die hij als gevolg van de niet voltooiing heeft moeten maken en verminderd met de hem door de beëindiging bespaarde kosten. Aanspraken van de aannemer en de opdrachtgever op hetgeen overigens ter zake van de overeenkomst verschuldigd is blijven onverlet.

Uitgangspunt bij de beoordeling van de eindafrekening aan de hand van § 14, tiende lid, UAV 2012 is dat de aanneemsom € 71.150.000,- bedraagt en dat tussen partijen niet in geschil is dat DLV van de aanneemsom reeds een bedrag van € 51.344.182,- heeft betaald. Van de aanneemsom staat daarmee in beginsel dus nog een bedrag van € 19.805.818,- open. Hierna worden eerst de kosten doorgenomen die nog bij de aanneemsom opgeteld moeten worden (de posten onder 3, 4 en 5), daarna de bespaarde kosten die in mindering strekken op de aanneemsom (de posten onder 6 t/m 10).

3. Overeengekomen meer- en minderwerk en stelposten

BN vordert dat bij de aanneemsom moet worden opgeteld het tot en met 17 februari 2023 overeengekomen meer- en minderwerk en de op dat moment goedgekeurde stelposten. Op BN rust de stelplicht en de bewijslast van het bestaan en de omvang van het overeengekomen meer- en minderwerk en de overeengekomen stelposten. Het gaat hier uitdrukkelijk nog niet om de beoordeling van de vraag of de overeengekomen werkzaamheden daadwerkelijk (goed) zijn verricht en in hoeverre dit leidt tot het in mindering brengen van bedragen op de aanneemsom. Dat komt hierna onder 7.1 en verder aan de orde.

BN stelt zich op het standpunt dat het meerwerk in totaal € 9.919.714,- bedraagt. Dit bedrag is een optelling van een aantal posten en is als volgt opgebouwd (productie E-104):

- bestekwijzigingen (MM-001 t/m MM-263) van € 5.953.762,-

- bouwkundige voorzieningen (BV-001 t/m BV-167) van € 1.903.851,-

- stelposten (SP-01 t/m SP-35) van € 2.062.101,-

Bestekwijzigingen

In deze door BN opgevoerde lijst met posten is ook het overeengekomen minderwerk opgenomen en de vervallen stelposten, zoals de hotelkamers van € 2.000.000,- (MM-084a). BN komt tot een totaalbedrag van € 5.953.762,-. DLV komt in haar eigen lijst (productie G-84) tot een totaalbedrag van € 5.378.425,-. Het verschil is € 575.337,- De verschillen zitten met name in de premie CAR-verzekering (MM-005a) en de Coördinatievergoeding (MM-006a).

MM-005a premie CAR-verzekering € 191.967,-

BN heeft aangevoerd dat de bouwdirectie BNN namens DLV op 12 december 2022 schriftelijk akkoord is gegaan met deze aanvullende verzekering. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft BN gewezen op de betreffende opmerking van de bouwdirectie in productie 148. DLV betwist dat zij dit meerwerk heeft geaccordeerd. Zij wijst erop dat het ging om een aanvullende verzekering voor meerwerk van Homij en Schindler en andere derden, maar dat er discussie is over de vraag wie verantwoordelijk is voor de uitloop van het project, en dus voor deze extra kosten. Die vraag zal de rechtbank beantwoorden in het kader van de vertragingsschade nadat de deskundige heeft gerapporteerd en de partijen zich daarover hebben kunnen uitlaten.

Daarnaast hebben partijen discussie over de vraag in hoeverre deze kosten als besparing moeten worden opgenomen omdat de kosten door de vroegtijdige beëindiging niet zijn gemaakt. De beantwoording van die vraag komt later aan de orde (bij onderdeel 7: de besparing van het overeengekomen meer/minderwerk) en staat los van het wel of niet opdracht geven tot meerwerk. Gezien de onderbouwing van BN gaat de rechtbank ervan uit dat DLV wel opdracht heeft gegeven voor deze aanvullende CAR-verzekering, zodat het overeengekomen bedrag bij de aanneemsom zal worden opgeteld.

MM-005 Premie CAR-verzekering Homij en Schindler € 82.009,-

Over de hoogte van deze premie CAR-verzekering bestaat op zichzelf geen discussie. Wel over de vraag of er een besparing is in verband met het beëindigen van het werk. Die discussie komt hierna – bij de besparing van het overeengekomen meer/minderwerk (zie hierna onder 7) – aan de orde.

MM-006a Coördinatievergoeding € 280.395,-

BN heeft een post opgenomen van € 280.395,-. In de optelling van DLV heeft zij deze post voor slechts € 30.076,- opgenomen en verder buiten de overeengekomen bestekwijzigingen gehouden, maar dat is naar het oordeel van de rechtbank onjuist. DLV betwist namelijk niet dat zij hiertoe opdracht heeft gegeven, maar zij stelt dat hier sprake is van een besparing omdat het werk voortijdig is beëindigd. Of dat zo is, wordt hierna – bij de besparingen – beoordeeld. Het bedrag van € 280.395,- wordt in de systematiek wel meegenomen bij het overeengekomen meerwerk en DLV wordt geacht ook met het verschil (€ 280.395,- min € 30.076,- is € 250.319,-) akkoord te zijn gegaan.

Andere verschillen van in totaal € 133.051,-

Dan resteert nog een verschil van in totaal € 133.051,- (oorspronkelijke verschil van € 575.337,- min € 191.967,- en min € 250.319,-). Dit verschil is grotendeels terug te voeren op de andere invalshoek die partijen hebben gekozen. BN heeft in haar overzicht (productie E-104) een opsomming gegeven van het uitdrukkelijk overeengekomen meer- en minderwerk en daarnaast een vergoeding gevraagd voor meer- en minderwerk waarover nog geen (schriftelijke) overeenstemming bestond op 17 februari 2023. DLV heeft ervoor gekozen om deze posten (wel en geen overeenstemming) in hetzelfde document op te nemen (productie G-84). De rechtbank volgt hier de indeling van BN en zal het meer- en minderwerk waarover nog geen (schriftelijke) overeenstemming bestond op 17 februari 2023 verderop in dit vonnis onder 4 bespreken.

Conclusie bestekwijzigingen

De slotsom is dat bij de aanneemsom € 5.953.762,- aan uitdrukkelijk overeengekomen bestekwijzigingen moet worden opgeteld.

Bouwkundige voorzieningen

BN komt tot een totaal van € 1.903.851,-. DLV komt in haar eigen lijst (productie G-84) tot een totaalbedrag van € 1.910.247,-. Een deel van de verschillen wordt verklaard doordat BN drie posten claimt (BV118a, BV166 en BV 167 van in totaal € 27.868,- en € 31.094,- inclusief opslagen) die door DLV niet worden erkend als opgedragen bouwkundige voorzieningen. Een ander deel van de verschillen wordt verklaard doordat DLV ook bedragen heeft opgenomen die volgens haar door BN in rekening zijn gebracht, wat niet het geval is (bijvoorbeeld BV168 en BV172). Tot slot worden de verschillen verklaard doordat BN bedragen heeft vermeerderd met opslagen voor algemene kosten, winst en risico, wat door DLV buiten beschouwing is gelaten. Zo gaat DLV bijvoorbeeld uit van een bedrag van € 560,- voor ‘aarding fundatiepalen’ (BV001) en berekent BN deze post voor € 625,- door aan DLV.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de systematiek van BN moet worden gevolgd, en dat de bedragen vermeerderd moeten worden met algemene kosten, winst en risico. In deze categorie gaat het namelijk om het vaststellen van de overeengekomen aanneemsom, inclusief dit soort kosten. Of deze kosten uiteindelijk betaald moeten worden komt verderop in dit vonnis nog apart aan de orde.

Op BN rust de stelplicht en de bewijslast van het bestaan en de omvang van de overeengekomen bouwkundige voorzieningen. Gezien de betwisting door DLV zal de rechtbank de drie door DLV betwiste posten van in totaal € 31.094,- (inclusief opslagen) in mindering brengen op de categorie overeengekomen bouwkundige voorzieningen. Al met al leidt dit tot de conclusie dat € 1.872.757,- (€ 1.903.851,- min € 31.094,-) als overeengekomen bouwkundige voorzieningen wordt opgenomen.

Stelposten

Over dit bedrag aan stelposten zijn partijen het eens, zodat de aanneemsom vermeerderd moet worden met € 2.062.101,-.

Conclusie overeengekomen meer-/minderwerk / stelposten

In totaal zal € 9.888.620,- bij de overeengekomen aanneemsom worden opgeteld. Dit bedrag is opgebouwd uit de volgende posten:

- bestekwijzigingen € 5.953.762,-

- bouwkundige voorzieningen € 1.872.757,-

- stelposten € 2.062.101,-

4. Lopend meer- en minderwerk

In haar eindafrekening vraagt BN in aanvulling op het overeengekomen meer- en minderwerk, een vergoeding voor bouwkundige voorzieningen en bestekwijzigingen waar geen (schriftelijke) overeenstemming over bestaat. Per 17 februari 2023 gaat het om een totaalbedrag van € 1.455.923,-. Ook dit onderwerp betreft het bestaan en de omvang van meer- en minderwerk waarbij op BN de stelplicht en de bewijslast rust.

BN geeft in haar productie 108 een overzicht van de relevante posten. Dat overzicht wordt hierna weergegeven en per post besproken.

Bestekwijzigingen

MM‐111.d

Hulpstaal 15e Verdieping

Pending

€ 26.775

MM‐111.e

Resterende Hulpstaal Werkzaamheden

Pending

€ 12.634

MM‐116.a

Wijzigingen Hang‐ en Sluitwerk [bedrijf 2] Deuren 3 t/m 30

Pending

€ 35.942

MM‐135

Wijzigingen TR‐05/TR‐06 UO t.o.v. TO

Pending

€ 94.469

MM‐144

Afprijzen van Brandwerende Gevel Kozijnen

Pending

€ 26.286

MM‐166

Wijzigingen Gevels BGG t/m 2e Verdieping

Pending

€ 207.109

MM‐179

Voorstel Openstaande MM‐061.a / MM‐077 / MM‐086

Pending

€ 70.248

MM‐205.a

Herstelwerkzaamheden Beton Daloc Voordeuren

Pending

€ 57.679

MM‐239.d

Gipsplaten ter Preventie Tegeldilataties

Pending

€ 16.108

MM‐240

Noodcilinders

Pending

€ 50.051

MM‐249

Laagwatertoeslag Beton

Pending

€ 15.799

Totaal Meer en Minder Werken

€ 613.100

Ten aanzien van de posten MM-116a, MM-135, MM-205.a en MM-239.d heeft DLV geen verweer gevoerd, zodat deze posten als onbetwist voor een totaal bedrag van € 204.198,- zullen worden toegewezen.

MM-111d t/m MM239d, aanpassingen van het TO door DLV

BN stelt dat deze bestekwijzigingen het gevolg zijn van aanpassingen van het Technisch Ontwerp (TO) in de nadien door DLV aangeleverde tekeningen en berekeningen, het Uitvoeringsgereed ontwerp (UO). Op grond van de aanneemovereenkomst dient DLV in te staan voor de juistheid van deze documenten. Afwijkingen in het UO zijn in feite een opdracht tot het uitvoeren van een bestekwijziging en dienen door DLV vergoed te worden. BN heeft DLV hierover steeds geïnformeerd, maar besluitvorming door DLV over een geconstateerde wijziging duurde steeds zodanig lang dat BN genoodzaakt was het werk in gewijzigde vorm uit te voeren teneinde nodeloze vertraging te voorkomen, aldus BN.

DLV heeft ten aanzien van een aantal posten verweer gevoerd.

MM-111.d en MM-111.e, hulpstaal

DLV betwist deze posten en voert het volgende aan. Ze zijn terecht door de bouwdirectie van DLV afgewezen. Afhandeling van het geschil loopt nog, op vragen van DLV is geen antwoord gegeven en aan de werkzaamheden is grotendeels geen uitvoering gegeven.

BN heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat deze posten (in totaal € 39.409,-) niet in de eindafrekening worden betrokken.

MM-144, Franse balkons/brandwerende kozijnen

Volgens DLV ziet deze post van € 26.286,- op een door BN voorgestelde aanpassing van een aantal draai-kiepkozijnen waar in het bestek zogenaamde Franse balkons zijn voorgeschreven. In een zeer laat stadium, december 2020, kwam BN tot de ontdekking dat er een probleem was met de brandveiligheid. Met een beroep op artikel 6 lid 2 van de Aanneemovereenkomst voert DLV aan dat zij niet gehouden is de kosten die gepaard gaan met het herstel van het geconstateerde gebrek, te betalen. BN had het gebrek veel eerder kunnen en moeten constateren en heeft haar waarschuwingsplicht geschonden.

BN heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat deze post niet in de eindafrekening wordt betrokken.

MM-166, wijziging gevels BGG t/m 2e verdieping

DLV betwist verschuldigdheid van post MM-166 van € 207.109,-. Het werk ziet op de vliesgevel van de begane grond t/m de tweede verdieping. Volgens DLV wijken de werkzaamheden maar in beperkte mate af van het ontwerp en zij onderbouwt dit met een rapport van [naam 1] , technisch adviseur van DLV. BN brengt veel te hoge kosten in rekening, gaat uit van een veel groter oppervlak en brengt vervallen materialen ten onrechte niet in mindering. De waarde van de meerwerkopdracht bedraagt hooguit € 45.000,-, aldus DLV.

BN heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat deze post voor een bedrag van € 45.000,- in de eindafrekening wordt betrokken.

MM-179

BN heeft op 23 november 2021 een meerwerkofferte uitgebracht. DLV betwist deze post omdat het gaat om drie door de bouwdirectie afgewezen meerwerkopdrachten. BN heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat deze post van € 70.248,- niet in de eindafrekening wordt betrokken.

MM-240 Noodcilinders

BN stelt dat de besluitvorming door DLV over het sluitplan van de deuren zodanig veel tijd in beslag nam dat BN genoodzaakt was noodcilinders aan te brengen zodat de appartementen en hotelkamers konden worden afgesloten om schade aan gereed werk te voorkomen. Zij heeft daartoe een offerte aan DLV uitgebracht op 9 juni 2022.

DLV voert aan dat haar bouwdirectie tijdig heeft gezorgd voor de levering van de noodzakelijke cilinders, zodat noodcilinders niet nodig waren. DLV heeft BN op 19 juli 2022 geïnformeerd dat zij niet akkoord ging met de offerte van BN. Desondanks heeft BN de bestelling voor noodcilinders niet afbesteld. BN heeft het verweer van DLV niet verder bestreden, zodat deze post van € 50.051,- niet in de eindafrekening wordt betrokken omdat deze, gezien het verweer, onvoldoende is onderbouwd.

MM-249 Laagwatertoeslag beton

BN stelt dat als gevolg van langdurige laagwaterstanden er minder grondstoffen per schip konden worden aangeleverd als gevolg waarvan de leverancier de extra kosten heeft doorbelast aan BN. Ingevolge paragraaf 47 UAV 2012 is BN gerechtigd deze kosten door te belasten aan DLV, hetgeen zij heeft gedaan bij meerwerkofferte van 28 juni 2022.

DLV betwist niet dat een laagwatertoeslag verschuldigd zou kunnen zijn, maar betwist dat er daadwerkelijk sprake is geweest van droogte en laagwaterstanden en voert aan dat zij vergeefs om onderbouwing van de betreffende post heeft gevraagd door overlegging van een factuur van de betonleverancier. De meerwerkofferte is pas achteraf, een klein jaar nadat het beton was gestort, ingediend.

BN heeft het verweer van DLV niet verder bestreden, zodat deze post van € 15.799,- niet in de eindafrekening wordt betrokken omdat deze gezien het verweer, onvoldoende is onderbouwd.

Bouwkundige voorzieningen

BV‐115.a

Aftekenen Gibo Binnenwanden exclusief Deuropeningen & Keukens

Verbally Approved

€ 22.989

BV‐117.b

Gebruik Bouwlift in Week 15/2021 t/m Week 52/2021 voor Homij

Pending

€ 15.347

BV‐118.b

Homij Verbruikskosten t/m week 40‐2022 (resterende/lopende discussie)

Pending

€ 23.421

BV‐122.b

Meet‐ en Herstelwerkzaamheden Betonvloeren 9e t/m 30e Verdieping

Pending

€ 228.887

BV‐127

Internal Transport Rolcontainers & Housekeeping Derden

Pending

€ 129.564

BV‐146

Diverse Boorformulieren BN‐154 / 159 / 163 + [ H‐137 t/m H‐148 (behalve H‐138 & 143) ]

Verbally Approved

€ 17.057

BV‐147

Gebruik Torenkraan & Bouwlift in Week 1/2022 t/m Week 26/2022 voor Derden

Pending

€ 19.557

BV‐147.a

Gebruik Torenkraan & Bouwlift in Week 26/2022 t/m Week 52/2022 voor Derden

Pending

€ 15.592

BV‐168

Productie Firejob Week 45 / 2022 tm week 48 / 2022

Pending

€ 21.384

BV‐170

Diverse Boorformulieren

Pending

€ 28.069

BV‐172

Productie Firejob Week 49 / 2022 tm week 52 / 2022

Pending

€ 7.952

BV‐173

Kosten Bouwwarmte

Pending

€ 287.475

BV‐174

Homij Verbruikskosten week 41 t/m week 52‐2022 (electra)

Pending

€ 16.741

BV‐176

Beschadingen en Nalopende Elektra ‐ Reparaties & Teruglopende Gibowanden

Pending

€ 8.786

Totaal Bouwkundige Voorzieningen

€ 842.823

BV-117.b, BV-118b, BV-127, BV-147, BV-147.a en BV-174, gebruik door nevenaannemers van bouwkundige voorzieningen

Deze posten zien op gebruik door nevenaannemers van bouwkundige voorzieningen. BN stelt dat ingevolge het bestek de nevenaannemers de bouwkundige voorzieningen van BN kunnen gebruiken en dat BN gerechtigd is deze kosten door te belasten. BN heeft dit gedaan en DLV heeft de kosten steeds betaald. BN stelt dat het onduidelijk is waarom DLV deze kosten nu niet meer wenst te vergoeden.

DLV voert ten aanzien van een aantal posten verweer.

BV-117.b, BV-147 en BV-147.a, gebruik bouwliften

Volgens DLV is het standpunt van BN onjuist. In het bestek onder 05.00.23.94 is bepaald dat de aanwezige bouwliften kosteloos door de nevenaannemers mogen worden gebruikt.

BN heeft het verweer van DLV dat het bestek voorziet in het kosteloos gebruik van bouwliften door de nevenaannemers niet weersproken, zodat dit onderdeel van de vordering wordt afgewezen.

BV-118.b, verbruikskosten nevenaannemers

Volgens DLV is deze post niet verschuldigd omdat verbruikskosten van Homij voor ICT-begeleiding, materieeldienst en afvalcontainers krachtens de aanneemovereenkomst niet voor verrekening in aanmerking komen. DLV betwist dat de kosten zijn gemaakt en voor zover zij zien op de ICT-begeleiding vallen ze onder de coördinatieovereenkomst.

Ook hier geldt dat BN het verweer van DLV dat deze kosten op grond van de aanneemovereenkomst voor rekening van BN komen, niet heeft weersproken, zodat deze zullen afgewezen.

BV-127, kosten opruimwerkzaamheden

DLV betwist deze kosten. Op grond van het bestek (05.32.30-a) coördineert BN het gebruik van afvalcontainers ook ten behoeve van derden en moet zij de kosten met de derden verrekenen.

Dat het bestek een dergelijke regeling bevat is door BN niet weersproken, zodat deze post wordt afgewezen.

BV-174, elektriciteit voor de bouwkeet van Homij

DLV betwist de gevorderde kosten. Het aanbod is niet door DLV geaccordeerd en de kosten zijn veel te hoog. Het had op de weg van BN gelegen om de meterstanden van de keten over te leggen. DLV acht gebruik voor € 576,- redelijk.

DLV erkent dat zij in een bedrag verschuldigd is voor elektriciteit ten behoeve van de bouwkeet van BN. BN begroot dit bedrag op € 16.741,-, maar onderbouwt dit verder niet. Andersom onderbouwt ook DLV haar bedrag van € 576,- niet. Nu de rechtbank deze kosten niet kan vaststellen, worden ze geschat op € 3.000,-.

BV-115a, BV-146, BV-168, BV-170 en BV-172, voor nevenaannemers aangelegde bouwkundige voorzieningen

Deze posten betreffen bouwkundige voorzieningen die BN heeft aangelegd ten behoeve van nevenaannemers. BN stelt dat de kosten voor rekening van DLV komen en dat DLV deze kosten in het verleden ook altijd heeft betaald. Het is voor BN niet duidelijk waarom voornoemde posten onbetaald zijn gebleven.

DLV betwist alleen de post BV-170 (diverse boorformulieren, G-103) omdat onduidelijk is waar de post betrekking op heeft en een specificatie ontbreekt.

BN heeft haar vordering naar aanleiding van het verweer niet nader onderbouwd. Ook voor de rechtbank is onduidelijk waar de post op ziet, zodat deze wordt afgewezen. De overige posten van in totaal € 69.382,- (€ 22.989,- + € 17.057,- + € 21.384,- + € 7.952,-) worden toegewezen.

BV-122.b, herstel vloeren

BN stelt dat deze werkzaamheden (opgenomen voor een bedrag van € 228.887,-) zien op door onderaannemers gemaakte fouten in relatie tot de vloeren. Door fouten in ontwerp zijn leidingen gaan “drijven”. Het mankement is door constructeur [naam 2] op verzoek van BN onderzocht en aangetoond en gedeeld met DLV. BN heeft op 30 september 2022 een meerwerkaanbod gedaan.

DLV betwist enige verschuldigdheid op dit punt. Het gaat om de vloeren van de 10e verdieping t/m de 30e verdieping. Nadat het beton tot de 30e was gestort merkte BN op dat de wapening van de vloer te dicht aan het oppervlakte lag als gevolg van het opdrijven van de mantelbuizen van installaties. DLV heeft verschillende deskundigen naar de kwestie laten kijken. De uitkomst daarvan is dat het niet aannemelijk is dat opdrijvende mantelbuizen de oorzaak van het probleem zijn. DLV heeft aansprakelijkheid terecht van de hand gewezen. Bovendien is BN op grond van het bestek verantwoordelijk voor de verankering van de mantelbuizen.

DLV heeft voor € 39.000,- onderzoekskosten gemaakt die krachtens het bestek voor rekening van BN komen. DLV heeft dit bedrag in haar opstelling verrekend met het saldo voor de bouwkundige voorzieningen. Volgens BN ontbreekt hiervoor enige grondslag.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat er een probleem was met de vloeren en dat BN de kosten van herstel heeft gedragen. Wel in geschil is voor wiens rekening deze kosten komen. Die vraag kan niet worden beantwoord zonder de oorzaak van het probleem met voornoemde vloeren te kennen. De rechtbank zal daartoe een deskundige benoemen. De beslissing over de door DLV gestelde onderzoekskosten wordt aangehouden.

Nadere bepalingen over het te bevelen deskundigenonderzoek zijn te vinden in de rechtsoverwegingen 11.2 - 11.5.

BV-173, bouwwarmte

BN stelt dat als gevolg van vertraagde uitvoering door Homij van de aan te brengen vloerverwarming, het werk niet verwarmd kon worden. Om vorstschade te voorkomen heeft BN in de winter 2022/2023 tijdelijke voorzieningen moeten treffen. De kosten daarvan bedragen € 287.475,- en komen voor rekening van DLV.

DLV betwist de verschuldigdheid. Op basis van het bestek (00.02.06) komt levering van bouwwarmte voor rekening van BN. Daarbij komt dat DLV voor € 104.718,- aan rekeningen heeft betaald voor de afname van bouwwarmte omdat de overeenkomst voor stadsverwarming op naam van de uiteindelijke afnemers is gezet. Dit bedrag dient dan ook nog met BN verrekend te worden. Dit geldt ook voor het bedrag van € 22.144,- voor de elektra die DLV heeft betaald. Ook dit contract is weliswaar op naam van de uiteindelijke afnemers gezet, maar de kosten van de elektra moeten door BN gedragen worden.

Volgens BN blijkt niet dat deze kosten zijn voldaan en zij stelt dat de post deel uitmaakt van de kosten van de vertraging.

Op grond van het voorgaande constateert de rechtbank dat de door BN gemaakte kosten mogelijk verband houden met vertraging van de bouw. Daarom houdt de rechtbank een beslissing op dit punt aan totdat de rechtbank een vonnis zal wijzen over de gevorderde vertragingsschade. In de akte na deskundigenbericht kan DLV zich dan ook uitlaten over de door haar gestelde kosten die verrekend zouden moeten worden.

Conclusie lopend meer- en minderwerk

In totaal zal € 321.580,- aan lopend meer- en minderwerk bij de aanneemsom worden opgeteld. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

- € 249.198,- aan bestekwijzigingen,

- € 72.382,- aan bouwkundige voorzieningen.

5. Kosten als gevolg van de niet voltooiing van het werk

BN stelt als gevolg van de niet voltooiing van het werk en vanwege het door haar uitgeoefende retentierecht, kosten te hebben gemaakt die anders voor rekening van DLV zouden zijn gekomen. Hierna zal afzonderlijk op de door BN in dit verband gestelde kosten en het verweer van DLV daartegen worden ingegaan.

Bij de beoordeling wordt voorop gesteld dat op BN de stelplicht en de bewijslast rust dat zij schade heeft geleden en hoe omvangrijk die schade is. Ook als de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, maar alleen kan worden geschat, blijft die stelplicht- en bewijslastverdeling overeind staan.

Kosten van beveiliging en kosten van veilig stellen van het werk

BN stelt dat ter beveiliging van het werk en ter voorkoming van vorst- en waterschade in het werk een tijdelijk stroomvoorziening, noodverlichting, een hydrofoor en beveiligingscamera’s op het werk aanwezig dienen te blijven. Ook dient er steigerwerk aanwezig te blijven om het werk toegankelijk en veilig te houden. BN stelt dit materieel te huren zolang het retentierecht wordt uitgeoefend en dat die huurkosten (of de afkoop daarvan) voor rekening van DLV dienen te komen. Onder verwijzing naar haar productie E-110 stelt BN dat de kosten hiervan in totaal € 147.653,- bedragen.

DLV heeft het een deel van deze door BN gevorderde kosten betwist. Het gaat daarbij om de door BN gevorderde kosten voor de steigers, zijnde € 75.000,-, en de kosten voor de door BN gehuurde stroomvoorzieningen, zijnde € 30.000,-. DLV heeft in dat kader aangevoerd dat als gevolg van de beëindiging van het werk de steigers op het werk niet meer nodig zijn en dus weg kunnen. Ten aanzien van de gehuurde stroomvoorzieningen heeft DLV aangevoerd dat de ABK (algemene bouwplaats kosten)-begroting reeds een terugkoopregeling voor de tijdelijke stroomvoorziening bevat. DLV heeft daarbij verwezen naar post 1.04.004 in de door BN als productie E-100 overgelegde inschrijvingsbegroting van 21 juli 2017, waarin met betrekking tot tijdelijke elektrische installaties een bedrag van € 148.980,- is opgenomen onder de vermelding “Aanneemsom - terugkoop elektra”. DLV acht aldus slechts een bedrag van € 42.653,- toewijsbaar.

DLV heeft niet heeft betwist dat voormelde door BN gestelde kosten zijn gemaakt. Voorts wordt overwogen dat BN ter zitting heeft toegelicht dat de steigers nog op het werk aanwezig zijn om zo het werk toegankelijk en veilig te houden, dat de steigers zijn opgesteld in vide’s en trappenhuizen en dat vanwege arbeidsomstandigheden en ook vanwege mogelijke incidenten met insluipers, zij verplicht is de steigers te laten staan. Geoordeeld wordt dat BN daarmee voldoende heeft onderbouwd dat de aanwezigheid van de steigers op het werk ook na de beëindiging daarvan nog steeds is vereist en dat het daarbij gaat om kosten die zij zonder de beëindiging van het werk en de uitoefening daarna van het retentierecht niet zou hebben gemaakt. Hetzelfde geldt voor de door BN gehuurde stroomvoorzieningen. Daarbij is van belang dat DLV onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de door haar genoemde post in de inschrijvingsbegroting met nummer 1.04.004 mede ziet op de hier aan de orde zijnde door BN gehuurde stroomvoorzieningen. Die post ziet gelet op de benaming daarvan op de terugkoop van elektra, terwijl het hier om door BN gehuurde stroomvoorzieningen gaat. Het totale door BN gevorderde bedrag van € 147.653,- is daarmee toewijsbaar.

Loonkosten personeel 17 februari 2023 – 12 juli 2023

BN stelt voorts in de periode van 17 februari 2023 tot en met 12 juli 2023 een bedrag van € 612.072,- aan personeelskosten te hebben gemaakt voor het veiligstellen van het werk, de demobilisatie van de bouwplaats, het beëindigen van de contractuele relaties met haar 38 onderaannemers en het opstellen van de eindafrekening met hen. Het gaat daarbij met name om loonkosten voor uitvoerders, werkvoorbereiders, een projectleider en een commercieel manager. BN stelt dat zij deze kosten niet had hoeven maken indien het werk niet in onvoltooide staat zou zijn beëindigd. Ter onderbouwing van het bedrag € 612.072,- heeft BN gewezen op de door haar overgelegde producties E-111 en E-171. De daarin genoemde tarieven zijn tarieven die BN bij derden in rekening brengt en zijn gebaseerd op daadwerkelijke kosten.

DLV betwist dit deel van de vordering op een aantal punten. Allereerst heeft DLV bezwaar tegen de hier door BN gehanteerde uurtarieven. DLV stelt dat BN door het hanteren van de daadwerkelijke uurkosten in plaats van de uurtarieven in de inschrijvingsbegroting, in een betere positie geraakt dan in het geval BN het werk had voltooid en dat dit in strijd is met § 14, lid 10, UAV 2012. Onder verwijzing naar de door haar overgelegde productie G-142 stelt DLV dat als wordt uitgegaan van de voorheen door BN gehanteerde tarieven, de loonkosten voor BN in de periode van 17 februari 2023 tot en met 12 juli 2023 in totaal € 496.122,- bedragen. DLV betwist op zich niet dat het veilig stellen van het werk en de demobilisatie van de onderaannemers tijd vergt, dat daarmee kosten zijn veroorzaakt en dat dit kosten als gevolg van de niet voltooiing zijn, maar DLV betwist wel de juistheid van het aantal door BN opgevoerde uren. DLV voert in dat kader aan dat uit het overzicht van BN op geen enkele wijze kan worden afgeleid in hoeverre de genoemde loonkosten verband houden met werkzaamheden die het gevolg zijn van de niet-voltooiing van het werk. DLV betwist dat BN op dit punt aan haar bewijslast heeft voldaan. Meer specifiek heeft DLV de juistheid betwist van het in het overzicht van BN opgenomen aantal uren voor de projectleider en de commercieel manager. Daarnaast heeft DLV betwist dat in het overzicht opgenomen kosten voor de HSE (€ 3.904,-), de coördinator QC (€ 15.914,-) en de bouwplaatsmanager (€ 50.336) kunnen worden aangemerkt als kosten als gevolg van de beëindiging.

DLV wordt niet gevolgd in haar stelling dat het door BN op dit punt hanteren van de daadwerkelijke loonkosten in strijd is met de uitgangspunten in § 14, lid 10, UAV 2012. Van belang daarvoor is dat BN ter zitting heeft toegelicht dat door de voortijdige beëindiging van werk onderzocht diende te worden in welk stadium het werk van de onderaannemers zich ten tijde van de beëindiging bevond, wat er reeds aan de onderaannemers was betaald en dat er in dat kader met de onderaannemers vaststellingsovereenkomsten moesten worden gesloten. Bij een volledige uitvoering van het werk zou BN die werkzaamheden en de als gevolg daarvan ontstane loonkosten niet hebben gehad. Het gaat hier dus om werkzaamheden die niet in de aanneemsom zijn opgenomen; deze werkzaamheden en de daaraan verbonden kosten komen daar bovenop. Deze kosten staan dus los van de inschrijvingsbegroting en de daarin opgenomen tarieven. Voor de hier gevorderde loonkosten is BN daar dus niet aan gebonden. Dat BN voor die extra werkzaamheden de tarieven hanteert die zij ook bij derden in rekening brengt, acht de rechtbank dan ook niet onjuist.

Uit het verweer van DLV blijkt dat zij, behalve de uren voor de HSE, de coördinator QC en de bouwplaatsmanager, op zich niet betwist dat de hier in geding zijnde werkzaamheden als gevolg van de beëindiging zijn verricht. Dit wordt daarom ook bij de beoordeling als uitgangspunt genomen. Dat neemt echter niet weg dat gelet op het specifieke verweer van DLV tegen de in het overzicht opgenomen uren voor de HSE, de coördinator QC en de bouwplaatsmanager, het op de weg van BN had gelegen om nader te onderbouwen dat ook deze personen werkzaamheden in het kader van de beëindiging hebben verricht. Nu BN dat heeft nagelaten zijn de voor de HSE, de coördinator QC en de bouwplaatsmanager opgevoerde loonkosten, zijnde in totaal € 70.154,-, als onvoldoende onderbouwd niet toewijsbaar. Ten aanzien van de overige genoemde werknemers heeft DLV – tegenover de gemotiveerde onderbouwing door BN – niet, althans onvoldoende, betwist dat de in het overzicht opgenomen uren zien op beëindigingswerkzaamheden. Dit betekent dat van de gevorderde loonkosten voor de periode 17 februari 2023 – 12 juli 2023 een bedrag van € 541.918,- (€ 612.072,- min € 70.154,-) toewijsbaar is.

Loonkosten 12 juli 2023 – januari 2024 en leegloopkosten

BN vordert ook loonkosten in verband met de beëindiging van het werk die zien op de periode na 12 juli 2023. BN had deze loonkosten onder verwijzing naar productie E-112 aanvankelijk begroot op € 423.704, - maar heeft deze ter zitting verminderd met € 81.090,-. Van deze vordering resteert daarmee nog een bedrag van € 342.614.-. Tevens heeft BN ter onderbouwing van deze kostenpost gewezen op haar productie E-171. Het gaat hier om kosten voor nog resterende werkzaamheden voor het afwikkelen van contractuele relaties met onderaannemers, voor werkvoorbereiders die wekelijks nog een controle doen, voor een projectleider en commercieel manager die dat begeleiden en zogenoemde leegloopkosten van uitvoerders omdat voor deze personen niet direct ander werk beschikbaar is waar ze kunnen worden ingezet.

Ook de juistheid van deze kosten heeft DLV betwist, in die zin dat DLV naast het door BN gehanteerde uurtarief ook de juistheid van het aantal door BN gestelde uren betwist. Ten aanzien van de leegloopkosten heeft DLV aangevoerd dat op BN de verplichting rust om redelijke pogingen te doen om de schade te beperken door het personeel op andere projecten in te zetten. DLV acht het onaannemelijk dat de betreffende werknemers van BN niet elders inzetbaar zouden zijn.

Uit productie E-112 blijkt dat ook deze loonkosten mede zien op gestelde werkzaamheden door een coördinator QC en een bouwplaatsmanager. Nu DLV gemotiveerd heeft betwist dat die personen nog werkzaamheden uitvoeren en DLV de werkzaamheden daarvan niet nader heeft onderbouwd, zijn die gevorderde loonkosten niet toewijsbaar. Dit betreft een bedrag van € 32.848,-. Ten aanzien van de overige personen geldt dat nu niet in geschil is dat er werkzaamheden nodig zijn als gevolg van de beëindiging van het werk, DLV in het licht daarvan onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat het door BN gestelde resterende aantal uren juist is. Daarbij komt dat DLV evenmin concreet heeft gemaakt dat voor de desbetreffende medewerkers werkzaamheden op andere projecten beschikbaar zijn geweest, waarbij wordt betrokken dat door BN onbetwist is gesteld dat uit haar jaarcijfers een daling van de omzet blijkt. Dit ondersteunt de stelling van BN dat geen andere werkzaamheden beschikbaar zijn geweest.

In het door BN gevorderde hogere uurtarief wordt BN gevolgd. Voor wat betreft de leegloopkosten van de uitvoerders, werkvoorbereiders en planner geldt dat bij een reguliere beëindiging kan worden geanticipeerd op een einddatum en medewerkers tijdig op andere projecten kunnen worden ingezet. Voor de overige in productie E-112 genoemde personen, die zich na 12 juli 2023 nog bezig houden of hebben gehouden met de afwikkeling van de onderaannemers, wordt BN ook hier gevolgd dat het daarbij gaat om werkzaamheden die los staan van de inschrijvingsbegroting en de daarin opgenomen uurtarieven en dat BN voor werkzaamheden in het kader van de beëindiging daar niet aan gebonden is. Een bedrag van € 309.766,- (€ 342.614,- min € 32.848,-) is daarmee toewijsbaar.

Kosten demobilisatie onderaannemers

BN stelt dat een aantal onderaannemers als gevolg van de voortijdige beëindiging en demobilisatie van het werk kosten heeft gemaakt en dat die kosten niet zouden zijn gemaakt indien het werk niet voortijdig was beëindigd. Het gaat daarbij om kosten voor transport vanwege het tussentijds ophalen van spullen en voor het inhuren van extra menskracht daarvoor. Hieronder vallen ook de vergoedingen die BN stelt te hebben betaald voor opslagen over het niet uitgevoerde deel. Verder stelt BN dat sommige onderaannemers kosten hebben gemaakt in de periode van 17 februari 2023 (datum waarop BN het werk in onvoltooide staat heeft beëindigd) tot 17 mei 2023 (datum van het vonnis van de rechtbank Amsterdam waarin is bepaald dat de beëindiging gerechtvaardigd was). In deze periode heeft BN aan de onderaannemers verzocht hun werkzaamheden te schorsen en konden de onderaannemers hun mensen niet elders inzetten. BN stelt met deze onderaannemers een vaststellingsovereenkomst te hebben gesloten, waarin de kosten voor de demobilisatie en schorsing bij BN in rekening zijn gebracht. Deze kosten bedragen in totaal € 358.490,- aldus BN.

DLV heeft, onder verwijzing naar haar productie G-143, de door BN gestelde extra kosten voor de demobilisatie van het werk grotendeels betwist. DLV betwist daarbij met name de verschuldigdheid van de door BN gevorderde demobilisatie kosten met betrekking tot [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) voor beplanting, en Alimak Group Benelux B.V. (hierna: Alimak) voor het afvoeren van hefsteigers. DLV stelt dat die door BN genoemde kosten niet kunnen worden aangemerkt als kosten als gevolg van de niet-voltooiing. Daarnaast heeft DLV aangevoerd dat BN grote delen in de met de onderaannemers gesloten vaststellingsovereenkomsten heeft zwart gelakt, waardoor het niet vast te stellen is in hoeverre de met de onderaannemers overeengekomen vergoeding ziet op door de onderaannemers uitgevoerd werk dat reeds in de afrekening van BN is begrepen. Verder betwist DLV de juistheid van de door BN aan de onderaannemers toegekende opslagen over het niet uitgevoerde deel van de werkzaamheden. DLV heeft daarbij aangevoerd dat in de door BN gehanteerde algemene voorwaarden voor onderaanneming is bepaald dat BN altijd mag opzeggen en dat bij opzegging nooit meer dan 2% van het niet uitgevoerde werk aan de onderaannemer wordt vergoed. Ten slotte betwist DLV de kosten die BN heeft opgevoerd voor de periode dat de werkzaamheden waren geschorst in afwachting van het tussenvonnis van de rechtbank van 17 mei 2023. DLV stelt dat BN onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt of de onderaannemers hebben geprobeerd om kosten te besparen en dat BN niet heeft voldaan aan de op haar rustende stelplicht en bewijslast.

Uitgangspunt bij de beoordeling van deze als gevolg van de voortijdige beëindiging van het werk gestelde kosten is dat op BN de stelplicht en bewijslast rust. BN had in eerste instantie deels zwart gelakte vaststellingsovereenkomsten overgelegd, maar heeft op verzoek van de rechtbank de niet-zwart gelakte overeenkomsten in het geding gebracht. Het door BN gevorderde bedrag van € 358.490,- is onder te verdelen in een bedrag van € 273.697,- als kosten vanwege de demobilisatie en € 84.793,- als kosten voor de periode dat het werk was geschorst. Deze zullen hierna apart worden beoordeeld: de demobilisatiekosten in 5.6 t/m 5.13 en dan vanaf 5.14 de schorsingskosten.

Alimak

BN vordert in verband met de demobilisatie van onderaannemer Alimak een bedrag van € 95.230,-. Allereerst blijkt uit de door BN als productie E-181 overgelegde vaststellingsovereenkomst die BN op 5 april 2023 met Alimak heeft gesloten dat het door BN gevorderde bedrag aan demobilisatiekosten van € 95.230,-, mede de huur van de hefsteigers tot en met week 7 in 2023 bevat. Dus de huur van de hefsteigers tot en met 18 februari 2023. DLV wordt gevolgd in haar stelling dat BN de huur tot die datum sowieso verschuldigd was, ook als het werk op 17 februari 2023 niet voortijdig zou zijn beëindigd. Het gaat in zoverre dus niet om kosten die zijn ontstaan door de voortijdige beëindiging van het werk. Verder is voor het resterende bedrag van belang, zoals door DLV aangevoerd, dat de hefsteigers aan het einde van het werk sowieso door Alimak dienden te worden afgevoerd. Het afvoeren van de hefsteigers behoort daarmee tot de normale kosten en zal in beginsel in de huurprijs zijn inbegrepen. Althans, BN heeft onvoldoende onderbouwd dat dat hier niet het geval is geweest. BN heeft daarmee tegenover het gemotiveerde verweer van DLV onvoldoende onderbouwd dat de voortijdige beëindiging van het werk met betrekking tot het afvoeren van de hefsteigers tot extra demobilisatiekosten heeft geleid. Het in dit verband gevorderde bedrag van € 95.230,- is daarmee niet toewijsbaar.

[bedrijf 2] B.V.

BN vordert in verband met de demobilisatie van onderaannemer [bedrijf 2] B.V. een bedrag van € 2.000,-. Vastgesteld wordt dat in de vaststellingsovereenkomst die BN als productie E-182 heeft overgelegd in de eindafrekening een bedrag van € 2.000,- als demobilisatiekosten is opgenomen en dat DLV de verschuldigdheid daarvan niet wezenlijk heeft betwist. Dit bedrag is daarmee toewijsbaar.

BGI Tegelwerk B.V.

BN vordert in verband met de demobilisatie van onderaannemer BGI Tegelwerk B.V. (hierna: BGI Tegelwerk) een bedrag van € 20.000.-. In de vaststellingsovereenkomst die BN als productie E-183 heeft overgelegd staat in artikel 2.3 echter dat BGI Tegelwerk als gevolg van de opzegging geen extra werkzaamheden heeft uitgevoerd. De in die vaststellingsovereenkomst opgenomen demobilisatiekosten zien daarmee kennelijk op demobilisatiekosten die BGI Tegelwerk ook bij een reguliere beëindiging van de overeenkomst had moeten maken. Althans, BN heeft gelet op het verweer van DLV en het bepaalde in artikel 2.3 van de met BGI Tegelwerk gesloten vaststellingsovereenkomst onvoldoende onderbouwd dat het bedrag van € 20.000,- ziet op kosten die niet zouden zijn gemaakt indien het werk niet voortijdig was beëindigd. Het bedrag van € 20.000,- is daarmee niet toewijsbaar.

[bedrijf 3] B.V.

BN vordert in verband met de demobilisatie van onderaannemer [bedrijf 3] B.V. een bedrag van € 7.500,-. Vastgesteld wordt dat in de vaststellingsovereenkomst die BN als productie E-190 heeft overgelegd in de eindafrekening een bedrag van € 7.500,- als demobilisatiekosten is opgenomen en dat DLV de verschuldigdheid daarvan niet wezenlijk heeft betwist. Dit bedrag is daarmee toewijsbaar.

Square Afbouw

BN vordert in verband met de demobilisatie van onderaannemer Square Afbouw een bedrag van € 16.667.-. In de met Square afbouw gesloten vaststellingsovereenkomst die BN als productie E-194 heeft overgelegd staat in artikel 2.2 echter dat Square Afbouw als gevolg van de opzegging geen extra werkzaamheden heeft uitgevoerd. Bovendien bevat die vaststellingsovereenkomst in het kostenoverzicht niet de post “demobilisatiekosten”. Gelet op het verweer van DLV en het bepaalde in artikel 2.2 van de door BN met Square Afbouw gesloten vaststellingsovereenkomst, heeft BN daarmee onvoldoende onderbouwd dat het bedrag van € 16.667.- ziet op kosten die niet zouden zijn gemaakt indien het werk niet voortijdig was beëindigd. Het bedrag van € 16.667.- is daarmee niet toewijsbaar.

Stucadoorsbedrijf BGI Volendam B.V.

BN vordert in verband met de demobilisatie van onderaannemer Stucadoorsbedrijf BGI Volendam B.V. (hierna: Stucadoorsbedrijf BGI) een bedrag van € 17.300,-. In de vaststellingsovereenkomst die BN als productie E-196 heeft overgelegd is in de eindafrekening wel een bedrag van € 17.300,- als demobilisatiekosten opgenomen, maar BN heeft tegenover de betwisting door DLV onvoldoende onderbouwd waaruit de extra demobilisatiekosten voor Stucadoorsbedrijf BGI als gevolg van de voortijdige beëindiging van de overeenkomst hebben bestaan. Daarbij is mede van belang dat DLV wordt gevolgd in haar verweer dat de kosten van demobilisatie bij stukadoorswerkzaamheden in beginsel in de prijs per vierkante meter is inbegrepen. Waarom dat hier anders is heeft BN onvoldoende toegelicht. Dit bedrag is daarmee niet toewijsbaar.

[bedrijf 1]

Ten aanzien van de door BN opgevoerde kosten met betrekking [bedrijf 1] ter hoogte van € 110.000,- wordt DLV gevolgd in haar verweer dat BN onvoldoende heeft onderbouwd dat dit bedrag verschuldigd is in verband met de demobilisatie van het werk. Dit geldt temeer nu uit de door BN als productie E-201 overgelegde vaststellingsovereenkomst blijkt dat BN en [bedrijf 1] geen demobilisatiekosten hebben afgesproken. Er staat juist uitdrukkelijk in 2.3 van die vaststellingsovereenkomst dat [bedrijf 1] als gevolg van de opzegging geen extra werkzaamheden heeft uitgevoerd. Dit is lijnrecht in tegenspraak met de eerder door BN overgelegde concept-vaststellingsovereenkomst die BN als productie E-113 heeft overgelegd, waarin een bedrag van € 110.000,- aan demobilisatiekosten stond opgenomen. Vastgesteld wordt dat BN hier in strijd met artikel 21 Rv heeft gehandeld door tot en met de zitting van 29 februari 2024 onder verwijzing naar productie E-113 te stellen dat [bedrijf 1] € 110.000,- aan demobilisatiekosten heeft gemaakt en te doen voorkomen dat daar met [bedrijf 1] ook overeenstemming over bestond door dit bedrag op te nemen in het van DLV gevorderde bedrag. Pas uit de na de zitting van 29 februari 2024 in opdracht van de rechtbank als productie E-200 overgelegde vaststellingsovereenkomst blijkt dat dit niet zo is en dat de opzegging niet tot extra demobilisatiekosten heeft geleid. De stelling van BN dat [bedrijf 1] nog steeds aanspraak maakt op het bedrag van € 110.000.- aan demobilisatiekosten, is evident in strijd met de waarheid gelet op de in de overeenkomst van 24 augustus 2023 overeengekomen finale kwijting en het daarbij onherroepelijk afstand doen door [bedrijf 1] van al haar rechten en aanspraken op BN. Immers valt niet in te zien dat BN nu of in de toekomst als gevolg van de voortijdige beëindiging demobilisatiekosten aan [bedrijf 1] is verschuldigd. Het gevorderde bedrag van € 110.000,- is daarmee niet toewijsbaar.

[bedrijf 4] B.V.

BN vordert in verband met de demobilisatie van onderaannemer [bedrijf 4] B.V. (hierna: [bedrijf 4] ) een bedrag van € 5.000,-. In de met [bedrijf 4] gesloten vaststellingsovereenkomst die BN als productie 202 heeft overgelegd staat in artikel 2.3 echter ook dat [bedrijf 4] als gevolg van de opzegging geen extra werkzaamheden heeft uitgevoerd. Gelet op het verweer van DLV en het bepaalde in artikel 2.3 van de door BN met [bedrijf 4] gesloten vaststellingsovereenkomst, heeft BN daarmee onvoldoende onderbouwd dat het bedrag van € 5.000.- dat in de vaststellingsovereenkomst als demobilisatiekosten is opgenomen ziet op kosten die niet zouden zijn gemaakt indien het werk niet voortijdig was beëindigd. Het bedrag van € 5.000,- is daarmee niet toewijsbaar.

Uit het voorgaande volgt dat in verband met de demobilisatie van de onderaannemers een bedrag van € 9.500,- toewijsbaar is.

Kosten vanwege schorsing werk onderaannemers

In verband met van de schorsing van het werk in de periode van 17 februari 2023 (de datum waarop BN het werk in onvoltooide staat heeft beëindigd) tot 17 mei 2023 (de datum van het tussenvonnis van de rechtbank) vordert BN een bedrag van € 84.793 aan schorsingskosten. In het tussenvonnis van 17 mei 2023 is geoordeeld dat de beëindiging door BN van het werk in onvoltooide staat op 17 februari 2023 gerechtvaardigd was. Daaruit volgt dat ook de schorsing door BN van de werkzaamheden van de onderaannemers op 17 februari 2023 in beginsel gerechtvaardigd was. Begrijpelijk is dat BN in afwachting van het tussenvonnis van de rechtbank de werkzaamheden van de onderaannemers heeft opgeschort en pas na het tussenvonnis van 17 mei 2023 tot beëindiging van de overeenkomsten met de onderaannemers is overgegaan. Dat, zoals door DLV is aangevoerd, de onderaannemers hun personeel tijdens de schorsing elders hebben kunnen inzetten, heeft DLV niet onderbouwd. Uit de door BN overgelegde vaststellingsovereenkomsten blijkt verder dat daarin met de desbetreffende onderaannemers een vergoeding vanwege de schorsing van het werk is opgenomen. BN heeft daarmee voldoende onderbouwd dat zij vanwege de schorsing van het werk extra kosten heeft gemaakt, die voor rekening van DLV dienen te komen als veroorzaker van de schorsing. Dit geldt evenwel niet voor de door BN gestelde schorsingskosten voor Eigenhuis B.V. ter hoogte van € 34.292,52. Van belang daarvoor is dat Eigenhuis B.V. op grond van de planning van november 2022 haar werkzaamheden zou starten omtrent april 2023. Op het moment dat het werk op 17 februari 2023 werd geschorst, was Eigenhuis B.V. dus nog niet met haar werkzaamheden begonnen. Dat Eigenhuis B.V. in die situatie toch schorsingskosten heeft gemaakt, heeft BN onvoldoende onderbouwd en inzichtelijk gemaakt. Het voorgaande betekent dat van de door BN gevorderde schorsingskosten een bedrag van € 50.500,48 (€ 84.793,- min € 34.292,52) toewijsbaar is.

Onderhoud groengevel

BN vordert een bedrag van € 79.500,- aan kosten voor het onderhoud van de groengevel. DLV heeft deze kosten niet betwist. Dit bedrag is daarmee toewijsbaar.

Opname werk

BN heeft aan Hanselman opdracht gegeven voor de opname van het gehele werk en de bepaling van het percentage van voltooiing. BN vordert in verband daarmee betaling door DLV van een bedrag van € 20.425,-. DLV heeft de hoogte en verschuldigdheid van deze kosten niet betwist. Ook dit bedrag is daarmee toewijsbaar.

Bouwmateriaal bij onderaannemers/leveranciers

BN stelt dat zij bij haar onderaannemers/leveranciers ten behoeve van het werk bestellingen heeft gedaan voor de levering van bouwmaterialen, zoals tegels, kozijnen en deuren en dat van dit bouwmateriaal nog een deel bij deze onderaannemers en leveranciers aanwezig is. BN stelt dat zij deze bestelde materialen niet meer kan gebruiken, maar wel moet overnemen en dat zij dus aanzienlijke kosten maakt. In totaal gaat het om een bedrag van € 2.539.156,-. Ter onderbouwing daarvan heeft BN gewezen op de door haar overgelegde productie E-120.

DLV heeft aangevoerd dat zij uiteraard bereid is om de voor de voltooiing van het werk benodigde en deugdelijke materialen van BN over te nemen, maar dat de door BN ingediende specificaties niet te controleren zijn. Op de door BN overgelegde foto's zijn veelal dichtgeplakte pallets te zien waarbij de inhoud en de kwaliteit daarvan niet controleerbaar is. DLV stelt daarom dat – tot de kwaliteit en de volledigheid van de aangeboden materialen is vastgesteld – zij niet gehouden is om het door BN opgegeven bedrag te betalen.

De rechtbank dient ook bij de beoordeling van deze vordering uit te gaan van de onder 2.3 genoemde maatstaf bij voltooiing van het werk in onvoltooide staat: De aannemer heeft alsdan recht op de aannemingssom, vermeerderd met de kosten die hij als gevolg van de niet voltooiing heeft moeten maken en verminderd met de hem door de beëindiging bespaarde kosten. (…).De bespaarde kosten worden berekend op basis van de mate waarin het werk voltooid is, zoals hierna te bespreken onder 6.1 en volgende, Gevolg daarvan is dat de bespaarde kosten bestaan uit zowel het niet gebruikte bouwmateriaal als de niet verrichte arbeid. Aangeschafte bouwmaterialen die nog niet verwerkt zijn moeten afzonderlijk worden verrekend, omdat bij de berekening van de stand van het werk alleen de al verwerkte bouwmaterialen worden meegerekend. Partijen zijn hier ook vanuit gegaan.

In de akte van 14 maart 2024 is BN onder meer nader ingegaan op de bouwmaterialen die nog bij de onderaannemers aanwezig zijn. Daaruit blijkt dat BN met onderaannemer A.T. Projecten B.V. (hierna: A.T. Projecten) nog niet tot een financiële afwikkeling is gekomen en dat om die reden door A.T. Projecten nog geen eigendomsverklaring is ondertekend, een factuur van A.T. Projecten ontbreekt, alsmede een betalingsbewijs van BN aan A.T. Projecten. Hetzelfde geldt voor het materiaal van [bedrijf 5] B.V. (hierna: [bedrijf 5] ). Een ondertekende eigendomsverklaring daarvan ontbreekt omdat tussen [bedrijf 5] en BN een arbitrage aanhangig is over de eindafrekening. Ook met NBK Keramik GmbH (hierna: NBK Keramik) is BN nog niet tot een definitieve afwikkeling gekomen vanwege de stelling van DLV dat het geleverde keramiek niet zou voldoen (zie ook hierna onder 8.22). Ook met betrekking tot NBK Keramik ontbreekt daarom een eigendomsverklaring, factuur en betaalbewijs. Geoordeeld wordt dat bij gebreke van overeenstemming tussen BN en A.T. Projecten, [bedrijf 5] , en NBK Keramik over het eigendom van de bij deze onderaannemers aanwezige bouwmaterialen en het thans ontbreken van door BN voor die materialen betaalde facturen, BN niet wordt gevolgd in haar stelling dat het hier gaat om bouwmaterialen waarvoor zij kosten heeft gemaakt. De door BN voor de bij deze onderaannemers aanwezige materialen gevorderde kosten zijn daarmee (op dit moment) niet toewijsbaar, zijnde in totaal een bedrag van € 501.600,- (= A.T. Projecten € 26.200,-, [bedrijf 5] € 249.000,- en NBK Keramik € 226.400,-). Dit sluit overigens niet uit dat BN in de toekomst mogelijk wel aanspraak kan maken op vergoeding van deze kosten.

Ten aanzien van de door BN gevorderde kosten van € 331.500,- vanwege het bij Kingspan Light + Air NL B.V. (hierna: Kingspan) aanwezige materiaal, wordt overwogen dat BN tegenover het gemotiveerde verweer van DLV onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt om welk materiaal het gaat BN zal daarom in de gelegenheid worden gesteld om daarop bij akte een nadere toelichting te geven.

Hetzelfde geldt voor de kosten die BN vordert voor het bij onderaannemer Senta Internationaal B.V. (Senta) aanwezige materiaal. Ook daarvan is op dit moment tegenover het gemotiveerde verweer van DLV onvoldoende inzichtelijk op welk materiaal het in dit verband gevorderde bedrag van € 151.027,- ziet. BN zal daarom ook ten aanzien van deze gevorderde materiaalkosten in de gelegenheid worden gesteld om daar bij akte een nadere toelichting op te geven.

Ten aanzien van het overige materiaal dat bij onderaannemers van BN aanwezig is, wordt overwogen dat de door BN overgelegde productie E-120 bestaat uit eigendomsverklaringen waarin die onderaannemers/leveranciers de materialen overdragen aan BN. Tevens zijn daarbij steeds foto’s gevoegd van de desbetreffende materialen. BN heeft daarmee voor die materialen voldoende onderbouwd dat zij daarvan eigenaar is. Niet in geschil is dat het daarbij gaat om materiaal dat door BN op grond van de met DLV gesloten aannemingsovereenkomst ten behoeve van het werk is aangeschaft. Evenmin is betwist dat BN die materialen niet op andere werken kan inzetten. Nu het gaat om materiaal dat BN ten behoeve van het werk heeft aangeschaft, wordt BN gevolgd in haar stelling dat het hier gaat om (aanschaf)kosten die zij als gevolg van de niet voltooiing van het werk heeft gemaakt. De kosten daarvan komen daarmee op grond van § 14 UAV 2012 voor rekening van DLV. DLV betwist weliswaar de kwaliteit van dat materiaal, maar enige onderbouwing dat dit materiaal niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen heeft DLV niet overgelegd. Hieruit volgt dat het door BN gevorderde bedrag vanwege het bij onderaannemers aanwezige bouwmateriaal (op dit moment) tot een bedrag van € 1.555.029,- (€ 2.539.156,- min € 501.600,- min € 331.500,- en min € 151.027,-) toewijsbaar is.

Nog niet verwerkte materialen aanwezig op de bouwplaats

BN vordert tevens de kosten voor het materiaal dat zij bij haar onderaannemers / leveranciers heeft besteld, dat speciaal is gefabriceerd voor het werk en dat nog op de bouwplaats aanwezig is. BN stelt onder verwijzing naar productie E-122 dat de waarde van dit materiaal in totaal € 1.386.424,- bedraagt, dat het hier om niet meer door haar te gebruiken materiaal gaat en daarom als niet bespaarde kosten door DLV moet worden vergoed. Hiervoor is onder 5.20 reeds geoordeeld dat de kosten van het materiaal dat BN voor het werk heeft besteld en dat door haar niet meer te gebruiken is, voor rekening van DLV komt. Dat geldt ook voor het materiaal dat reeds op de bouwplaats aanwezig is, maar nog niet in het werk is gebruikt. Ook voor dit materiaal heeft DLV betwist dat het materiaal niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, althans dat zij de kwaliteit niet kan controleren, maar enige concrete aanwijzing dat het materiaal niet kwalitatief voldoet heeft DLV niet overgelegd. In productie G-143 stelt DLV ten aanzien van dit materiaal dat het “mogelijk te gebruiken materiaal” betreft, maar dat is een onvoldoende betwisting van de kwaliteit.

Enige uitzondering daarop is het door NBK Keramik geleverde keramiek. DLV heeft aangevoerd dat er een kleurverschil zit in het door NBK Keramik geleverde keramiek dat reeds aan de gevel van het gebouw is bevestigd, zie hierna onder 8.22. Niet kan worden uitgesloten dat dit gestelde kleurverschil ook aanwezig is in het van NBK Keramik afkomstige bouwmateriaal dat nog niet in de gevel is verwerkt en op de bouwplaats staat. De hierna onder 8.22.1 genoemde deskundige zal zich daarom ook dienen uit te laten of het gestelde kleurverschil ook aanwezig is in het van NBK Keramik afkomstige keramiek dat op de bouwplaats aanwezig is en nog niet is verwerkt, voordat kan worden beslist over de toewijsbaarheid van het bedrag van € 390.320,- dat BN in verband daarmee vordert.

Uit het voorgaande volgt dat in verband met het door BN gevorderde bedrag aan materiaal dat op de bouwplaats aanwezig is maar nog niet is verwerkt, (op dit moment) een bedrag van € 996,104,- (€ 1.386.424,- min € 390.320,-) toewijsbaar is.

Niet bespaarde engineeringskosten onderaannemers

BN stelt dat een aantal onderaannemers engineeringswerkzaamheden heeft verricht met betrekking tot het niet uitgevoerde deel van haar werkzaamheden en dat in de met de onderaannemers gesloten vaststellingsovereenkomsten deze kosten door de onderaannemers bij BN in rekening zijn gebracht. BN vordert in verband daarmee, als niet bespaarde engineeringskosten en onder verwijzing naar haar productie E-121, betaling door DLV van een bedrag van € 122.084,-.

DLV heeft als verweer aangevoerd dat BN niet inzichtelijk heeft gemaakt welke werkzaamheden door de betreffende onderaannemers zijn verricht en welke bedragen daar daadwerkelijk voor zijn betaald. Daarnaast heeft DLV aangevoerd dat niet duidelijk is in hoeverre de in dit kader door BN opgevoerde bedragen een dubbeling zijn ten opzichte van de door BN opgevoerde indirecte kosten. DLV heeft daarbij gewezen op door BN gestelde niet bespaarde engineeringskosten van Senta, de onderaannemer inzake de keramische gevel. Bij de toelichting op de indirecte kosten heeft BN gesteld dat de werkvoorbereiding volledig is uitgevoerd en heeft zij in verband daarmee een hoger bedrag aan indirecte kosten opgevoerd. Dit duidt op een dubbeltelling, aldus DLV. Daarnaast heeft DLV aangevoerd dat de gewijzigde opzet voor de gevel als gevolg van het besluit van BN om onderaannemer Leebo te vervangen door Senta niet voor rekening van DLV dient te komen.

Geoordeeld wordt dat BN tegenover het gemotiveerde verweer onvoldoende heeft onderbouwd dat de hier gevorderde engineeringskosten zien op het nog niet voltooide deel van het werk. De in dit verband door BN overgelegde factuur van Senta is bijvoorbeeld van 15 april 2022. Die datum ligt bijna meer dan een jaar vóór 17 februari 2023, zijnde de datum waarop BN de werkzaamheden heeft beëindigd. Het had op de weg van BN gelegen om inzichtelijk te maken waarom die werkzaamheden toch als niet bespaarde engineeringskosten moeten worden aangemerkt. Hetzelfde geldt voor de overige in dit verband opgevoerde engineeringskosten. Het bedrag van € 122.084,- is daarmee niet toewijsbaar.

Conclusie kosten als gevolg van de niet voltooiing van het werk

In totaal zal € 3.710.395,48 aan kosten als gevolg van de niet voltooiing van het werk bij de aanneemsom worden opgeteld. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

- € 147.653,- aan kosten beveiliging en veilig stellen van het werk,

- € 851.684,- aan loonkosten,

- € 9.500,- aan mobilisatiekosten,

- € 50.500,48 aan schorsingskosten,

- € 79.500,- aan onderhoud groengevel,

- € 20.425,- aan opname werk,

- € 1.555.029,- aan bouwmateriaal bij onderaannemers,

- € 996.104,- aan nog niet verwerkt bouwmateriaal op het werk,

6. Bespaarde kosten in verband met het overeengekomen werk

Partijen zijn het erover eens dat de bespaarde kosten moeten worden bepaald door een percentage af te halen van de bij de aannemingsovereenkomst behorende inschrijfbegroting. Het percentage wordt berekend aan de hand van de mate waarin het werk op 17 februari 2023 gereed was. Op DLV rust in dit verband de stelplicht en bewijslast, omdat het hier gaat om bespaarde kosten. Partijen maken een onderscheid tussen directe en indirecte kosten. Onder directe kosten wordt verstaan: de kosten die direct en specifiek voor de productie van de in het werk te onderscheiden onderdelen worden gemaakt. Het is een optelsom van manuren, materiaalkosten, leveranties, onderaannemers, etc. Onder indirecte kosten – ook wel algemene bouwplaatskosten (ABK) genoemd – wordt verstaan: kosten die samenhangen met het werk, maar geen direct verband hebben met de onderdelen van het werk. Het is een optelsom van voorzieningen, productiemiddelen en daaraan verbonden arbeid, die in het werk worden gebruikt, niet direct aan onderdelen van het werk kunnen worden toegerekend en die niet in het werk achterblijven. Bijvoorbeeld bouwketen, hekwerken, transport op het werk d.m.v. kranen en liften, veiligheidsmaatregelen, etc.

Directe kosten

Met partijen gaat de rechtbank uit van € 49.532.212 aan opgenomen directe kosten in de inschrijfbegroting. DLV stelt dat de omvang van de besparingen op de directe kosten € 14.955.810,- bedraagt, terwijl dit volgens BN € 11.312.008,- moet zijn. In de eerste plaats is hier van belang dat DLV hier (ook) de stelpost van € 2.000.000,- voor de hotelkamers heeft meegenomen, terwijl deze stelpost in de door de rechtbank gehanteerde berekening onder 3.3 al is verdisconteerd. Dat brengt mee dat de door DLV gestelde omvang van de besparingen afneemt tot € 12.955.810,-. Dat is nog steeds een aanzienlijk verschil met het door BN genoemde bedrag.

Het is aan DLV om te stellen, en bij betwisting door BN ook te onderbouwen, dat deze kosten zijn bespaard. Dat heeft zij onvoldoende gedaan. BN heeft een overzicht gemaakt (productie E-101), dat door DLV in haar productie G-83 is becommentarieerd. DLV heeft daarbij alleen opgemerkt dat zij uitgaat van andere bedragen (bijvoorbeeld ‘DLV noteert - € 108.409,-’) en niet waarom zij dat doet. Zodoende heeft zij niet aan haar stelplicht voldaan, en gaat de rechtbank uit van de opgave van BN en dus van € 11.312.008,- aan besparingen op de directe kosten.

Indirecte kosten

Volgens DLV dient uitgegaan te worden van € 11.679.122,- aan indirecte kosten in de inschrijfbegroting. Zij wijst erop dat BN ook hiervan uitgaat in haar producties E-110 (inschrijfbegroting eindblad splitsing juli 2018) en E-116 (overzicht bespaarde kosten), maar in haar conclusie na het tussenvonnis een ander bedrag noemt (€ 11.313.645,-). De rechtbank ziet geen specifieke onderbouwing van dat laatste bedrag en zal dan ook uitgaan van € 11.679.122,- aan indirecte kosten in de inschrijfbegroting.

DLV stelt dat de bespaarde indirecte kosten € 3.315.609,- bedragen. Volgens BN gaat het om € 1.798.700,- plus nog € 48.089,- voor de torenkraan.

BN heeft een overzicht gemaakt (productie E-102), dat door DLV in haar productie G-82 is becommentarieerd. Ook hier geldt dat DLV niet aan de op haar rustende stelplicht heeft voldaan omdat zij niet heeft uitgelegd waarom van de door haar gehanteerde percentages en bedragen moet worden uitgegaan. Daarop zijn twee uitzonderingen: de vaste bouwkraan en de precario.

Precario

Ten aanzien van de precario heeft DLV aan haar stelplicht voldaan door uit te leggen dat deze belasting ook nog na de ruwbouw is verschuldigd. Dat is op zichzelf juist, maar dat neemt niet weg dat deze belasting al is betaald en door de gemeente niet wordt verminderd omdat het werk nog niet gereed is. Het hele door BN betaalde bedrag blijft dus verschuldigd, zodat dit argument van DLV haar niet kan helpen. Er zijn geen besparingen als het gaat om precario.

Vaste bouwkraan

Ten aanzien van de vaste bouwkraan heeft DLV uitgelegd dat de kosten niet volledig moeten worden toegeschreven aan de ruwbouw die in december 2021 was voltooid, omdat deze bouwkraan ook na de ruwbouw nog nodig was en daarmee in de categorie ‘general’ valt. Dat klopt en is ook door BN erkend, zodat ook de rechtbank daarvan zal uitgaan. Partijen gaan ervan uit dat het werk gemiddeld voor 77% gereed was op 17 februari 2023, waardoor 23% van de indirecte bouwkraankosten als besparing kan worden aangemerkt. Het gaat hier om de door BN op een rijtje gezette kosten (productie 177, € 48.089,-) en de door DLV genoemde kosten van de aanpikkelateur (23% van € 107.752,- is € 24.783,-). In totaal zal dus € 72.872,- als besparing voor de bouwkraan worden aangemerkt. DLV heeft weliswaar gesteld dat ook nog andere kosten bij de indirecte bouwkraankosten opgeteld moeten worden, maar zij heeft nagelaten om die kosten concreet te benoemen in haar conclusie. Het verwijzen naar een (ook nog eens omvangrijke) productie is in dit verband onvoldoende. Tot slot heeft DLV erop gewezen dat BN een rekenfout heeft gemaakt bij de berekening van de kraanbediening, maar dat is niet juist. BN heeft 23% van 24 weken kraanbediening als besparing berekend, wat neerkomt op het door BN genoemde bedrag.

Conclusie indirecte kosten

De rechtbank stelt concluderend vast dat de besparingen op de indirecte kosten (€ 1.798.700,- plus € 72.872,-) € 1.871.572,- bedragen.

Verleende kortingen

Bij het aangaan van de aannemingsovereenkomst heeft BN vier commerciële kortingen verleend op de aanneemsom (DBK € 22.838,-, ABK € 18.481,-, aanvullende commerciële korting € 151.449,- en korting prijsvast Leebo € 100.000,- ). BN stelt zich op het standpunt dat deze kortingen nu (deels) vervallen en dat DLV deze kortingen moet terugbetalen, althans geen aanspraak meer kan maken op deze kortingen. Het gaat hier, aldus BN, om ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voorziene besparingen, die BN nu niet meer volledig kan realiseren. Bovendien heeft BN door het geven van deze korting haar winstmarge verminderd, en winst is geen besparing. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft BN gewezen op een vonnis van deze rechtbank van 27 april 2011 (ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ4280) en twee uitspraken van de Raad van Arbitrage (16 juli 2013, nr. 71.811 en 17 oktober 2011, nr. 32.830).

DLV brengt hier tegenin dat de overeengekomen kortingen zonder voorwaarden in mindering zijn gebracht op de aanneemsom, en dat BN dan ook geen aanspraak kan maken op terugbetaling van deze bedragen. DLV heeft op haar beurt verwezen naar een uitspraak van de Raad van Arbitrage (23 augustus 2016, nr. 35.351).

De rechtbank is het met DLV eens dat partijen de kortingen zonder voorbehoud zijn overeengekomen. Er is bijvoorbeeld niet de voorwaarde gesteld dat de korting alleen geldt als het gehele werk is afgerond. Het gaat ook niet, anders dan in de door BN aangehaalde zaken, om een specifieke inkoopkorting voor een bepaald onderdeel van het (nu niet uitgevoerd) werk of om een korting die is gekoppeld aan te verwachten (en nu misgelopen) inkomsten. In de onderhavige zaak gaat het om vier kortingen die BN heeft gegeven om de totale prijs te laten zakken en zo een aantrekkelijkere contractspartij te worden. BN heeft daarbij als ondernemer een risico genomen, dat zij nu niet op DLV kan afwentelen. BN en DLV hebben namelijk geen voorwaarden verbonden aan het verstrekken van de kortingen en BN kan er dus ook niet op terugkomen. Dat betekent dat deze bedragen niet afgetrokken hoeven te worden van de bespaarde kosten.

Conclusie bespaarde kosten in verband met het overeengekomen werk

In totaal zal € 13.183.580,- aan besparingen in mindering worden gebracht. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

- € 11.312.008,- aan directe kosten en

- € 1.871.572,- aan indirecte kosten

7. Bespaarde kosten in verband met het meer- en minderwerk

In het kader van de eindafrekening moeten bespaarde kosten in relatie tot het meer- en minderwerk in mindering worden gebracht. Ook hier rust op DLV de stelplicht en bewijslast.

In totaal stelt DLV dat er een besparing op het meer- en minderwerk is van € 3.553.980,- (productie G-84 en randnummer 4.49 van de conclusie na tussenvonnis). BN voert verweer en komt op een totale besparing van € 2.400.990,- op het overeengekomen meer- en minderwerk en € 445.087,- op het lopende meer- en minderwerk (E-117 en E-118).

Het overeengekomen en het lopende meer- en minderwerk zijn hiervoor (onder 3. en 4.) besproken. In het navolgende worden alleen de posten besproken die zijn toegewezen en bovenop de aanneemsom komen. Op posten die worden afgewezen kan niets worden bespaard.

De rechtbank neemt bij de beoordeling als uitgangspunt het meer- en minderwerk overzicht van DLV (productie G-84). Alleen de besparingen waarover partijen van mening verschillen worden besproken.

Besparing op de bestekwijzigingen

DLV stelt dat er een besparing op de bestekwijzigingen is van € 1.791.026,-. Dit volgt uit een door DLV opgesteld overzicht van het meer- en minderwerk, inclusief besparingen (G-84). BN betwist de omvang van deze besparing en komt op een besparing van € 1.233.500,- op de overeengekomen bestekwijzigingen en een besparing van € 279.456,- op de niet overeengekomen bestekwijzigingen (E-118). Hierna worden de bediscussieerde bestekwijzigingen besproken.

BW004 en BW004b, PV-panelen op de gevel

DNL stelt dat 47,2% van de overeengekomen panelen niet zijn geplaatst en dat dit leidt tot een besparing van € 364.618,-. Van de montagewerkzaamheden is 40% niet uitgevoerd, hetgeen leidt tot een besparing van € 56.075,-. DLV beroept zich daarbij op tekeningen waar in rood op de gevel is aangegeven welke panelen niet zijn geplaatst.

BN gaat in haar eigen opstelling uit van een besparing van 35% en heeft dit nader onderbouwd met een overzicht waarin de verschillende onderdelen van het werk zijn uitgesplitst. De afbeeldingen van DLV geven weliswaar aan welke panelen zijn geplaatst, maar laten niet zien wat BN heeft gedaan in de werkvoorbereiding en werk ten behoeve van de achter-aansluiting van de panelen op de gevels. DLV heeft dit verweer verder niet weersproken.

De rechtbank volgt de opstelling van BN en de door BN gehanteerde percentages. De daadwerkelijke hoeveelheid aangebrachte panelen zijn niet voldoende bepalend voor het te hanteren besparingspercentage omdat het werk, zoals BN terecht heeft aangevoerd, uit meer bestaat dan de gevelplaten alleen. Dat betekent dat de rechtbank uitgaat van een besparing van € 240.029,- en € 41.007,-.

MM-005a en BW005a, premie CAR-verzekering € 119.112,- en MM-005 Premie CAR-verzekering Homij en Schindler € 82.009,-

Hiervoor onder 3.3.1 is reeds vastgesteld dat DLV opdracht heeft gegeven voor deze aanvullende CAR-verzekering MM-005a en dat de kosten € 119.112,- bedragen. Ook over de kosten van de CAR-verzekering MM-005 zijn partijen het eens. Uit de stukken zijn de standpunten van partijen verder onvoldoende duidelijk, zodat de rechtbank niet kan bepalen in hoeverre BN de premie daadwerkelijk heeft betaald en of er een bedrag moet worden aangemerkt als besparing. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich hierover uit te laten, eerst BN bij akte en vervolgens DLV bij antwoordakte.

BW006a/MM-006a Coördinatie vergoeding (87D)

Hiervoor is onder 3.3.3 geoordeeld dat deze post van € 280.395,- door BN terecht is opgenomen in de eindafrekening onder het overeengekomen meerwerk, omdat vaststaat dat DLV hiertoe opdracht heeft gegeven.

De vraag is of er sprake is van een besparing in verband met de vroegtijdige beëindiging. DLV stelt daarover dat bij vroegtijdige beëindiging ook de werkzaamheden van de nevenaannemers eindigen en dat er alsdan geen coördinatie meer hoeft plaats te vinden. Volgens haar resteert er per 17 maart 2023 nog een verschuldigd bedrag van € 30.076,-.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft BN aangevoerd dat er opdracht voor het werk is gegeven en dat BN daarvoor vergoed moet worden. De rechtbank gaat hier niet in mee. Dat het grootste deel van het overeengekomen verwachtte meerwerk door nevenaannemers niet is uitgevoerd, betekent dat BN ook geen coördinatiewerkzaamheden heeft hoeven verrichten. Voor een vergoeding daarvan is dan geen plaats, zodat de rechtbank met DLV uit zal gaan van een besparing van € 250.319,- (het overeengekomen bedrag aan meerwerk € 280.395,- min het daadwerkelijk verschuldigde bedrag € 30.076,-).

BW010/MM-010 en BW074/MM-074, kozijnen en wijzigen kernkleur keramiek (88D)

DLV stelt dat partijen zijn overeengekomen dat BN zich zou inspannen om in het kader van deze post een bezuiniging te realiseren van € 1.350.000,-. Indien dit niet zou lukken, zouden de meerkosten als meerwerk worden verrekend. BN heeft [bedrijf 5] ingehuurd en DLV bericht dat de gewenste bezuiniging niet is gerealiseerd en dat de uiteindelijke kosten € 5.482.329,- bedroegen. Als gevolg daarvan is een post van € 420.427,- als meerwerk opgenomen. Op enig moment heeft [bedrijf 5] beslag gelegd onder DLV ten laste van BN en is DLV uit de beslagstukken gebleken dat de opdracht aan [bedrijf 5] voor een lager bedrag van € 5.069.011,- is gegeven. Aldus heeft BN DLV onjuist geïnformeerd en is een te hoog bedrag aan meerwerk opgenomen van € 413.318,-.

Ook ten aanzien van de opdracht voor het wijzigen van de kernkleur van het keramiek van de gevel heeft BN volgens DLV ten onrechte een bedrag in het meerwerk opgenomen. Nadat BN van leverancier was gewisseld, kwamen partijen namelijk overeen dat de extra gemaakte kosten met betrekking tot het wijzingen van de kleur, niet in rekening zouden worden gebracht.

Een en ander leidt volgens DLV tot de conclusie dat er ten aanzien van de posten BW010 en BW074 geen sprake is van meerwerk van € 825.042,- (€ 420.427,- + € 404.615,-) maar minderwerk van € 2.149,-.

De rechtbank stelt vast dat de door DLV opgeworpen discussie in het kader van mogelijke besparingen op meer- en minderwerk, feitelijk een betwisting inhoudt van door BN bij DLV in rekening gebracht meerwerk. Ten aanzien van het gevorderde meerwerk rust de bewijslast in beginsel op BN. Omdat DLV haar verweer in het kader van de systematiek van de eindafrekening ten onrechte heeft opgenomen bij de besparingen en BN zich hierover nog niet heeft uitgelaten, krijgt zij de gelegenheid dat alsnog te doen in een nadere akte.

BW078/MM-078, aanpassen wand trappenhuizen (89D)

DLV verklaart dat partijen op verzoek van BN hebben afgesproken dat de wanden van het trappenhuis in metal stud in plaats van kalksteen zouden worden uitgevoerd. DLV heeft niet ingestemd met extra kosten en is daartoe op grond van het bestek (00.02.34.90) ook niet gehouden. DLV brengt in het kader van het bespaarde meerwerk daarom € 205.418,- in mindering op de eindafrekening.

Ook ten aanzien van deze post stelt de rechtbank vast dat de door DLV opgeworpen discussie in het kader van mogelijke besparingen op meer- en minderwerk, feitelijk een betwisting inhoudt van door BN bij DLV in rekening gebracht meerwerk. Ten aanzien van het gevorderde meerwerk rust de bewijslast in beginsel op BN. Omdat DLV haar verweer in het kader van de systematiek van de eindafrekening ten onrechte heeft opgenomen bij de besparingen en BN zich hierover nog niet heeft uitgelaten, krijgt zij de gelegenheid dat alsnog te doen in een nadere akte.

BW81e/MM-081e, wijzigingen gevel (G-90 en E-150)

DLV stelt dat 26% van verschillende werkzaamheden aan de gevel onvoltooid is, hetgeen leidt tot een besparing van € 201.500,-. DLV verwijst daarbij, zonder verdere toelichting, naar de door haar als productie 81 overgelegde “standopname [naam B.V.] ”.

BN betwist dat de besparing 26% bedraagt. Dit percentage is te algemeen omdat het om allerlei verschillende soorten werk gaat. BN legt een overzicht over waar de voortgang van de verschillende werken in een percentage worden uitgedrukt en komt op een besparing van € 74.562,-. De rechtbank zal dit bedrag aanhouden als gerealiseerde besparing nu DLV op zich niet heeft weersproken dat deze post om verschillende onderdelen van de gevel gaat die op zichzelf staan en waarbij de stand van het werk verschilt. Hoe DLV aan het percentage van 26% komt is bovendien onvoldoende duidelijk geworden.

BW166/MM-166, vliesgevels

Gezien hetgeen hiervoor overwogen onder 4.7 neemt de rechtbank deze post voor € 45.000,- mee in de eindafrekening. Volgens BN bedraagt de omvang van het bespaarde meerwerk ten aanzien van deze post 70% zodat de rechtbank uitgaat van een besparing van € 31.500,-.

BW206/MM-206, indirecte kosten verschillende meerwerkposten

DLV stelt dat er een besparing is van € 96.203,-. Als gevolg van de beëindiging is een groot deel van de onderliggende posten niet uitgevoerd. BN heeft in haar in het kader van de mondelinge behandeling overgelegde overzicht een besparing van € 26.509,- opgenomen. Uit dat overzicht begrijpt de rechtbank dat BN de door DLV gehanteerde percentages van gereedheid betwist. Nu DLV zich hier niet verder over heeft uitgelaten zal de rechtbank uitgaan van de door BN opgevoerde besparing.

BW014

De door DLV in haar overzicht (productie G-84) opgevoerde post BW014 (€ 28.955,- ) wordt door haar niet nader toegelicht in de processtukken en door BN betwist. De rechtbank wijst dit bedrag aan besparing af.

MM116a, MM135, MM205a, MM239d

Verder heeft BN in haar overzicht (productie E-118) een besparing opgenomen ten aanzien van post MM-135 van € 71.376,-. Omdat deze post als meerwerk onder 4.3 is toegewezen, zal de rechtbank ook van deze besparing uitgaan. Het voorgaande geldt ook voor de posten MM116a, MM205a, MM239d, die ook onder 4.3 als meerwerk zijn toegewezen. Volgens BN geldt hiervoor een besparing van € 23.894,-, € 14.330,- en € 7.139,- (productie E-118).

Conclusie

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank uitgaan van een totale besparing met betrekking tot het bestek van € 780.665,-.

Besparing op de bouwkundige voorzieningen

DLV stelt dat er een besparing op de bouwkundige voorzieningen is van € 222.625,-. Dit bedrag ziet uitsluitend op het gebruik van liften door BN (G-84). BN betwist deze besparing.

BV 148, gebruik Schindler-liften

DLV stelt dat partijen tijdens de uitvoering van het werk op enig moment zijn overeengekomen dat de Schindler-liften tijdens de bouw door BN mochten worden gebruikt op voorwaarde dat BN het maandelijkse onderhoud van de liften en de herstelkosten voor oplevering zou betalen. DLV brengt hiervoor een bedrag van € 222.625,- in rekening dat zij in het kader van de eindafrekening opvoert als een besparing op de bouwkundige voorzieningen. Het bedrag bestaat voor € 100.000,- uit de kosten voor “gebruik als bouwlift” en voor € 122.626,- als kosten voor “herstel na afloop”.

BN voert aan dat partijen inderdaad hebben afgesproken dat BN de liften mocht gebruiken, mits zij onderhoud en herstel zou vergoeden. BN stelt evenwel dat zij hierover een overeenkomst met Schindler heeft gesloten en aan Schindler heeft betaald. Voor BN is niet duidelijk welke kosten DLV meent in rekening te kunnen brengen.

Partijen zijn het erover eens dat BN de liften van Schindler mocht gebruiken als zij het onderhoud en herstel zou vergoeden. Het is de rechtbank in dit stadium niet duidelijk welke partij (DLV of BN) de rekening(en) van Schindler heeft betaald. DLV zal - gelet op haar stelplicht en bewijslast - als eerste de gelegenheid krijgen om op dit punt een nadere toelichting te geven, onder overlegging van betaalbewijzen. Daarna zal BN daarop mogen reageren.

BV-162 en BV-116, draingoot en putjes en freeswerk

BN voert in haar eindafrekening ter zake van deze twee posten een besparing op van € 19.969,- en € 13.536,-. DLV heeft zich hier verder niet over uitgelaten, zodat de rechtbank deze posten als besparing op overeengekomen meer- en minderwerk zal opnemen in de eindafrekening.

BV-173, kosten bouwwarmte

BN voert een post van € 165.632,- als besparing op. Hiervoor is onder 4.18.3 bepaald dat een beslissing ten aanzien van de door BN in het meerwerk opgevoerde post van € 287.475,- in relatie tot de bouwwarmte zal worden aangehouden totdat de rechtbank een beslissing zal geven over de vertragingsschade. Aldus geldt dit ook voor de opgevoerde besparing en wordt de vraag of er sprake is van een besparing eveneens aangehouden.

Conclusie:

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank op dit moment uitgaan van een totale besparing met betrekking tot de bouwkundige voorzieningen van € 33.536,- (€ 19.969,- en € 13.536).

Besparing op de stelposten

DLV stelt dat er een besparing op de stelposten is van in totaal € 1.540.329,- (G-84). BN betwist de omvang van de besparing en komt in haar eigen afrekening op een besparing van € 1.198.806,- (E-117). Partijen verschillen met name van mening over de besparingen op de groene gevels, de balustrades en de keukens in de appartementen.

SP01 groene gevels (G-109 en E-144)

DLV stelt dat uit de opname door [naam 3] en foto’s van de gevel blijkt dat 47% van de groengevel niet is uitgevoerd, hetgeen neerkomt op een besparing van € 112.380,-. BN betwist dat er sprake is van een besparing op het totale bedrag van € 239.104,- en beroept zich daarbij op een rapport van de Hanselman Groep die op verzoek van BN de stand van dit werk heeft onderzocht.

De rechtbank stelt vast dat ook de deskundige van BN uitgaat van een besparing. Volgens de Hanselman Groep is de groengevel voor 75% gereed (en dus niet 100% waar BN in haar eindafrekening vanuit gaat). De Hanselman Groep constateert net als DLV dat de beplanting voor 50% is aangebracht, maar dat de aluminium achter-constructie helemaal klaar is. DLV betwist dat de constructie af is en verwijst daarbij naar foto’s. Ook stelt zij dat de kosten van de achter-constructie veel lager zijn dan de kosten van de planten. De rechtbank gaat hieraan voorbij. DLV geeft niet aan om welke foto’s in de door haar genoemde productie het gaat, noch hoe daarop kan worden waargenomen dat de constructie niet af zou zijn. Dat de kosten van de achter-constructie minder zijn dan die van de planten wordt niet met cijfers onderbouwd, noch wordt aangegeven op welke wijze dit kostenverschil in de berekening moet worden betrokken.

De rechtbank volgt de deskundige van BN en gaat uit van een besparing van 25% en daarmee een bedrag van € 59.776,-.

SP07c, houten balustrade (G-110 en E-152)

Voor het aanbrengen van balustrades in een aantal trappenhuizen is op 23 december 2022 aan BN een opdracht verstrekt ter waarde van € 783.828,-. DLV stelt dat nu de werkzaamheden slechts in beperkte mate zijn uitgevoerd, een besparing van € 733.828,- redelijk is. BN heeft alleen voorbereidende werkzaamheden verricht en een steiger opgebouwd. Die kosten schat DLV inclusief opslagen afgerond op € 50.000,-.

BN gaat in haar eindafrekening uit van een besparing van € 563.445,-. Zij beroept zich daarbij op de door DLV ondertekende uitsplitsing van werkzaamheden bij de offerte waarop ze per post heeft aangegeven welke kosten wel en niet zijn gemaakt. Volgens BN bedraagt de waarde van de wel verrichte werkzaamheden € 220.383,-. Blijkens het overzicht van BN zien de gemaakte kosten met name op arbeidsloon, huur, levering en installatie van de steigers.

In haar reactie op het verweer van BN, gaat DLV voor wat betreft het steigerwerk uit van € 25.000,- aan gemaakte kosten. Hoe zij aan dit bedrag komt wordt verder niet toegelicht en de opstelling van BN wordt niet weersproken.

Gezien het voorgaande volgt de rechtbank het standpunt van BN en wordt uitgegaan van een besparing van € 563.445,-.

SP35, levering en montage keukens appartementen (E-111)

BN heeft opdracht gekregen om 317 keukens te plaatsen voor een bedrag van € 505.517,-. DLV stelt dat BN slechts één keuken heeft geplaatst ter waarde van € 5.517,-, zodat er € 500.000,- is bespaard. BN begroot de besparing op € 443.609,- BN voert aan dat zij de volledige directe kosten als besparing opneemt en aanspraak behoudt op de algemene kosten, winst en risico.

Uit hetgeen hierna onder 10.4 wordt besproken volgt dat BN ondanks de bespaarde werkzaamheden haar aanspraak behoudt op winst en risico. De rechtbank gaat daarom uit van het door BN genoemde bedrag van € 443.609,- als besparing met betrekking tot de levering en montage van de keukens.

SP07b, SP08, SP15, SP25, SP30, overige besparingen

Ten aanzien van post SP07b voert DLV een besparing op van € 20.856,- en BN een besparing van € 18.487-,. Nu DLV haar hogere besparing niet nader heeft toegelicht, hetgeen wel op haar weg had gelegen, zal de rechtbank uitgaan van het door BN genoemde bedrag.

Over de overige posten zijn partijen het eens, zodat ook de rechtbank uit zal gaan van de bij die posten genoemde besparingen. De besparing op de stelposten bedraagt daarmee € 1.258.582,- (€ 1.198.806,- + € 59.776,-).

Conclusie:

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank uitgaan van een totale besparing op de kosten in verband met meer- en minderwerk van € 2.072.783,-. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

- € 780.665,- aan besparing bestekwijziging,

- € 33.536,- aan bespaarde bouwkundige voorzieningen,

- € 1.258.582,- aan bespaarde kosten op de stelposten.

8. Bespaarde herstelkosten

Partijen zijn het er over eens dat het door BN verrichte werk gebreken vertoont die BN had moeten verhelpen als de aannemingsovereenkomst tot een oplevering had geleid. Door de beëindiging in onvoltooide staat vervalt de verplichting die gebreken te verhelpen. Daardoor bespaart BN kosten van herstel. Partijen zijn het echter oneens over de omvang van die besparingen. De rechtbank bespreekt de hierbij over en weer aangevoerde argumenten. DLV draagt de stelplicht en bewijslast voor de aanwezigheid en de omvang van de gebreken en de omvang van de bespaarde herstelkosten. De verschillende gestelde gebreken worden hierna afzonderlijk besproken in de volgorde en onder de omschrijving zoals gebruikt in productie E-142.

BN onderbouwt in randnummers 5.70 t/m 5.72 en productie G-119 de in haar ogen bespaarde kosten voor herstel van de gebreken. BN komt in totaal op een besparing van € 280.143,35. DLV heeft een eigen analyse gemaakt van de besparingen voor BN inzake de herstelkosten. DLV komt uit op een veel hoger bedrag aan bespaarde herstelkosten: € 4.544.471,-.

Diversen

Productie G-112 bevat een opsomming van diverse gebreken. DLV stelt in haar Conclusie na tussenvonnis tevens houdende eiswijziging met producties 80 t/m 144, randnummer 4.52 : “Voor zover DLV hierna niet afzonderlijk ingaat op een gebrek en geen separaat memo van BBN overlegt, geldt de reactie van BBN namens DLV zoals die blijkt uit productie 112. DLV reageert daarmee op productie 119 zijdens BN.”

BN is van mening dat er geen herstelkosten zijn, zoals blijkt uit productie E-119; DLV begroot deze op € 4.950.

Het is de rechtbank onduidelijk welke gebreken dit concreet zijn. Deze post zal daarmee als onvoldoende onderbouwd buiten de berekening worden gelaten.

Memo BBN Post Sch03 waterschade betonsparingen 3e verdieping

BN heeft de schade op basis van de rapportage van Hanselman begroot op

€ 2.783,-. DLV begroot deze onder verwijzing naar productie G-113 op € 4.950,-. In genoemde productie staat: “Het eindresultaat na herstel van de geboorde gaten in de anhydrietvloer is door CBB nog niet beoordeeld. Hier volgen mogelijk kosten uit, deze komen voor rekening BN.”

Voor het waterschade waar het hier om gaat geldt dat het eindresultaat beoordeeld

zal moeten worden en dus welke kosten moeten worden gemaakt om een eventueel gebrekkig eindresultaat te herstellen. De rechtbank zal ter beoordeling van de aanwezigheid van gebreken en de kosten van herstel een deskundige benoemen, omdat dit aan de hand van het dossier niet beoordeeld kan worden en hiervoor feitelijk onderzoek ter plaatse nodig is. Deze waterschade zal ook behoren tot de door de deskundige te beoordelen gestelde gebreken.

De deskundige zal moeten inschatten welke kosten BN als aannemer heeft bespaard doordat zij het herstel niet behoeft uit te voeren, niet welke kosten DLV zal moeten maken om het herstel door een derde te laten uitvoeren. Dat geldt voor alle gestelde schadeposten in dit hoofdstuk die aan het oordeel van een deskundige zullen worden onderworpen. De stelling van BN dat daarbij moet worden uitgegaan van de prijzen in de inschrijfbegroting wordt echter verworpen. Er dient bij de berekening uit te worden gegaan van de situatie dat BN de schade nu zou herstellen, daarom dient bij de bepaling van de schade het huidige prijspeil te worden gehanteerd.

Memo BBN Post Sch04 Nat geworden HWC plafondplaten, verdieping ‐1 en ‐2

BN begroot de herstelkosten naar aanleiding van het rapport van Hanselman op

€ 16.056,70, volgens DLV bedragen deze € 114.300,-. Partijen zijn het er wel ongeveer over eens hoeveel platen zijn aangetast, maar verschillen van mening over de benodigde herstelwerkzaamheden en dus over de herstelkosten. Volgens DLV moeten veel meer platen vervangen worden dan volgens BN, en volgens DLV rekent BN veel te lage prijzen voor de verschillende werkzaamheden en heeft zij geen rekening gehouden met verwijderingskosten.

DLV heeft voldoende gesteld dat hier sprake is van een mogelijk gebrek. De

rechtbank kan aan de hand van het dossier niet vaststellen of er daadwerkelijk sprake is van een gebrek en dus zal een deskundige dat na onderzoek ter plaatse moeten beoordelen. De te benoemen deskundige zal de kosten van herstel moeten begroten.

Om onnodige herhalingen te voorkomen zal hierna in soortgelijke gevallen als

DLV voldoende heeft gesteld om aan te kunnen nemen dat mogelijk van een gebrek sprake is en onderzoek door een deskundige noodzakelijk is, slechts worden vermeld wat de deskundige zal moeten beoordelen.

Memo BBN Post Sch05 waterschade kalkzandsteenwanden, verdiepingen ‐1 en ‐2

Dit gaat om aantasting van de kalkzandsteenwanden van de beide

kelderverdiepingen door regenwater. BN begroot de herstelkosten naar aanleiding van het rapport van Hanselman op € 1.047,75, bestaande uit kosten voor drogen en licht schuren. Volgens DLV is dat onvoldoende om het werk op opleverniveau te krijgen.

In productie G-115 heeft DLV de volgens haar noodzakelijke

herstelwerkzaamheden toegelicht. De kosten van het herstel worden daarin begroot op € 15.840,-. Met de daarin opgenomen uitgebreide uiteenzetting van de benodigde werkzaamheden heeft DLV voldoende onderbouwd dat slechts drogen en licht schuren onvoldoende is om de schade aan de kalksteenwanden te herstellen. Voor de herstelkosten van de waterschade zal daarom worden uitgegaan van het DLV gestelde bedrag van € 15.840,-.

Memo BBN Post Sch6 en 7 vloerluiken verkeerde hoogte en verkeerde positie

Tussen partijen is niet in geschil dat het een gebrek betreft. BN begroot de

herstelkosten op € 1.125,-, volgens DLV bedragen deze € 28.280,-. DLV heeft de volgens haar noodzakelijke werkzaamheden toegelicht in productie G-117. BN voert aan dat een onderbouwing van de kosten ontbreekt.

De rechtbank acht de in productie G-117 gegeven opsomming van te verrichten werkzaamheden een voldoende onderbouwing van de schatting van de kosten. Voor de kosten van herstel van de vloerluiken zal daarom uitgegaan van het door DLV gestelde bedrag van € 28.280,-.

Memo BBN Post Sch8 en 9 verankering en aansluiting gibowanden

Volgens DLV zijn de gibowanden op de 9e t/m de 20e verdieping met te weinig

veerankers bevestigd aan de plafonds. Dit blijkt uit productie G-116. Volgens BN is het gebrek verholpen en zijn er geen herstelkosten; BN verwijst naar productie E-157. Daarin heeft [naam 4] (GST Afbouw Volendam B.V. en [bedrijf 6] B.V.) het volgende geschreven: “Wij hebben een controleronde gedaan ivm met de verankeringen in de gibowanden. Deze zijn overal juist aangebracht (hier kan soms 20cm meer tussen zitten). Vaak worden de ankers aan 1 kant uitgezaagd, dus is niet altijd te zien aan beide wandzijden. Zie bijgaande foto’s gemaakt op verschillende verdiepingen. Wij geven hier gewoon volledige garantie op.”DLV stelt dat het gebrek aanvankelijk is erkend en dat BN tot herstel wilde overgaan, maar dat zij daar nu op terugkomt. Volgens DLV bedragen de bespaarde herstelkosten € 60.000,-.

De te benoemen deskundige zal moeten vaststellen of hier sprake is van een gebrek

en zo ja wat de bespaarde kosten van herstel zijn.

Memo BBN Post Sch10 Vlakheid dekvloeren 3e t/m 30e verdieping

Het gaat hier om de dekvloeren; deze moeten voldoende vlak zijn om de

vloerbedekking te kunnen aanbrengen. Zij moeten voldoen aan vlakheidsklasse 3 (NEN 2747-01) conform bestekparagraaf 42.32. BN begroot de herstelkosten op € 2.408,-, volgens DLV bedragen deze € 245.280,-. DLV baseert zich op een in het geding gebrachte “indicator vloervlakheid” (productie G118). De aanwezige bulten dienen geschuurd te worden, de kuilen opgevuld en de vloeren dienen geëgaliseerd te worden om tot het overeengekomen vlakheidsniveau te komen, aldus DLV. BN wijst erop dat de indicator vloervlakheid uitdrukkelijk vermeldt dat deze niet geschikt is voor het beoordelen van de vloervlakheid volgens de NEN2747.

De rechtbank acht met de “indicator vloervlakheid” niet bewezen dat de vloer niet voldoet aan de norm NEN 2747, maar deze is daarvoor wel een aanwijzing. De te benoemen deskundige zal moeten onderzoeken of hier sprake is van gebreken. Als dat het geval is zal de deskundige de bespaarde kosten van herstel moeten begroten.

Memo BBN Post Sch12 loskomend stucwerk hotelkamers 4e t/m 7e verdieping

Niet in discussie is dat er gebreken zijn aan dit stucwerk en dat het opgestelde herstelplan moet worden uitgevoerd. BN begroot de herstelkosten op € 100.000,-, gebaseerd op de prijzen als genoemd in de inschrijfbegroting, maar de kosten bedragen volgens haar in ieder geval niet meer dat de prijs die haar onderaannemer heeft opgegeven: € 205.261,- (productie E-158) en die gedetailleerd is onderbouwd. Volgens DLV bedragen de kosten € 302.948,-. Zij baseert zich daarbij op het herstelplan van BN (productie G119). Over de kosten van het herstel van het stucwerk zegt G-119: “Er is geen discussie over het aangebracht stucwerk, echter rekent BN te weinig kosten voor het herstelwerk vindt DLV”. DLV heeft over de offerte van de onderaannemer verder opgemerkt dat daarin geen rekening is gehouden met verschillende posten die wel bij herstel horen zoals verwijderen en afvoeren van het oude stucwerk, het grove afplakwerk, schoonmaak van ruimten en installaties, begeleiding vanuit de hoofdaannemer tijdens de uitvoering en inspecties achteraf.

Vastgesteld wordt dat productie E-158 een offerte bevat van Stucadoorsbedrijf BGI met daarin een uitgebreide opsomming van de herstelwerkzaamheden en de daaraan verbonden kosten. De door DLV overgelegde productie G-119 bevat een dergelijke uitgebreide opsomming niet. Onduidelijk is daardoor hoe DLV tot het bedrag van € 302.948,- komt. DLV heeft daarmee onvoldoende onderbouwd dat het door BN gestelde bedrag aan herstelkosten onjuist is. De rechtbank zal daarom met betrekking tot het stucwerk uitgaan van de door BN gestelde bespaarde herstelkosten van € 205.261,-.

Memo BBN Post Sch12 diverse lekkages

Dit gaat om diverse lekkages in de kelder, op de begane grond, op de 14e en de 30e verdieping. Volgens BN zijn er hier geen lekkages; zij verwijst naar productie E-159. Volgens BN baseert DLV zich op verouderde foto’s. DLV stelt dat er lekkages zijn en dat de bespaarde herstelkosten € 20.000,- bedragen. Zij verwijst naar de onderbouwing in productie G-120, waar echter een bedrag van € 6.290,- is genoemd als geschatte kosten.

Of de lekkages (nog) aanwezig zijn kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld. De deskundige zal dit moeten onderzoeken. Het in productie G-120 genoemde bedrag wijkt af van het door DLV in haar akte gestelde bedrag van € 20.000,-. De rechtbank draagt DLV niet op dit verschil toe te lichten, omdat het in ieder geval nodig is dat de deskundige (als er lekkages blijken te zijn) de herstelkosten begroot en de inschatting van partijen daarvoor niet bepalend is.

Memo BBN Post Sch13 scheurvorming kelder ‐2

Deze gestelde schade betreft scheurvorming in de vloer van de parkeerkelder; uit de scheuren komt water naar boven. Volgens DLV bedragen de bespaarde herstelkosten € 22.000,-. DLV verwijst naar productie G-121. Daarin is vermeld dat op 19 januari 2023 scheurvorming in de vloer van de parkeerkelder is geconstateerd. Plaatselijk is een natte plek zichtbaar. Daarvan is een foto gemaakt. Dit gebrek is door CBB nog niet goed onderzocht. De gestelde schade is een schatting.

BN heeft gesteld dat de schade door Nebest is onderzocht en dat Nebest adviseert

de scheuren te injecteren, kosten maximaal € 9.600,-. BN verwijst naar productie E-169. Daar is vermeld:Afhankelijk van de diepte van de scheur en de hoeveelheid injectiemateriaal, zullen de kosten voor injecteren van de scheuren in beton circa € 1.300,00 tot € 1.600,00 exclusief btw per dag bedragen (injecteur/injecteerder met bus, materieel en materiaal). Gemiddeld wordt er 4 m op een dag geïnjecteerd. Ingeschat wordt dat een injecteur/injecteerder circa 6 dagen bezig zal zijn. Aangezien er een vloerdikte van circa 150 cm aanwezig is, zal een injectie langer kunnen duren, maar dit wordt niet verwacht.

Partijen zijn het er over eens dat sprake is van een gebrek. Tegenover de door Nebest gegeven onderbouwde begroting zoals door BN in het geding gebracht staat van de kant van DLV alleen een niet onderbouwde schatting van de kosten. Zij heeft de begroting van Nebest niet gemotiveerd betwist. De rechtbank gaat daarom uit van bespaarde kosten tot een bedrag van € 9.600,-.

Memo BBN Post Sch15 MS wanden dagkanten

BN begroot de herstelkosten op € 941,60 (productie E-160), volgens DLV bedragen deze € 39.200,-. DLV verwijst naar productie G-122. Hieruit blijkt zoals ook ter zitting vermeld dat BN een herstel voorstelt door bredere kozijnarchitraven toe te passen. DLV vindt dat een lapmiddel, zij gaat uit van een herstelplan waarbij de metal stud-wanden ter plaatse worden vervangen zodat deze netjes aansluiten op de deurkozijnen.

De rechtbank behoeft hier het oordeel van de deskundige over de vraag of de door BN voorgestelde aanpak acceptabel is, dan wel de door DLV gewenste aanpak aangewezen is en wat de bespaarde kosten van herstel zijn.

Memo BBN Post Sch16 verkeerd aangebrachte balkonankers

Tussen partijen is niet in geschil dat ongeveer 3.500 stuks balusterankers verkeerd zijn uitgevoerd. In plaats van roestvrijstalen ankers zijn thermisch verzinkte ankers toegepast. BN heeft blijkens productie G-123 aan de hand van het advies van een onafhankelijke specialist (Nebest) de volgende oplossing aangedragen. “Aangezien Nebest een levensduur verwacht van 24 tot 71 jaar en een levensduur vereist is van 50 jaar, hebben wij aangeboden om na 20 jaar op onze kosten de balkons te inspecteren en, indien nodig, onderhoud uit te voeren.”BN neemt als besparing € 10.000,- op. DLV heeft dit voorstel niet aanvaard. Zij stelt dat de levensduur van de verankering dan niet 50 jaar is gegarandeerd en veiligheidsrisico's kunnen optreden. Vervanging is volgens DLV nodig. Zij becijfert de besparing op € 1.748.500,-. DLV baseert zich op een advies [naam 2] Ingenieurs ( [naam 5] ) van oktober 2023.

Volgens BN is het door [naam 2] voorgesteld herstel niet haalbaar. Inmiddels

(in februari 2024) heeft Nebest een nieuw rapport gemaakt over de theoretische levensduur van de toegepaste ankers, waarvan de conclusie als volgt luidt. “Op basis van de theoretische levensduurberekening is vastgesteld dat de theoretische levensduur van de andere toegepaste ankers, bestaande uit DEMU-staafankers type 4010 FV en verzinkte M16 bout, een theoretische levensduur van minimaal 87 jaar hebben. Hierbij is aangenomen dat deze ankers ontworpen zijn met een veiligheidsfactor van 2,86 en dat de ankers onderhevig zijn aan de hoogste corrosiesnelheden van corrosieklasse C3. Deze berekende theoretische levensduur is langer dan de vereiste minimale levensduur van 50 jaar.” (Productie E-162)

De rechtbank begrijpt het standpunt van BN zo dat zij inmiddels stelt dat geen sprake is van een gebrek.

DLV stelt dat het recente rapport van Nebest uitgaat uit van allerlei aannames

(veiligheidscoëfficiënt) die helemaal niet zijn vastgesteld. Bovendien gaat Nebest uitsluitend uit van de bout en niet van de schroefhuls, en juist die schroefhuls is nu al aan het roesten. Die roestvorming tast de schroefdraad in de schroefhuls (waarin de bout vastzit) aan en drukt de huls ook los van het beton, hetgeen leidt tot zeer onveilige situaties.

DLV heeft het rapport van Nebest gemotiveerd betwist. De deskundige zal moeten

beoordelen of hier sprake is van een gebrek en zo ja wat de bespaarde kosten van herstel zijn.

Memo BBN Post Sch17 sleuven slijpen in beton plafonds woningen

Dit betreft sleuven in het plafond van een dertigtal woningen, die hersteld moeten worden. BN rekent geen besparing voor dit gebrek. BBN komt op € 34.480,-. Zij verwijst naar productie 124, die echter alleen in de titel refereert aan sleuven in plafonds, maar overigens daar niet over gaat, maar over het al dan niet wind- en waterdicht zijn van het gebouw. Ook genoemd bedrag is daar niet te vinden. DLV heeft daarmee onvoldoende onderbouwd dat BN op dit punt kosten van herstel heeft bespaard.

Memo BBN Post Sch18 Magnelis coating kwaliteit ongeïsoleerde stalen frames gevelvlak 10‐2 en 11‐2

De coating van de stalen frames aan de zuidgevel is onvoldoende dik uitgevoerd. Tussen partijen staat vast dat sprake is van een gebrek. BN heeft voorstellen gedaan voor herstel, maar die zijn door DLV afgewezen. BN rekent met een besparing van € 36.450,-, terwijl BBN uitkomt op € 155.313,-. Blijkens productie G-125 is volgens DLV een andere aanpak van het herstel nodig dan volgens BN. In productie E-163 heeft BN de kostenbegroting van DLV becommentarieerd.

De deskundige zal moeten beoordelen of de door BN voorgestelde aanpak acceptabel is, dan wel de door DLV noodzakelijk geachte aanpak aangewezen is en wat de bespaarde kosten van herstel zijn.

Memo BBN Post Sch19 zwarte schroeven gevel tussen 3e en 14e

In strijd met de mock up van de gevel zijn deels rvs schroeven gebruikt in plaats van zwarte schroeven. Een gedeelte van de gevel is wel met zwarte schroeven uitgevoerd, zodat sprake is van esthetisch verschil. DLV berekent de bespaarde kosten van herstel op € 29.400,-. BN stemt daarmee in, zodat ook de rechtbank hiervan uit zal gaan.

Memo BBN Post Sch20 dilatatie vloer t.p.v. hotel‐ en woningentree

Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een gebrek. BN rekent een besparing van € 1.204,-, gebaseerd op 1 manuur per verdieping. BBN komt uit op € 84.035,- aan bespaarde kosten. Uit productie G-127 blijkt dat volgens DLV een andere aanpak van het herstel nodig is dan volgens BN. BN wijst erop dat de gestelde herstelkosten het zevenvoudige bedragen van de oorspronkelijke opdracht.

De deskundige zal moeten beoordelen of de door BN voorgestelde aanpak acceptabel is, dan wel de door DLV gewenste aanpak aangewezen is en wat de bespaarde kosten van herstel zijn.

Memo BBN Post Sch21 vensterbanken

Volgens DLV gaat het hier om ontbrekende of beschadigde vensterbanken en is

tussen partijen niet in geschil dat sprake is van een gebrek. BN rekent op basis van het rapport van Hanselman met een besparing van € 28.382,-, terwijl BBN uitkomt op € 96.950,- aan bespaarde kosten. DLV verwijst naar productie G-128, waar is vermeld dat het gaat om ontbrekende vensterbanken, schade of niet netjes aangebrachte vensterbanken en over de dikte van de vensterbanken. Over dat laatste wordt het volgende vermeld. “BN past vanaf halverwege de 9e verdieping vensterbanken van 15mm dikte toe. Het vermoeden bestaat bij CBB dat het aanlopen van de draaiende delen de reden is van de switch van 20 naar 15 mm. CBB is niet betrokken in de besluitvorming om de overstap van 20 naar 15 mm te maken. Op de tekeningen van IBS staat 15 mm aangegeven voor de vensterbanken. Dit zijn echter geen bestekstukken. BN geeft aan dat zij de details van IBS aanhouden. (…)Plan van aanpak: Als eerste moet overeenstemming bereikt worden over de dikte van de toe te passen vensterbanken (bestek vs tekeningen IBS). Dan dient er naar de overgangsverdieping gekeken te worden. Is het akkoord dat er op een verdieping twee diktes zijn toegepast? Verschillende diktes in één appartement is in geen geval acceptabel. Herstelkosten zijn voor BN, inventarisatie heeft nog niet plaatsgevonden.”

Het bedrag aan bespaarde herstelkosten dat DLV stelt is mede gebaseerd op de

veronderstelling dat 600 meter aan vensterbanken een verkeerde dikte heeft (15 mm i.p.v. contractueel 20 mm) en dus vervangen moet worden. Daarnaast is volgens DLV ongeveer 240 meter aan vensterbanken niet netjes aangebracht (te veel toleranties en/of schade), zodat in totaal 840 meter aan vensterbanken vervangen moet worden.Volgens DLV heeft BN in de begroting van bespaarde kosten geen rekening gehouden met vervanging van vensterbanken met onjuiste dikte en vergeet zij de kosten van mortel, lijm, primer, afstandshouders, kitvoeg, stucwerk en verstekhoeken.

Wat de dikte van de vensterbanken betreft gaat de rechtbank ervan uit dat BN behoort te bouwen overeenkomstig het bestek, tenzij daarvan in onderling overleg is afgeweken. Dat is hier niet het geval. Vervolgens is de vraag wat de kosten zijn van herstel van het plaatsen van de verkeerde maat vensterbanken en van het herstel van beschadigde of niet goed (recht) geplaatste vensterbanken. Geoordeeld wordt dat DLV met productie G-128 voldoende heeft onderbouwd dat de op dit punt voor BN bespaarde herstelkosten € 96.950,- bedraagt.

Memo BBN Post Sch23 gevel keramiek kleurverschil

Volgens BN is van kleurverschil geen sprake, zij heeft gewezen op foto’s waarbij keramiek van de gevel naast de mock up gehouden is. Door de wijze van lichtinval (de tegels zijn onder hoeken gemonteerd) zijn de kleurverschillen die er van veraf leken te zijn van dichtbij niet zichtbaar. DLV stelt dat zowel de architect als de gemeente wel een onacceptabel kleurverschil zien. Zij verwijst naar productie G-129. Daarin is niet te vinden dat de gemeente daarover een opmerking heeft gemaakt maar wel dat de bouwdirectie daarover in een memo van 22 december 2022 heeft opgemerkt:“5. Kwaliteitsborging keramiek NBK.Het lukt BN / NBK niet om een simpele vraag afdoende te beantwoorden. Per reactie ontstaat er nieuwe verwarring en onduidelijkheid. Het manifesteert zich nu ook in de uitvoering. Zichtbaar zijn te opvallende kleurverschillen. NBK reageert daar erg traag op, een afspraak maken duurt al weken en te lang”Volgens DLV zal circa 15% van het aangebrachte kramiek vervangen moeten worden en bedragen de bespaarde herstelkosten € 952.200,-. BN vindt dat dat bedrag in ieder geval onvoldoende is onderbouwd.

De te benoemen deskundige zal moeten beoordelen of van een onacceptabel

kleurverschil sprake is en zo ja wat de bespaarde kosten van herstel zijn. Daarbij gaat het om de kleur zoals die van dichtbij zichtbaar is; dat er door reflecties of verschillen in lichtinval verschillen in kleurwaarneming vanaf een afstand kunnen optreden is inherent aan het ontwerp en de materiaalkeuze van de architect en komt niet voor rekening van de aannemer.

Memo BBN Post Sch25 toilet plateauhoogte

DLV stelt dat BN het tegelwerk in de toiletten tot aan de 15e verdieping heeft doorgezet tot 1,40 meter hoogte. Met de belegger die de woningen van DLV heeft gekocht is echter een hoogte van 1,20 meter overeengekomen. Volgens DLV heeft BN gehandeld in strijd met haar herhaalde instructies. DLV verwijst naar productie G-130. Daar is het volgende vermeld: “Ondanks herhaalde instructies heeft BN het tegelwerk in de toiletten tot aan de 15e verdieping doorgezet tot 1,40m hoogte in plaats van de door R&OV gewenste 1,20m. De kans bestaat dat R&OV niet akkoord gaat met daze afwijkende hoogte en dat er gesloopt moet worden.”DLV begroot de bespaarde herstelkosten op € 67.672,-.

Volgens BN heeft zij in opdracht van DLV het tegelwerk in de toiletten uitgevoerd van de 9e t/m 14e verdieping tot 1,40 meter hoogte en van de 15e t/m 30e verdieping tot 1,20 meter hoogte. Dit is verrekend in het meer-en minderwerk. Dat blijkt volgens haar uit een e-mail van 27 oktober 2022 17:45 van [naam 6] (BBN) aan [naam 7] en [naam 8] (BN) (productie E-166), waar het volgende staat:“Toiletten: Hoogte tegelwerk: Gemakshalve van 9 tot en met 14 tot 1.400 en 15 tot en met 30 tot 1.200. Hoogte 1.200 scheelt: 4 m1 x 0,20 x 188 = 150,4 m2 x 18,86 = 2.836. 188 x 8 x 0,30 x 0,6 = 270 m2 x 25 = 6.750.”Van een gebrek is volgens BN geen sprake.

Uit het aangehaalde mailbericht kan worden afgeleid dat BBN namens DLV akkoord is gegaan met het handhaven van de hoogte van 1,40 meter (‘gemakshalve’) in de verdiepingen 9 tot en met 14 en dat vanaf de 15e verdieping werd overgegaan op een hoogte van 1,20 meter, wat een besparing opleverde. Al met al is onvoldoende onderbouwd dat op BN een plicht rust de tegelhoogte te wijzigen van 1,40 in 1,20 meter. De rechtbank zal er daarom vanuit gaan dat hier geen sprake is van bespaarde herstelkosten.

Memo BBN Post Sch27 ritssluiting

Ten behoeve van het functioneren van de bouwlift is in de noordgevel van het gebouw een strook van de gevel opengelaten. Dit heeft tot gevolg dat diverse werkzaamheden moeten worden verricht ter hoogte van die zogenoemde ritssluiting. De kosten daarvan bedragen volgens DLV € 62.000,-. DLV verwijst naar productie G-131. Volgens BN zijn er geen bespaarde herstelkosten maar zijn de nog te verrichten werkzaamheden meegenomen in de waardebepaling / percentage gereed van GTU.

Het standpunt van BN is juist. Het gaat niet om herstel van gebreken in al verrichte

werkzaamheden, maar om werkzaamheden die voortvloeien uit het verwijderen van de bouwlift tegen het einde van de werkzaamheden. De werkzaamheden kunnen pas daarna worden verricht. Dus is geen sprake van bespaarde herstelkosten.

Memo BBN Post Sch28 vlakheid wanden gangen woningen 9e t/m 30e

Deze schadepost betreft de vlakheid van de wand in de gangen van de 9e t/m de 30e verdieping. DLV verwijst naar productie G-132, waar staat dat in de wanden nu vervelende wisselingen zichtbaar zijn met terugliggende wandvlakken. Dit wijkt volgens DLV af van de contracttekeningen. BN betwist dat van een gebrek sprake is; dit blijkt niet uit de overgelegde foto. Volgens BN zijn er dus geen bespaarde herstelkosten, volgens DLV bedragen deze € 23.400,-.

De te benoemen deskundige zal moeten beoordelen of van een te herstellen gebrek sprake is en zo ja, wat de bespaarde herstelkosten zijn.

Memo BBN Post Sch29 opname hotelkamers € ‐10.922 € ‐71.120 € ‐60.198

In opdracht van DLV is in september 2022 een opname gemaakt van enige hotelkamers op de verdiepingen 6 en 7. Ook BN heeft een opname gemaakt van een hotelkamer. Beide opnamen zijn vervolgens geëxtrapoleerd naar alle 250 hotelkamers. Tussen partijen is niet in geschil dat er nog herstelwerkzaamheden in de hotelkamers te verrichten zijn, maar wel hoeveel werk er nog moet gebeuren en wat de bespaarde kosten zijn die daarmee gemoeid zijn; volgens BN € 10.922,- en volgens DLV € 71.120,-.

De te benoemen deskundige zal moeten bepalen hoeveel herstelwerkzaamheden in

de hotelkamers moeten worden verricht en wat de bespaarde totale herstelkosten zijn. Het staat de deskundige daarbij vrij de omvang van de gebreken en de herstelkosten in navolging van partijen te schatten op basis van een steekproef.

Memo BBN Post Sch30 stucwerk gangen hotel

Deze schadepost betreft volgens DLV ondeugdelijk stucwerk in de gangen van de hotelverdiepingen 3 t/m 7. BBN schat de bespaarde kosten op € 29.025,-. Het betreft een schatting omdat de opname van [naam B.V.] onvoldoende inzicht geeft in de kwaliteit van het stucwerk en DLV niet tot het werk is toegelaten.Volgens BN is dit geen te herstellen gebrek. Nadat de foto’s waar DLV naar verwijst zijn gemaakt (april 2022), zijn er nog werkzaamheden verricht. Daarnaast is het zo dat de foto’s voor een deel niet zijn gemaakt in de gangen, maar in de hotelkamers.

De te benoemen deskundige zal moeten beoordelen of van een te herstellen gebrek

sprake is en zo ja, wat de bespaarde herstelkosten zijn.

Memo BBN Post Sch35 dilataties wanden algemene ruimtes/gangen waar werkzaamheden gereed zijn

Volgens DLV ontbreken dilataties in wanden van de algemene ruimtes en gangen op de verdiepingen 2 t/m 22. DLV verwijst naar productie G-136, maar bedoeld zal zijn G-135. Daar is het gestelde gebrek als volgt toegelicht: “Indien wanden van verschillende materialen samen komen is het gebruikelijk een dilatatievoeg toe te passen. Volgens het bestek dient BN een werkplan te maken m.b.t. dilataties in de wanden. BN heeft dit niet gemaakt en aangegeven bij de overgangen tussen verschillende materialen een gaasband toe te passen. Een zeer ongebruikelijke werkwijze. Het is dan niet de vraag of er scheuren zullen optreden maar wanneer. (…) Steeksproefsgewijs is gecontroleerd op maatgevende verdiepingen -2, 3e en 9e verdieping. Geconstateerd is dat op ca. 15 posities per verdieping géén of bij beeldopname niet zichtbaar dilataties zijn gemaakt terwijl de wand wel afgewerkt is en/of aangemerkt is als schoonwerk.”Volgens BN is er geen te herstellen gebrek. Zij verwijst naar productie E-167. Dit bevat haar meerwerkaanbieding voor “Extra stukadoorswerk tgv dilataties”. Volgens DLV bedragen de herstelkosten € 56.730,-.

Uit de meerwerkaanbieding van BN is niet af te leiden of de werkzaamheden zijn verricht en zo ja of dit goed is gedaan. De te benoemen deskundige zal moeten beoordelen of van een te herstellen gebrek sprake is en zo ja, wat de bespaarde herstelkosten zijn.

Memo BBN Post Sch40 wind en waterdicht diverse issues

Volgens DLV is het gebouw onvoldoende wind- en waterdicht, zoals blijkt uit de opname van [naam B.V.] , en overigens ook uit de aanvullende eisen van de CAR-verzekeraar. Zij gaat uit van een besparing van € 20.000,-. Zij zal eventuele hogere schade als deze komt vast te staan alsnog vorderen uit hoofde van schending van de zorgplicht van BN als retentor.BN stelt dat de kosten voor wind- en waterdicht maken geen bespaarde kosten van herstel zijn.

De mate waarin een gebouw in aanbouw wind- en waterdicht behoort te zijn hangt

af van de stand van de bouw. Van bespaarde kosten van herstel kan alleen sprake zijn als gezien de mate waarin het werk gevorderd was een verdere mate van afdichting tegen water en wind mocht worden verwacht dan is gerealiseerd. De deskundige zal moeten beoordelen, voor zover mogelijk, of het gebouw op 17 februari 2023 gezien de stand van het werk op dat moment voldoende wind- en waterdicht was en zo niet, welke kosten dan zijn bespaard.

Memo BBN Post Sch43 technische installaties

Dit gaat om sprinklerkoppen/-leidingen die conflicteren met kozijnen en wanden. Gevolg hiervan is dat aanpassing noodzakelijk is. DLV verwijst naar de memo van BBN (productie G-137). Daar is vermeld:“1. De sprinklerkoppen / - leidingen komen nog al eens in conflict met kozijnen wanden. Het probleem is bekend bij Homij maar een oplossing is bij CBB niet bekend.”BN acht niet aangetoond dat dit een gebrek is en dat dit haar kan worden toegerekend.

Homij is als nevenaannemer ingeschakeld voor de technische installaties en gezien de aangehaalde toelichting lijkt de sprinklerinstallatie daar ook toe te behoren. De rechtbank acht onvoldoende toegelicht waarom BN verantwoordelijk zou zijn voor herstel van dit gebrek. Er zal vanuit worden gegaan dat hier geen sprake is van bespaarde herstelkosten.

Memo BBN Post Sch44 diverse kwaliteit‐/schade issues Snagstreamopnames

Snagstream is een applicatie waarin gebreken in een bouwproject kunnen worden gemeld. Deze post gaat over daarmee gemelde diverse gebreken die niet in een van de andere categorieën vallen. DLV verwijst naar de memo van BN over deze verzamelcategorie, G-138. Daarin staan 50 gebreken op een lijst vermeld. Volgens BN zijn er geen bespaarde kosten, volgens DLV bedragen deze € 55.600,-Volgens BN zijn deze posten al meegenomen in het rapport van CBB, op basis waarvan BN de bespaarde kosten heeft bepaald; BN verwijst daarbij naar productie E-119. In die productie wordt bij een aantal posten een bedrag opgenomen voor herstel en in een aantal gevallen wordt verwezen naar een andere post, waar deze onder valt en in een aantal gevallen wordt vermeld “Dit is meegenomen in de waardebepaling / percentage gereed van GTU”.

Geoordeeld wordt dat DLV niet, althans onvoldoende, is ingegaan op het commentaar van BN in productie E-119. DLV heeft daarmee onvoldoende onderbouwd dat er voor BN op dit punt bespaarde kosten zijn.

Memo BBN Post Sch45 vervangen isolatie gevel

DLV stelt dat niet alle isolatiemateriaal aan de gevel is afgewerkt met een zwarte waterbeschermende folie, en daardoor langdurig blootstaat aan de weersinvloeden. Ca 2.200 m2 isolatie zal vervangen moet worden. DLV verwijst naar de memo van BBN, productie G-139. DLV begroot de bespaarde herstelkosten op € 66.000,-.BN acht geen gebrek aanwezig, omdat gebreken die ontstaan na beëindiging van het werk voor rekening van DLV komen.

DLV zal moeten aantonen dat het gestelde gebrek (het ontbreken van de waterbeschermende folie) aanwezig was toen het werk werd beëindigd. Als dat zo is, zal de deskundige moeten beoordelen of gemeten naar de stand van het werk op 17 februari 2023 er waterbeschermende folie aanwezig had moeten zijn, en zo ja, wat dan de kosten van het herstel zijn. DLV zal bij akte zich erover moeten uitlaten op welke wijze ze dit bewijs wil leveren. BN kan daarop bij akte reageren.

Memo BBN Post Sch46 isolatie te hoog bij daktuin zuidoost 15e verdieping

DLV stelt dat de isolatielaag die BN heeft aangebracht op de 15e verdieping te hoog is, zodat een conflict ontstaat met de nog aan te leggen daktuin. DLV verwijst naar de memo van BN, productie G-140. Daar is de volgende toelichting opgenomen:“Op verzoek van BN is gekozen voor isolatie obv beta por. Uiteindelijk blijkt bij daktuin zuid oost dit voor problemen te zorgen icm daktuinen incl. substraatlaag. BN heeft dit destijds niet opgemerkt waardoor de opstanden verhoogd moet worden en balusters vervangen moet worden voor lagere balusters omdat het geheel anders te veel omhoog komt.”BN betwist dat van een gebrek sprake is. Zij stelt dat uit de toelichting van DLV niet blijkt dat zij iets niet zou hebben opgemerkt.

Vastgesteld wordt BN niet heeft betwist dat het hier gaat om een isolatielaag die op verzoek van BN door DLV is gekozen. Op BN rustte daarmee de verplichting om DLV te waarschuwen dat deze isolatielaag mogelijk een conflict zou kunnen geven met betrekking tot de nog aan te leggen daktuin. Nu gesteld noch gebleken is dat DLV daarvoor door BN is gewaarschuwd, wordt DLV gevolgd in haar stelling dat hier sprake is van een gebrek waarvan de herstelkosten redelijkerwijs voor rekening van BN dienen te komen. De rechtbank zal daarom op dit punt uitgaan de door DLV gestelde door BN bespaarde herstelkosten van € 13.000,-.

Memo BBN Post Sch48 scheurvorming 1e verdieping t.p.v. fietsenstalling

Dit gaat over een omvangrijke scheur op de 1e verdieping ter plaatse van de

fietsenstalling en onder het zwembad. DLV verwijst naar productie G-141. DLV acht specialistische herstelwerkzaamheden door middel van injectie noodzakelijk en begroot de bespaarde herstelkosten op € 40.000,-. BN verwijst naar productie E-170; ook de door haar ingeschakelde deskundige Nebest acht injectie noodzakelijk, maar schat de kosten daarvan beduidde lager in, namelijk op € 16.000,-. Volgens DLV is daarbij ten onrechte geen rekening gehouden met kosten gemoeid met voor- en nabehandelen, begeleiding en inspectie en de kosten voor rolsteigers.

De deskundige zal moeten beoordelen wat in dit geval de bespaarde herstelkosten zijn.

Conclusie

De conclusie is dat het bedrag aan door BN bespaarde herstelkosten tenminste € 398.331,- bedraagt. Na de beoordeling door de deskundige zal worden bepaald welk bedrag aan bespaarde kosten daarbij komt.

9. Bespaarde onderhouds- en garantieaanspraken

Partijen zijn het erover eens dat BN als gevolg van de beëindiging van het werk in onvoltooide staat niet kan worden aangesproken op onderhouds- en garantieverplichtingen die zij zou hebben als het tot oplevering was gekomen. Zij bespaart dus de kosten die zij anders zou moeten maken uit hoofde van die verplichtingen. Omdat dit kosten zijn van in de toekomst blijkende gebreken kan de besparing niet nauwkeurig worden vastgesteld en moet zij worden geschat. BN stelt dat uit de bij de aannemingsovereenkomst behorende inschrijfbegrotingen voor de indirecte kosten (bijlage 3 en bijlage 8 bij de aannemingsovereenkomst) volgt dat zij € 175.478,- heeft begroot voor onderhoudskosten. Dit zijn volgens haar dus ook de bespaarde kosten. DLV erkent deze besparing en de omvang daarvan, maar stel dat daaronder niet vallen de bespaarde kosten als gevolg van het komen te vervallen van garantieverplichtingen. Voor de waardering daarvan beroept DLV zich op een uitspraak waarin een percentage van 1,5% voor garantieaanspraken redelijk is geacht (RvA 15 juli 2009, 28.888).

Het door BN begrote bedrag betreft onderhoudskosten. Daarbij is kennelijk gedoeld op de kosten die worden gemaakt om gebreken die gedurende de onderhoudstermijn aan de dag treden te herstellen (§ 11 UAV 2012). Hiervan te onderscheiden zijn garanties, die voor een langere periode dan de onderhoudstermijn worden afgegeven en die geregeld zijn in § 22 UAV 2012. BN neemt deze verplichtingen dus ten onrechte samen.

DLV zal moeten toelichten op welke garantieverplichtingen zij het oog heeft; het is niet mogelijk los van de concreet gemaakte afspraken over garantie te bepalen wat wordt bespaard als deze garantieverplichtingen vervallen. De genoemde uitspraak is onvoldoende basis om aan te nemen dat in alle gevallen garanties op 1,5% van de aanneemsom kunnen worden gewaardeerd omdat van werk tot werk kan verschillen of garanties zijn verstrekt en zo ja wat de inhoud daarvan is.

Nadat DLV heeft opgegeven welke garanties BN heeft verstrekt (onderbouwd met bewijsstukken) en BN daarop heeft kunnen reageren (en de rechtbank zo nodig daarover nader heeft beslist) zal de deskundige, gezien de in het bestek opgenomen garanties, moeten waarderen welke besparing het niet nakomen van de garanties oplevert.

10. Opslagen

BN stelt dat uit § 14 lid 10 UAV 2012 volgt dat de nakoming van de betalingsverplichting van DLV in stand blijft. BN behoudt aldus haar recht op betaling van de aanneemsom, recht op betaling van het overeengekomen meer-/minderwerk en recht op de afrekening van de stelposten. BN leidt hieruit af dat zij ook haar recht op betaling van de opslagen voor algemene kosten, winst en risico behoudt. Zij verwijst naar vier vindplaatsen in de literatuur.

DLV stelt dat BN ten onrechte voor het niet uitgevoerde deel van het werk wel de opslagen voor algemene kosten (6%), winst en risico (3%), een opslag voor indexatie/prijs vast einde werk (2%) en de CAR-verzekering (0,36%) in rekening breng, omdat zij verzuimt deze opslagen als besparing in mindering te brengen op de eindafrekening. Volgens DLV heeft BN uitsluitend aanspraak op deze opslagen over het niet uitgevoerde deel van het werk voor zover hiervoor geen dekking kan worden gevonden in vervangende opdrachten. Anders zou BN van de beëindiging beter worden en dat is niet de bedoeling. DLV wijst op de volgende uitspraken:- hof Arnhem Leeuwarden 23 april 2013 ECLl:NL:GHARL:2013:B28540: r.o. 7.3 en- RvA 21 oktober 2021, 36.739, r.o. 42.

Gelet op § 14 UAV 2012 lid 10 (dat in 2.3 al is geciteerd) gaat het om de vraag of de in de aanneemsom opgenomen opslagen gelden als bespaarde kosten. Dit zal afhangen van de aard van de opslag. Daarbij zijn partijen het erover eens dat bij de beëindiging van het werk in onvoltooide staat de aannemer niet in een betere of slechtere positie zou mogen verkeren dan bij voltooiing van het werk.

CAR-verzekering

DLV stelt dat door de beëindiging van de bouw de kosten van de CAR-verzekering worden bespaard tot een bedrag van € 80.844,-. Dit betreft 0,36% van het niet uitgevoerde deel van het werk.BN stelt dat de CAR-verzekering in één keer is betaald en dat er geen besparing is door het beëindigen van de bouw in onvoltooide staat.

Dat de CAR-verzekering in één keer is betaald, lijkt op zich een aannemelijk

standpunt, maar BN zal hierover meer duidelijkheid moeten geven. De rechtbank beveelt BN daarom op grond van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bewijsstukken in het geding te brengen waaruit de omvang van de premiebetalingen en eventuele premierestitutie blijkt. Terugontvangen premie geldt daarbij als bespaarde kosten in de zin van § 14 lid 10 UAV 2012.

Algemene kosten - 6%

De opslag voor algemene kosten maakt deel uit van de aanneemsom, zodat het uitgangspunt is dat de aannemer daar recht op heeft. Dat is anders als sprake is van bespaarde kosten. Volgens BN zijn algemene kosten de kosten die niet toe te schrijven zijn aan afzonderlijke posten en niet direct samenhangen met bepaalde werken. Bijvoorbeeld de kosten voor het kantoor, administratie en vervoermiddelen van BN. BN maakt deze algemene kosten altijd, ook indien het werk in onvoltooide staat is beëindigd. Ter dekking van deze kosten berekent BN een percentage over de directe kosten van het werk. BN heeft deze algemene kosten ook in dit geval gemaakt en zich niet bespaard.

De algemene kosten zijn gerelateerd aan de aanneemsom, omdat deze niet aan elk afzonderlijk werk kunnen worden toegerekend. Indien een werk voortijdig beëindigd wordt, leidt dat er doorgaans niet of slechts in beperkte mate toe dat de aannemer kosten bespaart. De vaste kosten (bijvoorbeeld de huur van een kantoor) lopen meestal door, op de variabele kosten (bijvoorbeeld brandstofkosten van vervoermiddelen) kan bespaard worden. De rechtbank neemt aan dat de algemene kosten voornamelijk vaste kosten zijn, waarop niet bespaard wordt door eerdere beëindiging van een werk, zodat mede gezien de hanteerbaarheid van de gegeven regel moet worden aangenomen dat voor de algemene kosten geen bespaarde kosten in aanmerking moeten worden genomen.

Winst & risico

Deze opslag van 3% maakt deel uit van de aanneemsom. Winst en risico worden niet voor niets samen genomen, omdat bij een vaste aanneemsom de mate waarin winst gemaakt kan worden afhangt van factoren zoals de juistheid van de uitgangspunten, berekeningen en inschattingen van de aannemer en de mate waarin de aannemer efficiënt weet te werken etc. maar ook van eventuele mee- en tegenvallers, voor zover die voor zijn rekening komen (het onderdeel risico). De strekking van § 14 lid 10 UAV 2012 is dat de aannemer recht heeft op de volledige winst die hij had kunnen behalen. Omdat winst en risico communicerende vaten zijn, ziet de rechtbank geen reden om het gedeeltelijk niet lopen van risico door het voortijdig beëindigen van het werk (als daar al sprake van is) als bespaarde kosten te beschouwen.

Prijs vast einde werk

BN heeft een opslag in rekening gebracht van 2% ‘prijs vast’. De

aanneemovereenkomst bepaalt in artikel 7 “Risico prijsstijgingen lonen en materialen 1 Het prijsrisico is afgekocht, de aanneemsom is vast voor de duur en afronding van het Werk.”

Het gaat hier om een door de aannemer overgenomen risico, waarvoor hetzelfde

geldt als voor de opslag risico en winst. Ook hier ziet de rechtbank geen reden om het gedeeltelijk niet lopen van risico door het voortijdig beëindigen van het werk (als daar al sprake van is) als bespaarde kosten te beschouwen.

Conclusie

De opslagen voor algemene kosten (6%), winst en risico (3%) en voor indexatie/prijs vast einde werk (2%) zijn voor BN geen bespaarde kosten. Of er op de CAR-verzekering wordt bespaard zal moeten blijken uit de door BN in verband daarmee te overleggen stukken.

11. Samenvatting

Eindafrekening

Het voorgaande samenvattende komt de rechtbank met toepassing van § 14, tiende lid, UAV 2012 tot de volgende voorlopige berekening van de eindafrekening.

Bij/af

rechtsoverweging

Aanneemsom

€ 71.150.000,-

2.4

bij

Overeengekomen meer- en minderwerk

€ 9.888.620,-

3.6

bij

Lopend meer- en minderwerk

€ 321.580,-

4.19

bij

Kosten als gevolg van de niet voltooiing

€ 3.710.395,48

5.23

Totaal bij aanneemsom

€ 13.920.595,48

af

Bespaarde directe kosten

€ 11.312.008,-

6.2.1

af

Bespaarde indirecte kosten

€ 1.871.572,-

6.6

af

Bespaarde kosten meer- en minderwerk

€ 2.072.783,-

7.26

af

Bespaarde herstelkosten

€ 398.331,-

+ nog nader te bepalen

8.36

af

Bespaarde onderhouds- en garantieafspraken

nog nader te bepalen

9.1.3

af

Besparing op CAR-verzekering

nog nader te bepalen

10.2.1

Totaal aan besparingen

€ 15.654.694,-

af

Reeds betaald

€ 51.344.182,-

2.4

Resteert op dit moment als eindafrekening

€ 18.071.719,48

Deskundige

Zoals hiervoor overwogen, acht de rechtbank het in het kader van de eindafrekening nodig een deskundigenbericht in te winnen over de volgende onderwerpen.

Onderwerp/vraagstelling

rechtsoverweging

bewijslast rust op

1

Herstel vloeren

4.17.3

BN

2

Waterschade

8.3.1 - 8.3.2

DLV

(r.o. 8.1)

3

Plafondplaten

8.4.1

DLV

4

Gibowanden

8.8

DLV

5

Dekvloer

8.9.1

DLV

6

Lekkages

8.12.1

DLV

7

MS wanden

8.14.1

DLV

8

Balkonankers

8.15.3

DLV

9

Coating stalen frames

8.17.1

DLV

10

Dilatatie vloer

8.20

DLV

11

Kleurverschillen Keramiek

8.22.1

DLV

12

Vlakheid wanden gangen

8.26

DLV

13

Herstelwerkzaamheden hotelkamers

8.27.1

DLV

14

Stucwerk gangen hotel

8.28.1

DLV

15

Dilataties wanden algemene ruimte

8.29.1

DLV

16

Wind- en waterdichtheid gebouw

8.30.1

DLV

17

Vervangen isolatie gevel

8.33.1

DLV

18

Scheurvorming 1e verdieping

8.35.1

DLV

19

Bespaarde garantieaanspraken

9.1.3

DLV

Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de in de genoemde rechtsoverwegingen geformuleerde vraagstelling c.q. opdracht aan de deskundige. De rechtbank gaat in alle gevallen uit van een bouwkundige als deskundige, die zo nodig zelf op een specifiek terrein een deskundige kan raadplegen. Ook zal de deskundige zich kunnen laten bijstaan door andere hulppersonen die onder zijn verantwoordelijkheid werken.

Partijen kunnen in gezamenlijk overleg een of meer deskundigen voordragen. Als partijen het over de persoon van de deskundige niet eens worden zal de rechtbank zelf een deskundige kiezen.

De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.

De rechtbank ziet in de bewijslastverdeling aanleiding om te bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) door de gedaagde partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door DLV moeten worden betaald.

Akte door partijen

Daarnaast dient door BN, dan wel DLV, in verband met de eindafrekening een akte te worden genomen over de volgende onderwerpen.

Onderwerp

Rechtsoverweging

Handeling vereist door

1

Bouwmateriaal bij Kingspan

5.18

BN

2

Bouwmateriaal bij Senta

5.19

BN

3

Kozijnen en wijzigen kernkleur keramiek

7.8.3

BN

4

Aanpassen wand trappenhuizen

7.9.1

BN

5

Gebruik Schindler-liften

7.17.2

DLV

6

Vervangen isolatie gevel

8.33.1

DLV

7

Bespaarde garantieaanspraken

9.1.3

DLV

8

CAR-verzekering

7.6 + 10.2.1

BN (op grond van artikel 22 Rv)

Na ontvangst van de akte zal de wederpartij in de gelegenheid worden gesteld daarop bij akte te reageren

Verder wordt in afwachting van het deskundigenbericht over de vertraging de beslissing aangehouden over het onderwerp bouwwarmte (zie 4.18.3 + 7.19).

12. In het door BN ingediende incident

Tijdens de op 29 februari 2024 gehouden mondelinge behandeling heeft BN om proceseconomische redenen haar eerder ingestelde incidentele vordering ex artikel 223 Rv ingetrokken, onder de voorwaarde dat de rechtbank in dit tussenvonnis in de hoofdzaak een beslissing geeft op de vorderingen van BN in conventie tot betaling door DLV van de eindafrekening en tot teruggave door DLV van de bankgarantie. Nu de rechtbank niet tot een eindoordeel komt over de eindafrekening is deze voorwaarde niet vervuld en zal de rechtbank ook een oordeel geven over de incidentele vorderingen van BN.

BN vordert in het incident, bij wijze van voorlopige voorziening, DLV bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen:

(i) tot betaling aan BN bij wijze van voorschot op de reguliere termijnen een bedrag van € 5.800.000,-, te vermeerderen met btw, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag,

(ii) tot betaling aan BN bij wijze van voorschot op het overeengekomen meer- en minderwerk een bedrag van € 7.518.724,-, te vermeerderen met btw, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag,

(iii) tot betaling aan BN bij wijze van voorschot de terugbetaling van de bankgarantie van € 3.625.000,-, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag,

(iv) de namens BN gestelde bankgarantie met nummer [rekeningnummer] binnen 2 dagen na dagtekening van dit vonnis aan Ballast Nedam te retourneren op straffe van een aan Ballast Nedam te verbeuren dwangsom van € 1.000.000,- voor iedere dag (een dagdeel daaronder begrepen) dat DLV hiermee in gebreke blijft,

(v) in de proceskosten van dit incident, met inbegrip van de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

Betaling voorschotten

Onder (i) en (ii) vordert BN de betaling van een voorschot op de reguliere termijnen en een voorschot op de betaling van het overeengekomen meer- en minderwerk. Overwogen wordt, zoals door DLV aangevoerd, dat zowel de betaling van de reguliere termijnen als de betaling van het meerwerk als gevolg van de beëindiging van het werk door BN, zijn opgegaan in de door BN in de hoofdzaak op grond van § 14, tiende lid, UAV 2012 gevorderde eindafrekening. De rechtbank begrijpt de vorderingen tot betaling van een voorschot op de reguliere termijnen en het meer- en minderwerk daarmee als vorderingen tot betaling van een voorschot op de eindafrekening. Uit hetgeen hiervoor in de hoofdzaak over de eindafrekening is overwogen, waaronder de vragen die door een deskundige moeten worden beantwoord, volgt dat op dit moment nog onvoldoende duidelijk is welk bedrag als eindafrekening aan BN zal worden toegewezen. De gevorderde voorschotten zijn daarmee op dit moment nog niet toewijsbaar.

Teruggave bankgaranties

Onder (iii) en (iv) vordert BN bij wijze van voorlopige voorziening dat DLV wordt veroordeeld tot terugbetaling van de door DLV getrokken bankgarantie van € 3.625.000,- en tot het retourneren van de door BN aan DLV gestelde bankgarantie met nummer [rekeningnummer] .

Deze vorderingen hangen samen met de overschrijding van de bouwtermijn. Op grond van artikel 10, tweede lid, van de Aannemingsovereenkomst diende BN het werk op 8 juni 2021 op te leveren. Ten tijde van het beëindigen van het werk op 17 februari 2023 door BN waren de werkzaamheden nog niet afgrond. DLV stelt dat de vertraging in de oplevering aan BN is te wijten, onder meer doordat BN haar contractuele coördinatieverplichting zou hebben verzaakt, en begroot haar schade als gevolg daarvan voorlopig op een bedrag van € 23.956.000,-. In verband met die gestelde schade heeft DLV een door BN gestelde bankgarantie van € 3.625.000,- getrokken. Daarnaast heeft DLV op 7 september 2022 voor een bedrag van € 26.681.600,- ten laste van BN derdenbeslag onder de ING-bank gelegd. Dat beslag is opgeheven nadat door BN aan DLV een bankgarantie met nummer [rekeningnummer] ter hoogte van € 26.681.600,- was verstrekt.

BN stelt dat DLV de bankgarantie van € 3.625.000,- ten onrechte heeft getrokken en dat er onverschuldigd aan DLV is betaald. Daarnaast stelt BN onder verwijzing naar artikel 12 van de Aannemingsovereenkomst en het tussenvonnis van deze rechtbank van 17 mei 2023 dat partijen de door BN te betalen schadevergoeding als gevolg van overschrijding van de bouwtermijn op maximaal een bedrag van € 1 miljoen hebben bepaald en dat DLV het bedrag van € 1 miljoen bovendien al heeft ingehouden op reguliere termijnen van de aanneemsom. Dit brengt tevens mee dat DLV op 7 september 2022 ten onrechte derdenbeslag ten laste van BN heeft gelegd en dat de in verband daarmee door BN aan DLV verstrekte bankgarantie van € 26.681.600,- aan BN dient te worden geretourneerd, aldus BN.

Het verweer van DLV komt erop neer dat zij stelt dat de rechtbank in het tussenvonnis van 17 mei 2023 nog geen oordeel heeft gegeven over de aansprakelijkheid van BN uit hoofde van schending van de coördinatieverplichting en de schade die daarvan het gevolg is. De hoogte van die schade is niet gemaximeerd en het beslag is mede voor die vordering gelegd. Daarnaast stelt DLV dat zij op grond van artikel 5 van de bankgarantie gerechtigd is verlenging van de bankgarantie te verlangen zolang er een procedure tussen BN en DLV aanhangig is. Indien de vordering van DLV wordt afgewezen en zij daartegen hoger beroep instelt, is zij dus gerechtigd verlenging van de bankgarantie te verlangen hetgeen verhindert dat zij wordt veroordeeld de bankgarantie te retourneren, aldus DLV.

In het tussenvonnis van 17 mei 2023 is in de hoofdzaak reeds geoordeeld dat de door DLV genoemde omstandigheid dat haar gestelde schade veel hoger is dan het bedrag van € 1 miljoen, namelijk minimaal € 23.956.000,-, er niet toe leidt dat het in artikel 12 van de Aannemingsovereenkomst door partijen overeengekomen maximum voor schade vanwege overschrijding van de oplevertermijn moet worden doorbroken. In het tussenvonnis van 17 mei 2023 is weliswaar geen beslissing gegeven over de vraag of BN haar coördinatieverplichting heeft geschonden, maar anders dan door DLV aangevoerd brengt een beslissing op die vraag niet met zich dat het in artikel 12 van de Aannemingsovereenkomst overeengekomen maximum hier niet geldt. Van belang daarvoor is dat door DLV is betoogd dat de gestelde schending van de coördinatieverplichting door BN tot vertraging in de oplevering heeft geleid en dat BN daarom geen recht heeft op bouwtijdverlenging. Het niet nakomen van de coördinatieverplichting heeft volgens DLV dus tot vertraging in de oplevering geleid. Dit blijkt ook uit de door DLV overgelegde berekening van het schadebedrag van € 23.956.000,-, waarin alleen schadeposten als gevolg van de vertraging van de oplevering zijn opgenomen. Die schade valt daarmee als schade vanwege de overschrijding van de oplevertermijn onder het bereik van artikel 12 van de Aannemingsovereenkomst.

Hieruit volgt dat zelfs als in de hoofdzaak geoordeeld wordt dat BN haar coördinatieverplichting heeft geschonden, die omstandigheid er niet toe leidt dat het voormelde overeengekomen maximumbedrag van € 1 miljoen wordt doorbroken. Het gaat immers om vertragingsschade. Nu daarnaast niet is betwist dat DLV die € 1 miljoen reeds heeft verrekend met reguliere betalingstermijnen, ontbrak daarmee voor DLV een grondslag voor het trekken van de bankgarantie van € 3.625.000,- alsmede voor het aanhouden van de bankgarantie met nummer [rekeningnummer] . De vorderingen tot terugbetaling van het bankgarantiebedrag van € 3.625.000,-, alsmede tot teruggave van de bankgaranties met nummer [rekeningnummer] zijn daarmee toewijsbaar. Een termijn van een week om de bankgarantie met nummer [rekeningnummer] aan BN terug te geven komt daarbij redelijke voor. Tevens zal de in dit verband gevorderde dwangsom worden toegewezen. Deze zal wel worden gemachtigd en gemaximeerd.

Proceskosten in het incident

Nu partijen ieder op een onderdeel als de in het (on)gelijk gestelde partij zijn te beschouwen, wordt daarin aanleiding gezien om de proceskosten in dit incident te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

13. De beslissing

De rechtbank

In de hoofdzaak

in conventie

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 juli 2024 voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportage,

bepaalt dat de zaak tevens op de rol van 3 juli 2024 zal komen voor het nemen van een akte door BN en DLV, over de in randnummer 11.6 genoemde onderwerpen,

draagt BN op om in de op 3 juli 2024 te nemen akte bewijsstukken in het geding te brengen waaruit de omvang van de premiebetalingen en eventuele premierestitutie van de CAR-verzekering blijkt,

houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

houdt iedere verdere beslissing aan.

In het incident

veroordeelt DLV om bij wijze van voorschot aan BN de bankgarantie van € 3.625.000,- terug te betalen,

veroordeelt DLV om binnen een week na de betekening van dit vonnis aan BN de bankgarantie met nummer [rekeningnummer] te retourneren,

bepaalt dat DLV een dwangsom van € 250.000,- verbeurt voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling onder 13.7 voldoet, tot een maximum van € 25.000.000,- is bereikt,

verklaart dit incident tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Voetelink, mr. R.H.C. Jongeneel en mr. M.R. Jöbsis, rechters, bijgestaan door mr. P.J. van Vliet, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2024.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. P.J. van Vliet

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?