ECLI:NL:RBAMS:2024:8979

ECLI:NL:RBAMS:2024:8979, Rechtbank Amsterdam, 09-12-2024, C/13/759065 / KG ZA 24-912

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 09-12-2024
Datum publicatie 03-12-2025
Zaaknummer C/13/759065 / KG ZA 24-912
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001886

Samenvatting

Kort geding. Vordering nakoming vaststellingsovereenkomst waarin partijen hebben afgesproken geen negatieve uitlatingen over de ander te doen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/759065 / KG ZA 24-912 IHJK/JD

Vonnis in kort geding van 9 december 2024

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie bij dagvaarding op verkorte termijn van 7 november 2024,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. D.I.J. Snijders te 's-Hertogenbosch,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. H.A.J.M. van Kaam te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

2. De feiten

[gedaagde] is aanvankelijk gedagvaard om op 15 november 2024 ter terechtzitting te verschijnen. [gedaagde] heeft op 8 november 2024 verzocht om een nieuwe datum voor deze mondelinge behandeling. Nadat beide partijen zich daarover hebben uitgelaten is een nieuwe datum bepaald op 25 november 2024.Ter zitting van die datum heeft [eiser] de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord en de vooraf ingestelde tegenvorderingen (eis in reconventie) toegelicht. [eiser] heeft daartegen verweer gevoerd.

Beide partijen hebben producties en spreekaantekeningen ingediend.

Ter zitting waren aanwezig:

Vonnis is bepaald op heden.

[eiser] en [gedaagde] zijn beide ondernemers en zijn zakenpartners geweest. Daarnaast waren zij ook vrienden.

Tussen [eiser] en [gedaagde] is op enig moment een zakelijk geschil ontstaan. Op 26 augustus 2021 hebben zij - ter beëindiging van dit geschil - een Vaststellingsovereenkomst gesloten. In deze Vaststellingsovereenkomst staat (voor zover hier van belang) het volgende.

“(…) [ [gedaagde] ] en [ [eiser] ] zullen zich ten opzichte van de ander gedragen overeenkomstig de eisen van het normale maatschappelijke verkeer en hebben de bedoeling hun oude vriendschap te herstellen. Ze zullen zich derhalve onthouden van negatieve berichtgeving over de ander. Indien een van hen na afwikkeling van onderhavige overeenkomst van mening is dat de ander niet overeenkomstig de verwachtingen handelt, dan zal rechtstreeks met elkaar contact worden opgenomen om die niet waargemaakte verwachtingen te bespreken. (…)”

[gedaagde] is vervolgens een psychologisch traject gestart waarin hij wordt begeleid door dr. M. Appelo, prof. dr. F. Schalkwijk en prof. dr. R. Kupka. In het kader van dit traject is [gedaagde] begonnen met het (laten) schrijven van een ‘psychobiografie’: een verhaal over zijn leven, met als doel om daarop te reflecteren en zichzelf daarmee beter te leren kennen begrijpen.

Op 2 februari 2024 heeft dr. Appelo via een Whatsapp bericht aan [eiser] gevraagd of hij bereid is om mee te werken aan een interview over zijn ervaringen met [gedaagde] , om dit vervolgens te verwerken in de psychobiografie.

Op 4 februari 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] en aan Appelo medegedeeld dat hij niet wenst mee te werken aan het verzoek van Appelo, en dat hij [gedaagde] succes wenst en hoopt dat het boek zal bijdragen aan zijn geluk.

Op 5 oktober 2024 heeft [gedaagde] (voor zover van belang) het volgende aan [eiser] gestuurd.

“(…) Zoals je weet komt er een biografie uit van mijn leven en heb jou daarvoor benaderd om aan mee te werken jammer genoeg wilde je dat niet ondanks dat jij een lange tijd mijn 'vriend' was en ook nog zakenpartner zou je begrijpen dat er ook een stukje komt waar onze dingen in staan en dat is best heftig te lezen zowel zakelijk maar ook mijn privé stukje over bepaalde dingen er is ook veel door anderen over jou gezegd wat er in verwerkt is maar ook míjn waarheid als je alsnog behoefte hebt dat we er voor de tijd over praten kunnen we dat doen ik wil niemand beschadigen ook jou niet maar wat er allemaal gebeurt is is gebeurt helaas. Laat maar weten fijn weekend (…).”

De volgende dag heeft [eiser] (voor zover van belang) als volgt gereageerd.

“(…) Volgens mij hebben we in Loosdrecht alles afgehandeld en zouden we respectvol en niet negatief over elkaar uit laten.(…)”

Op 29 oktober 2024 heeft [gedaagde] een gedeelte van de tekst van zijn psychobiografie gedeeld met [eiser] met daarbij het volgende bericht.

“(…) Hierbij het stuk wat ik [heb] geschreven over jou en ons leven samen ik deel dit met jou en hoop dat we samen tot iets kunnen komen wat voor beide goed voelt en recht doet aan onze tijd samen en aan mijn eigen gevoel en zonder schade in mijn boek kan.(…)”

Op 31 oktober 2024 heeft [eiser] het volgende aan [gedaagde] gestuurd.

“(…) conform artikel 11 lid 3 van de vso hierbij contact om de niet

nagekomen verwachting te bespreken, graag vernemend. (…)”

Dezelfde dag heeft [gedaagde] gereageerd dat hij graag met [eiser] in gesprek gaat om te komen tot iets wat voor beiden goed is.

Daarop heeft [eiser] dezelfde dag gereageerd dat een gesprek geen zin heeft als [gedaagde] niet per ommegaande bevestigt dat er geen negatieve passage over hem in het boek komt, zoals overeengekomen. De advocaat van [eiser] heeft [gedaagde] die dag ook per e-mail gesommeerd om te bevestigen dat hij negatieve passages uit het boek zal verwijderen en verwijderd zal houden.

Bij e-mail van 1 november 2024 heeft [gedaagde] gereageerd dat hij de sommatie niet snapt en dat hij conform de gemaakte afspraken contact heeft gezocht om het stuk tekst met [eiser] te bespreken. Daarbij schrijft [gedaagde] dat het hem bevreemdt dat hij tien mensen heeft gesproken waar [eiser] de aan hem toegezonden tekst mee heeft gedeeld.

3. Het geschil in conventie

[eiser] vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente:

I [gedaagde] te veroordelen om artikel 2 lid 3 van de Vaststellingsovereenkomst na te komen en zich te onthouden van negatieve mededelingen over [eiser] , op straffe van een dwangsom;

II [gedaagde] te verbieden om de uitlatingen in het manuscript, in dit kort geding ingediend als productie 2, productie 6 en 7, dan wel andere negatieve uitlatingen over [eiser] te (doen) publiceren of op een andere wijze verspreiden aan derden, op straffe van een dwangsom;

III [gedaagde] met onmiddellijke ingang te verbieden om nog contact met [eiser] op te nemen, op straffe van een dwangsom.

[gedaagde] voert verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

[gedaagde] vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis en met veroordeling van [eiser] in de proceskosten op grond van artikel 1019h Rv:

I [eiser] te bevelen de inbreuk op de auteursrechten van [gedaagde] door verspreiding van het werkdocument te staken, op straffe van een dwangsom;

II [eiser] te bevelen tot opgave van een overzicht van de personen aan wie hij het werkdocument heeft verspreid onder opgave van de betreffende datum en tijdstip van verspreiding, op straffe van een dwangsom;

III De termijn voor het instellen van een bodemprocedure als bedoeld in

artikel 1019i Rv te bepalen op zes maanden na de datum van dit vonnis.

[eiser] voert verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie

Toetsingskader

[eiser] vordert in dit kort geding nakoming van de in de Vaststellingsovereenkomst gemaakte afspraak dat partijen zich zullen onthouden van negatieve berichtgeving over de ander (zie 2.2). Een dergelijke vordering kan in kort geding alleen worden toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat een bodemrechter het standpunt van [eiser] zou volgen, en indien van hem niet kan worden gevergd dat hij de uitslag van een bodemprocedure afwacht.

Negatieve uitlatingen

[eiser] heeft het manuscript van de psychobiografie dat [gedaagde] met hem heeft gedeeld als productie in het geding gebracht. Na lezing daarvan kan in redelijkheid niet anders worden geoordeeld dan dat de tekst evident negatieve kwalificaties bevat ten aanzien van de persoon van [eiser] . Omdat partijen niet specifiek op deze kwalificaties zijn ingegaan en aannemelijk is dat deze voor [eiser] grievend zijn, worden deze kwalificaties in dit vonnis niet herhaald, mede omdat zij voor het oordeel niet van doorslaggevende betekenis zijn, zoals hierna zal blijken.

Ter zitting heeft [gedaagde] aangevoerd dat het onderscheid tussen negatieve, neutrale en positieve uitlatingen, niet altijd makkelijk te maken is. Dit moge zo zijn – en het manuscript bevat weliswaar ook positieve uitlatingen en uitlatingen die mogelijk in een grijs gebied vallen – maar dit geldt niet voor de evident negatieve kwalificaties ten aanzien van de persoon van [eiser] .

Door de mededeling van [gedaagde] van 5 oktober 2024 (zie 2.6) dat de biografie over zijn leven zal worden uitgebracht, heeft [eiser] in beginsel spoedeisend belang bij zijn vordering in dit kort geding tot nakoming van de Vaststellingsovereenkomst door [gedaagde] .

Geen aanstaande publicatie

[gedaagde] betwist echter dat sprake is van een aanstaande publicatie en stelt dat hij [eiser] daarvan meermaals heeft verzekerd. Aan de correspondentie die [gedaagde] aanhaalt ter onderbouwing van deze stelling kan echter weinig zekerheid worden ontleend. Daarin schrijft (de advocaat van) [gedaagde] dat publicatie “op dit moment” niet aan de orde is en dat “niet zeker is of en wanneer het wordt gepubliceerd en in welke vorm”.

[gedaagde] heeft verder aangevoerd dat de met [eiser] gedeelde tekst een werkdocument betreft, die hij met [eiser] wilde bespreken, conform de afspraak in de Vaststellingsovereenkomst, om tot een versie te komen die voor beiden acceptabel is.

Een overleg tussen partijen over de ‘werktekst’ is niet van de grond gekomen. Nadat [eiser] op 31 oktober 2024 verzocht om een gesprek en [gedaagde] daar dezelfde dag mee instemde, heeft [eiser] daaraan vervolgens de voorwaarde verbonden dat [gedaagde] de gemaakte afspraak in de Vaststellingsovereenkomst zou bevestigen, waarna partijen verder van elkaar zijn verwijderd en het uiteindelijk tot dit kort geding is gekomen.

Tijdens de zitting heeft [gedaagde] bij monde van zijn advocaat toegezegd dat – als de psychobiografie ooit zal worden gepubliceerd – de uiteindelijke tekst met [eiser] zal worden gedeeld, ten minste drie weken voor publicatie, zodat ruimte is voor overleg en eventueel een kort geding kan worden gestart.

Deze toezegging, vastgelegd in dit vonnis, biedt voldoende waarborg voor de gerechtvaardigde belangen van [eiser] . Daardoor heeft [eiser] op dit moment onvoldoende spoedeisend belang bij toewijzing van de in conventie gevorderde nakoming van de Vaststellingsovereenkomst en het gevorderde publicatieverbod op straffe van dwangsommen.

Contactverbod

Ter onderbouwing van het gevorderde contactverbod heeft [eiser] aangevoerd dat [gedaagde] het hoofdstuk in de psychobiografie dat over [eiser] gaat aan hem opdringt via verschillende communicatiekanalen. Als [eiser] hem vervolgens laat weten geen behoefte te hebben om deel te nemen aan diens project wordt hij belaagd door [gedaagde] met heftige berichten. Tegenover de gemotiveerde weerspreking door [gedaagde] is deze enkele stelling echter onvoldoende voor toewijzing van een dergelijk vergaande vordering. Voorstelbaar is dat [eiser] niet wil worden betrokken bij de inhoud van de psychobiografie. Anderzijds zijn partijen nu juist in de Vaststellingsovereenkomst overeengekomen dat indien een van hen niet overeenkomstig de verwachtingen handelt, rechtstreeks met elkaar contact zal worden opgenomen om die niet waargemaakte verwachtingen te bespreken. Het gevorderde contactverbod zal dan ook worden afgewezen.

6. De beoordeling in reconventie

Toetsingskader

[gedaagde] vordert in dit kort geding allereerst dat [eiser] de gestelde inbreuk op zijn auteursrechten staakt en gestaakt houdt. Deze vordering kan in kort geding alleen worden toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat een bodemrechter het standpunt van [gedaagde] zou volgen, en indien van hem niet kan worden gevergd dat hij de uitslag van de bodemprocedure afwacht.

Inbreuk auteursrecht?

[gedaagde] stelt dat [eiser] inbreuk heeft gemaakt op zijn auteursrecht door een gedeelte van de psychobiografie van [gedaagde] zonder toestemming openbaar te maken, door deze te verspreiden onder minstens 20 personen. [eiser] betwist dit en stelt dat het slechts gaat om enkele (zeven of acht) vrienden.

Voorshands wordt geoordeeld dat daarmee geen sprake is van openbaarmaking in de zin van artikel 12 Auteurswet. Tegenover gemotiveerde betwisting door [eiser] heeft [gedaagde] niet onderbouwd dat het document door [eiser] is gedeeld met meer dan acht vrienden. Daarmee is geen sprake van een mededeling aan een ‘publiek’ wat ziet op een ‘vrij groot aantal personen’. Daarbij is ook relevant dat [eiser] geen commercieel (winst)oogmerk had bij het delen van (een klein deel van) het manuscript van de psychobiografie. Zijn bedoeling was om een tekst, waarin hij met negatieve bewoordingen werd gekarakteriseerd, te bespreken met vertrouwelingen. Deze vorm van het delen van informatie binnen de privésfeer, valt buiten de door het auteursrecht beschermde exclusieve recht van openbaarmaking, en in beginsel binnen de beschermde vrijheid van meningsuiting.

Nu van een inbreuk op het auteursrecht vooralsnog geen sprake is, bestaat er geen grond voor toewijzing van de vorderingen in reconventie.

7. 7. De beoordeling voorts in conventie en in reconventie

Proceskosten

Het komt erop neer dat dit kort geding prematuur is gevoerd. Dit is enerzijds het gevolg van het handelen door [eiser] , die dit kort geding is gestart terwijl nog geen sprake is van een definitieve tekst en [gedaagde] meermaals heeft gevraagd om over de ‘werktekst’ in gesprek te gaan. Anderzijds is deze procedure het gevolg van het handelen (dan wel nalaten) door [gedaagde] , die onzekerheid over de intentie tot publicatie heeft laten bestaan en pas ter zitting een concrete toezegging heeft gedaan dat – indien toch wordt besloten tot publicatie – [eiser] eerst de kans krijgt om van de definitieve tekst kennis te nemen en de gelegenheid krijgt om daartegen op te komen.

De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om de proceskosten in conventie en in reconventie tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

8. De beslissing

De voorzieningenrechter,

in conventie en in reconventie

weigert de gevraagde voorzieningen,

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.H.J. Konings, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J. Dekker, en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2024.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?