vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummers: 13/230689-22 (zaak A) en 13/230103-22 (zaak B)
Datum uitspraak: 24 april 2024
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1954,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna: verdachte.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 april 2024.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. G.W. van der Burg, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L. Pothast, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd – kort weergegeven – dat hij:
Zaak A, feit 1
op 10 juni 2022 te Amsterdam door (bedreiging met) geweld en/of een andere feitelijkheid [aangeefster] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen;
Zaak A, feit 2
op 11 juni 2022 te Amsterdam door (bedreiging met) geweld en/of een andere feitelijkheid [aangeefster 2] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen;
Zaak B
op 4 juli 2022 te Amsterdam door (bedreiging met) geweld en/of een andere feitelijkheid [aangeefster 3] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.
3. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft voor alle feiten vrijspraak bepleit omdat het ontuchtige karakter van de handelingen ontbreekt.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht, met de officier van justitie, bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan drie aanrandingen. Over het bewijs overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank stelt vast dat verdachte aangeefsters [aangeefster] , [aangeefster 2] en [aangeefster 3] heeft aangeraakt. [aangeefster 2] heeft verklaard dat verdachte haar bil aanraakte en [aangeefster 3] heeft verklaard dat hij haar borst aanraakte en erin kneep. Deze verklaringen worden ondersteund door de omschrijving van de camerabeelden van respectievelijk de Albert Heijn en Action, waarop verdachte door verbalisanten wordt herkend. Op de beelden van Albert Heijn zien verbalisanten dat verdachte dicht naast [aangeefster 2] gaat staan, zich omdraait en vervolgens zijn linkerarm uitstrekt in zijn jaszak. Verdachte raakt haar dan met zijn linkerhand, die in zijn jaszak zat, aan bij haar linkerbil en zij zien dat zij schrikt. Op de beelden van Action is te zien dat verdachte met zijn linkerhand de linkerborst van [aangeefster 3] aanraakt. [aangeefster] heeft verklaard dat verdachte tot twee keer toe haar borst vastpakte en in haar borst kneep. Op de camerabeelden bij de tramhalte is te zien dat verdachte bij aangeefster [aangeefster] staat, maar vanwege de kwaliteit van de camerabeelden en de afstand tussen de camerapositie en waar aangeefster en verdachte staan is niet op de camerabeelden te zien wat er tussen hen gebeurt.
Verdachte heeft ter zitting niet betwist dat hij de drie aangeefsters heeft aangeraakt. Hij heeft verklaard dat de aanrakingen per ongeluk gingen en dat zijn handelingen anders geduid moeten worden dan ontuchtig. Zijn zicht is beperkt, hij is slecht ter been en de Nederlandse taal beperkt machtig. Als hij iets wil vragen of hulp nodig heeft dan probeert hij dit te communiceren door zijn hand uit te steken. Verdachte heeft verklaard dat het kan zijn dat hij daarbij per ongeluk aangeefsters heeft aangeraakt. Ter onderbouwing van de verklaring van verdachte heeft de raadsvrouw erop gewezen dat verdachte lijdt aan het syndroom van Wernicke-Korsakov en als gevolg daarvan problemen met zijn motoriek heeft. De raadsvrouw heeft bepleit dat daarom het ontuchtige karakter van de handelingen ontbreekt en daarmee de feiten niet bewezen kunnen worden.
De rechtbank overweegt dat de verklaring van verdachte niet geloofwaardig is, omdat deze in strijd is met hetgeen te zien is op de beelden van Albert Heijn en Action. Op de beelden van Albert Heijn is te zien dat verdachte dicht naast [aangeefster 2] gaat staan, zij verdachte opmerkt, haar hoofd in zijn richting draait en dat verdachte richting het andere gangpad kijkt. Vervolgens draait hij zich en strekt hij zijn linkerarm uit in zijn jaszak. Dan loopt hij langs haar en raakt hij de bil van [aangeefster 2] aan. Op de beelden van Action is te zien dat verdachte pas bij het weglopen, dus na het contact met [aangeefster 3] , zijn hand uitsteekt en haar borst aanraakt. Deze gang van zaken komt niet overeen met de manier van het leggen van contact, zoals verdachte dat ter zitting heeft toegelicht en past daar naar het oordeel van de rechtbank ook niet bij. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte niet naar waarheid heeft verklaard ter verhulling van de seksuele intentie van zijn handelen. De rechtbank overweegt voorts dat de handelingen van verdachte seksueel van aard waren omdat billen en borsten vanuit seksueel oogpunt niet als neutraal kunnen worden beschouwd. Er kan dan ook niet aan worden getwijfeld dat de handelingen van verdachte in strijd zijn met een sociaal-ethische norm. Gelet op het voorgaande staat het ontuchtige karakter van het handelen van verdachte vast. De rechtbank verwerpt het verweer.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen, waarin de
redengevende feiten en omstandigheden zijn opgenomen, bewezen dat verdachte:
Zaak A, feit 1
op 10 juni 2022 te Amsterdam, door een andere feitelijkheid, [aangeefster] , heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte, meerdere malen,
- ( onverhoeds) de (rechter)borst van die [aangeefster] vastgepakt en
- ( vervolgens) (onverhoeds) in de borst van die [aangeefster] geknepen;
Zaak A, feit 2
op 11 juni 2022 te Amsterdam, door een andere feitelijkheid, [aangeefster 2] , heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte,
- ( onverhoeds) de (linker)bil van die [aangeefster 2] gestreeld;
Zaak B
op 4 juli 2022 te Amsterdam, door een andere feitelijkheid, [aangeefster 3] , heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen,
immers heeft hij, verdachte,
- ( onverhoeds) de (linker)borst van die [aangeefster 3] gestreeld en
- ( vervolgens) (onverhoeds) in de (linker)borst van die [aangeefster 3] geknepen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straf
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om – als de rechtbank tot een bewezenverklaring komt – de straf te matigen tot een taakstraf van 80 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich in korte tijd driemaal schuldig gemaakt aan aanranding. Hij heeft aangeefsters op klaarlichte dag en publiekelijk plotseling dan wel op de bil dan wel bij de borsten aangeraakt en/of erin geknepen. Aangeefsters konden zich niet onttrekken aan deze onverhoedse toenaderingen. Door dit handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefsters. Twee van de slachtoffers geven aan geestelijk letsel te hebben opgelopen door deze gedragingen van verdachte.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. In het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 20 september 2023 staat dat het contact met verdachte moeizaam verliep en er daarom geen recidiverisico kan worden ingeschat. Uit het reclasseringsrapport volgt verder dat verdachte in 2022 door zijn huisarts naar De Waag is verwezen in verband met de verdenking van de onderhavige feiten, maar dat daar geen behandeling is gestart vanwege cognitieve problematiek en de taalbarrière. Gelet daarop en ook de leeftijd en gezondheid van betrokkene, adviseert de reclassering geen bijzondere voorwaarden op te leggen.
Sinds verdachte medio 2022 is aangehouden voor de drie aanrandingen zijn er geen nieuwe meldingen bij de politie binnen gekomen. Het lijkt er daarom op dat de gesprekken met de politie hebben geholpen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte ervan doordrongen moet blijven dat dergelijk handelen niet kan en mag. De rechtbank ziet hierin reden om aan verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen om hem ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen.
Verder heeft de rechtbank bij het opleggen van de straf gekeken naar wat in vergelijkbare situaties aan straf wordt opgelegd. Ook weegt de rechtbank mee dat er tussen het plegen van de feiten en de berechting bijna twee jaar heeft gezeten.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank acht een geheel voorwaardelijke taakstraf van 60 uur passend en geboden. Bij de hoogte (en het voorwaardelijke karakter) heeft de rechtbank eveneens meegewogen dat vanwege de gevorderde leeftijd en fysieke gesteldheid van verdachte een taakstraf voor hem zwaarder zal zijn dan voor een gemiddeld persoon.
8. De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
Zaak A, feit 2 en zaak B
De benadeelde partij [aangeefster 2] vorderde initieel € 1.650,- welke vordering ter zitting is gematigd tot een bedrag van € 1.250,- aan vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [aangeefster 3] vordert € 1.250,- aan vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedings-maatregel.
Ten aanzien van de vordering van [aangeefster 2] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat aannemelijk is dat benadeelde partij last heeft ondervonden van het gepleegde feit, maar dat de vordering onvoldoende is onderbouwd om het gehele bedrag toe te wijzen. De officier verzoekt de rechtbank om die reden de vordering toe te wijzen voor een bedrag van € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van benadeelde [aangeefster 3] op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen voor een bedrag van € 1.250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank overweegt dat gelet op de aard en de ernst van de normschending, de nadelige gevolgen van het bewezenverklaarde voor beide aangeefsters zo voor de hand liggen dat een ‘op andere wijze aantasting in de persoon’ zoals bedoeld in artikel 6:106 BW kan worden aangenomen. Beide benadeelde partijen geven in de toelichting op hun vordering aan geestelijk letsel te hebben opgelopen als gevolg van de gepleegde feiten. Voor [aangeefster 3] volgt dat ook uit het feit dat zij zich naar aanleiding van het strafbare feit onder behandeling heeft moeten stellen van een psycholoog. De rechtbank acht een bedrag van € 500,- voor zowel [aangeefster 2] als voor [aangeefster 3] een billijke vergoeding voor de immateriële schade. De benadeelde partijen zullen voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen, nu onvoldoende is onderbouwd dat hun schade meer bedraagt. Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 246 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
[.]
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
zaak A, feit 1 en 2, zaak B:
telkens: feitelijke aanranding van de eerbaarheid.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 60 (zestig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 (dertig) dagen, met bevel dat de tijd die door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 60 (zestig) uren, van deze taakstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Vordering benadeelde partij [aangeefster 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) aan vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 11 juni 2022) tot aan de dag van de voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangeefster 2] .
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten
behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op
nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster 2] aan de Staat € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 juni 2022) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Vordering benadeelde partij [aangeefster 3]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 3] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) aan vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 4 juli 2022) tot aan de dag van de voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangeefster 3] .
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten
behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op
nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster 3] aan de Staat € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 juli 2022) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Snijders Blok-Nijensteen, voorzitter,
mrs. A.A. Spoel en C. Wildeman, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. M. Madiol en R.T. Lo Dico, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 april 2024.
[.]