RECHTBANK AMSTERDAM
Wrakingskamer
Beslissing op het op 15 oktober 2024 ingekomen en onder rekestnummer C/13/758380 / HA RK 24/359 ingeschreven verzoek van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1997.
thans gedetineerd,
verzoeker,
gemachtigde: mr. Y. Moszkowicz,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. H.J. Bos, strafrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.
1. Verloop van de procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van het navolgende processtuk:
het op 15 oktober 2024 ontvangen wrakingsverzoek.
De rechter heeft niet in de wraking berust.
2. De feiten en het verzoek
Verzoeker is verdachte in de strafzaak met parketnummer 81-142097-24 die bij de rechter, als voorzitter van een meervoudige strafkamer, in behandeling is.
Op 8 augustus 2024 is namens de voorzitter aan de gemachtigde meegedeeld dat bij de zitting in de zaak van verzoeker het onderbroken onderzoek was hervat en de verzoeken tot opheffing van de voorlopige hechtenis waren afgewezen. Het onderzoek was voor onbepaalde tijd geschorst, voor maximaal drie maanden. Een nieuwe zittingsdatum zou met de gemachtigde worden afgestemd door de Verkeerstoren. Op 8 augustus 2024 was de gemachtigde op vakantie. Op 12 augustus 2024 is aan de gemachtigde meegedeeld dat in de periode van drie maanden twee dagen beschikbaar waren, namelijk 24 en 31 oktober 2024. Omdat de gemachtigde op 31 oktober 2024 was verhinderd is aan de raadslieden 24 oktober 2024 voorgesteld door de zaaksplanner. Voorts is meegedeeld dat vanwege het zittingsrooster en de overvolle agenda’s dit de enige beschikbare datum was is verzocht bij verhindering vervanging te regelen. De gemachtigde heef hierop verzocht de zitting in overeenstemming met zijn verhinderingen te plannen. Hierna is door de voorzitter meegedeeld dat alleen 24 en 31 oktober 2024 om 09.00 uur beschikbaar waren in het zittingsrooster. De gemachtigde is hierna alsnog akkoord gegaan met de datum van 31 oktober 2024 maar vanaf 09.30 uur. De voorzitter heeft meegedeeld dat de voorgestelde aanvangstijd onwenselijk. Gelet op het verloop van de zitting op 8 augustus 2024 viel niet te verwachten dat de zaak binnen 30 minuten zou worden afgerond. De zaakplanner heeft de gemachtigde laten weten dat de rechter het niet acceptabel vond dat bij aanvang om 09.30 uur maar 30 minuten beschikbaar zouden zijn voor de behandeling van de zaak. Aan de gemachtigde is voorgesteld de zaak pro forma op 24 oktober 2024 te laten staan, de zaak als hamerstuk te behandelen waarbij de aanwezigheid van de gemachtigde niet nodig zou zijn en de zaak pro forma te plannen op 7 november 2024 om 14.30 uur. De gemachtigde heeft hierna 24 oktober 2024 rond 15.00 uur voorgesteld omdat hij in de ochtend/ vroege middag een zitting in Den Bosch had. Hierop is door de zaaksplanner bericht dat er op 24 oktober 2024 alleen een ochtendzitting was. Hierna heeft de gemachtigde verzocht hem mee te delen waarom er niet meer zittingsdagen beschikbaar waren en wat daarvan de reden was: te weinig zalen beschikbaar, te weinig rechters of de beschikbaarheid van het openbaar ministerie? Het Hoofd Verkeerstoren heeft geantwoord dat bij het plannen van zaken meerdere factoren een rol spelen, dat met alle aspecten zorgvuldig rekening wordt gehouden en dat de rechtbank geen verdere uitleg is verschuldigd met betrekking tot de voorgestelde data. Er was alles aan gedaan om zaken zo tijdig en correct mogelijk in te plannen. Op 19 september 2024 is door de gemachtigde de oproep voor de zitting van 24 oktober 2024 om 11.45 uur ontvangen. De gemachtigde heeft op 20 september 2024 een aanhoudingsverzoek gedaan. Hij heeft gevraagd de zaak op een andere, eerdere, datum te plannen en de reden te geven voor de beperkte beschikbaarheid. Hij heeft toegelicht dat die zijns inziens wordt veroorzaakt door de beperkte beschikbaarheid van het Functioneel Parket en dat daaraan voorbijgegaan moet worden omdat de voorlopige hechtenis van verzoeker zich daartegen verzet. Het openbaar ministerie is een en ondeelbaar en kan voor vervanging zorgen terwijl er van de advocatuur altijd wordt verlangd voor vervanging te zorgen. De zaaksplanner heeft namens de voorzitter onder verwijzing naar het bericht van het Hoofd Verkeerstoren meegedeeld dat met alle aspecten was rekening gehouden. Hierna heeft de gemachtigde verzocht hem de naam van de voorzitter mee te delen en zijn concrete antwoorden te beantwoorden. Vervolgens is door het plaatsvervangend Hoofd Verkeerstoren verwezen naar het laatste bericht van de zaaksplanner. Hierna heeft de gemachtigde de rechter geschreven: “Inmiddels heb ik na enige onderzoek - het werd mij immers niet verteld - uitgevogeld dat u de voorzitter bent komende zitting. Ik wil u vragen mij uiterlijk morgen voor 13.00 uur te vertellen of u van onderstaande correspondentie op de hoogte bent, en zo ja waarom u tot op heden niet heeft laten weten dat de berichten namens u zijn verzonden en waarom u geen antwoord op de onbeantwoorde vragen wilt geven.”
Op zijn laatste bericht heeft de gemachtigde geen antwoord gehad. De rechter geeft de schijn van partijdigheid gewekt. De gronden voor de wraking zijn als volgt:
- In weerwil van het Landelijk strafprocesreglement art. 8.2.1. en in weerwil van de expliciete mededeling in de e-mail van de zittingsgriffier d.d. 8 augustus jl. geen rekening houden met de verhinderingen van de advocaat van verzoeker.
- Wel rekeninghouden bij het plannen van de zitting met de beschikbaarheid van de tegenpartij van verzoeker en deze een voorkeursbehandeling geven, waardoor geen gelijke behandeling van partijen wordt gegeven.
- Daarbij -dus naast de ongelijke behandeling- de belangen van verzoeker ondergeschikt maken, verzoeker daardoor effectief langer in voorlopige hechtenis laten zitten en hem daardoor daadwerkelijk nadeel geven als gevolg van de ongelijke behandeling.
- Het niet willen beantwoorden van vragen daarover teneinde kennelijk zo dit vooringenomen gedrag te verhullen.
- Het niet willen bevestigen dat u de voorzitter bent die deze beslissingen heeft genomen en namens wie de berichten zijn verzonden, kennelijk teneinde zo het vooringenomen handelen te verhullen en een wraking te frustreren.
- Het instrueren van medewerkers van de verkeerstoren om niet meer te antwoorden, kennelijk teneinde zo een informatie vergaring over uw beslissingen en uw identiteit te frustreren en zo een wraking frustreren.
- Het niet antwoorden van e-mails en zo disrespect en dedain jegens verzoeker ten toon spreiden.
3. De beoordeling
Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel. Daarnaast geldt dat ook de objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid grond kan zijn voor wraking.
In zijn arrest van 25 september 2018 (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad overwogen dat
het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking; wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
Bij de beantwoording van de vraag of de motivering van een dergelijke (tussen)beslissing getuigt van vooringenomenheid, moet uitgangspunt zijn dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich evenzeer ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
Een rechterlijke beslissing, zoals het bepalen van een mondelinge behandeling, is geen grond tot wraking, zoals is beslist in het hierboven genoemde arrest. Voorts is niet gebleken dat de motivering zoals blijkt uit de verschillende namens de rechter aan de gemachtigde verzonden berichten blijkt geeft van vooringenomenheid. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.
4. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Wrakingskamer:
wijst het verzoek tot wraking af;
Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, N.C.H. Blankevoort en A.W.J. Ros, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 oktober 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat op grond van artikel 515 lid 5 Sv geen rechtsmiddel open.