RECHTBANK AMSTERDAM
Vonnis van de kantonrechter
[eiseres] .
VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE
vonnis
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 8375182 CV EXPL 20-4103
vonnis van: 16 januari 2024
I n z a k e
gevestigd te [vestigingsplaats]
eiseres in conventie, verweerster in reconventie
nader te noemen: [eiseres]
gemachtigde: mr. P.W.M. Huisman
t e g e n
1. de stichting Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid
gevestigd te Amsterdam
2. de stichting Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor de Bouwnijverheid
3. de stichting Stichting Aanvullingsfonds Bouw & Infra
beiden gevestigd te Harderwijk
gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie
nader te noemen: Bpf Bouw, O&O en SABI, gezamenlijk ook de Fondsen,
gemachtigde: mr. E. Lutjens
Op 14 maart 2022 is een tussenvonnis gewezen. Ter uitvoering van dat tussenvonnis hebben de Fondsen op 21 november 2022 een akte ingediend met de door een onderzoeker opgestelde rapportage en de onderliggende werkmappen. Vervolgens hebben [eiseres] en de Fondsen achtereenvolgens een akte ( [eiseres] met producties) genomen.
Daarna is vonnis bepaald.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Beoordeling
5. Uit deze gegevens heeft APG na (aselectief steekproefsgewijs) onderzoek naar 27 projecten geconcludeerd dat uit geen enkel stuk van [eiseres] blijkt dat sprake is van connexiteit tussen de asbestverwijdering en het in een later stadium aanbrengen van isolerende materialen. In het rapport is opgenomen: de contactpersoon heeft aangegeven dat de onderzoeksresultaten met betrekking tot het jaar van onderzoek representatief zijn voor de 2 voorafgaande jaren en de huidige situatie.
6. De conclusie van de Fondsen uit het onderzoek is vervolgens dat niet is gebleken dat er werkzaamheden van [eiseres] uit 2015 onder de isolatie-uitzondering vallen/vielen en dat, nu [eiseres] geen stukken meer heeft over de periode 2007-2015 terwijl dat wel op haar weg ligt, er vanuit gegaan moet worden dat de isolatie-uitzondering niet op haar van toepassing is.
7. Bij akte heeft [eiseres] gereageerd op het rapport en de akte van de Fondsen. Kort gezegd is [eiseres] van oordeel dat het onderzoek van APG niet volledig en zorgvuldig (genoeg) is geweest en dat reeds daarom dient te worden geconcludeerd dat door de Fondsen onvoldoende is aangedragen om vast te kunnen stellen dat de activiteiten van [eiseres] in de jaren tot en met 2016 onder de Bouwregelingen vielen. [eiseres] heeft daarbij de door APG onderzochte projecten specifiek en gedetailleerd op het punt van de werkzaamheden weersproken. [eiseres] meent dat haar vordering in elk geval tot en met 2016 behoort te worden toegewezen, en die van de Fondsen evenzo te worden afgewezen.
8. In hun antwoord-akte hebben de Fondsen kort gereageerd. Daar waar [eiseres] niet heeft aangetoond dat van connexiteit met opvolgende isolerende werkzaamheden sprake is, is volgens de Fondsen slechts de conclusie te trekken dat de Bouwregelingen op [eiseres] van toepassing zijn.
9. Na alle stellingen en stukken, en na het laatste onderzoek, overweegt de kantonrechter als volgt. De kantonrechter ziet allereerst niet in op welke wijze het laatste onderzoek van APG anders en met name verdergaand is geweest dan haar eerdere onderzoek naar [eiseres] waarbij (eveneens) louter administratie en facturen zijn bekeken. Anders dan in het tussenvonnis is geopperd is er niet “doorgevraagd”. Er is geen contact gelegd met opdrachtgevers van [eiseres] , die mogelijk opheldering kunnen geven over wat het doel was van de werk-zaamheden waarvoor zij [eiseres] hadden ingeschakeld. Evenmin is gekeken naar de aard of het type opdrachtgevers van [eiseres] .
10. Wederom is derhalve niet onderzocht of de werkzaamheden van [eiseres] direct zijn opgevolgd door werkzaamheden met een isolerend doel en karakter, voor dezelfde plek waar eerst asbest zat. Daarmee is volgens de kantonrechter de connexiteit gegeven. Als bijvoorbeeld een woningbouwvereniging [eiseres] bij een renovatieproject inschakelt, ligt opvolgende isolatie voor de hand. Of het asbest nu rond een luchtpijp zat, in een golfplaten-dak of de vloer. Opvallend aan het rapport is ook dat waar een objectief en neutraal onderzoek verwacht mocht worden, APG stelt dat [eiseres] niet heeft kunnen bewijzen dat zij onder de isolatie-uitzondering van de Bouwregelingen viel. Daarmee miskent APG echter dat waar de Fondsen zich beroepen op een rechtsgevolg, de bewijslast en daarmee het bewijsrisico bij de Fondsen dient te liggen en niet bij [eiseres] , hoewel die een verzwaarde stelplicht heeft. En aan de stelplicht heeft [eiseres] (ook) door volledige toegang tot haar administratie te geven voldoende voldaan.
11. Nu feitelijk niet veel ander onderzoek is gedaan dan bij het eerste rapport van APG, namelijk het bekijken van de facturen, terwijl de kantonrechter de Fondsen juist de mogelijkheid heeft geboden voor een verdergaand onderzoek, dient dit voor hun rekening te komen. In samenhang met de lastig leesbare werkingssfeer-definitie (vgl ECLI:NL:GHAMS:2023:1289), zeker (destijds) gelezen in combinatie met de isolatie-uitzondering, impliceert het vorenstaande dat niet is komen vast te staan dat [eiseres] met haar bedrijfsactiviteiten onder de werkingssfeerbepaling van de Bouwregelingen valt.
12. Het voorgaande heeft voor de vorderingen in conventie en reconventie de volgende gevolgen. De verklaring voor recht zoals door [eiseres] is gevorderd dat de verplichttellingsbeschikking en de cao’s in de periode vanaf 1 januari 2007 niet van toepassing zijn op [eiseres] is toewijsbaar, met dien verstande dat dit enkel geldt tót 2016, nu partijen het erover eens zijn dat [eiseres] vanaf 2016 wel onder de (destijds gewijzigde) werkingssfeer valt. De vorderingen in reconventie dat, kort weergegeven, [eiseres] vanaf 1 januari 2007 valt onder de Bouwregelingen en vanaf 1 januari 2007 premie moet betalen, moet gezien het voorgaande worden afgewezen. Bij een verklaring voor recht over een kortere periode hebben de Fondsen geen belang. De vorderingen tot betaling van (samengevat) de premies en rente delen dit lot, evenals de vorderingen om gegevens en een controleverklaring te verstrekken aan de Fondsen.
13. Nu de vordering van [eiseres] grotendeels wordt toegewezen, en die van de Fondsen worden afgewezen, dienen de Fondsen te worden veroordeeld in de kosten van de procedure.
BESLISSING
De kantonrechter :
In conventie
verklaart voor recht dat de verplichtstellingsbeschikking voor de Bouwnijverheid, de cao voor de Bouwnijverheid/Bouw&Infra en de cao Bedrijfstak Eigen Regelingen voor [eiseres] niet geldt in de periode 2007 – 2016, zodat eiseressen daaraan geen aanspraken tot betaling van premies dan wel overige vorderingen ten opzichte van [eiseres] kunnen ontlenen;
veroordeelt de Fondsen in de kosten van de procedure tot heden, als volgt: € 4.630,00 aan salaris gemachtigde (€ 926,00 en 5 punten)€ 124,00 aan griffiegeld€ 83,38 aan dagvaardingskosten
In reconventie
wijst de vorderingen van de Fondsen af;
veroordeelt de Fondsen in de kosten van de procedure, gevallen in reconventie verder bepaald op nihil.
In conventie en reconventie
V. veroordeelt de Fondsen in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 66,- aan salaris gemachtigde, voor zover van toepassing inclusief btw;
VI. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.