RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/733992 / HA ZA 23-484
Vonnis van 31 januari 2024
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser]
gevestigd in [plaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. A.L. Al te Haarlem,
tegen
de naamloze vennootschap
AFC AJAX N.V.,
gevestigd in Amsterdam,
gedaagde partij,
advocaat: mr. C.A. Segaar te Loosdrecht.
Partijen zullen hierna [eiser] en Ajax worden genoemd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 25 oktober 2023,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 december 2023,
- het rolbericht van mr. Al met betrekking tot een kennelijke verschrijving in het proces-verbaal.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Waar gaat de zaak over?
[eiser] had met Ajax een overeenkomst van opdracht voor het scouten van voetballers. In de overeenkomst was bepaald dat [eiser] recht had op een additionele vergoeding op het moment dat een door haar voor Ajax gescoute voetballer werd getransfereerd naar een andere club en Ajax daar een netto resultaat aan overhield. Nadat de scoutingsovereenkomst (door tijdsverloop) was geëindigd en [eiser] aan Ajax finale kwijting had verleend, zijn twee door [eiser] gescoute spelers van Ajax tegen forse transfersommen getransfereerd naar Manchester United. Het gaat om [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ).
[eiser] vordert in deze procedure een additionele vergoeding van ruim 2 miljoen euro in verband met de transfers van [naam 1] en [naam 2] . Volgens Ajax heeft [eiser] daar afstand van gedaan toen zij tekende voor finale kwijting. Volgens [eiser] zag die kwijting niet op dit soort toekomstige vergoedingen en kan zij niet aan de kwijting worden gehouden.
Voor zover Ajax toch een additionele vergoeding moet betalen aan [eiser] , is Ajax het niet eens met de hoogte daarvan. Volgens Ajax moet de tekst van de scoutingsovereenkomst anders worden uitgelegd dan [eiser] doet en moeten er meer kosten van de transfersom worden afgetrokken om tot het netto resultaat van Ajax te komen.
De rechtbank komt aan de berekening van de additionele vergoeding niet toe, omdat de finale kwijting aan toekenning van een vergoeding in de weg staat. De vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
3. De beoordeling
In de kern gaat het geschil over de vraag wat de reikwijdte is van de kwijting die [eiser] en Ajax overeen zijn gekomen. Met name gaat het erom of die kwijting ook geldt voor de additionele vergoeding die in artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst is opgenomen.
Artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst luidt als volgt:
“Indien een door [eiser] en [naam 3] [Rb: de scouts van [eiser] ] gescoute speler (als bovenbedoeld) naar Ajax wordt getransfereerd en deze wordt binnen een periode van vier jaar na zijn indiensttreding door Ajax wordt getransfereerd naar een andere club (“de Toekomstige Transfer”), dan zullen partijen per keer een afspraak maken over een door Ajax te betalen aanvullende vergoeding mits Ajax een netto bedrag aan de Toekomstige Transfer heeft overgehouden. Daarvan is alleen sprake als de Toekomstige Transfersom die Ajax heeft ontvangen hoger is dan alle kosten en betalingen in verband met de speler die ten laste van Ajax zijn gekomen (vast bruto jaarsalaris en wedstrijdpremies van de speler daaronder niet begrepen).
[Opm. een percentage van het netto door Ajax overgehouden bedrag kan niet worden afgesproken, want dat zou een door de FIFA en KNVB reglementen verboden afspraak zijn. Wel kan per keer, nadat de Toekomstige Transfer heeft
plaatsgevonden, een vast bedrag worden afgesproken dat niet gelijk staat aan een
percentage van de transfersom. Een rekenvoorbeeld is bijgevoegd].”
De brief van 11 juni 2020 waarin de kwijting is verleend en die ter bevestiging daarvan namens [eiser] is ondertekend door haar directeur [eiser] (hierna: [eiser] ) en partner [naam 3] luidt als volgt (hierna: de verklaring):
“(aanhef brief)
Hierbij de bevestiging dat de lopende Opdrachtovereenkomst per 1 september 2020 tot een einde komt en na die datum niet zal worden verlengd.
Tevens de bevestiging dat Ajax alle betalingen onder de Opdrachtovereenkomst heeft voldaan en dat jullie Ajax volledige en finale kwijting verlenen.
Graag ontvangen we ter bevestiging een ondertekend exemplaar van deze brief retour.
(ondertekening).”
De tekst van de verklaring is volstrekt duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar: [eiser] verleent Ajax volledige en finale kwijting voor de gehele opdrachtovereenkomst, waarmee de scoutingsovereenkomst wordt bedoeld. Dat daarmee slechts de betalingen tot dat moment werden bedoeld, zoals door [eiser] is bepleit, valt daaruit niet af te leiden. Tussen partijen is niet in geschil dat Ajax tot dat moment aan de betalingsverplichtingen had voldaan. Ook is niet in geschil dat de scoutingsovereenkomst zou eindigen per 1 september 2020, omdat die voor bepaalde tijd was overeengekomen en niet werd verlengd. Gelet hierop ligt het zelfs voor de hand dat de kwijting juist is bedoeld om ook de verplichtingen onder artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst te beëindigen, omdat dat nog de enige verplichtingen waren.
Dat [eiser] dat naderhand ook zo heeft begrepen, blijkt uit de e-mail die [eiser] op
29 september 2020 aan Ajax stuurde en waarin hij verwijst naar de brief van 11 juni 2020, maar schrijft dat die correct is met uitzondering van artikel 5.3 in de beëindigde overeenkomst. Ajax heeft die lezing niet bevestigd, althans, dat blijkt niet uit de door [eiser] overgelegde stukken. Daarentegen blijkt uit e-mails van de voormalig technisch directeur van Ajax en haar bedrijfsjurist dat er wat Ajax betreft geen verplichtingen meer zijn richting [eiser] en dat het dossier is gesloten.
Voor zover [eiser] zich ten tijde van de ondertekening van de verklaring van 11 juni 2020 niet heeft gerealiseerd dat de kwijting zich uitstrekte over de gehele scoutingsovereenkomst inclusief artikel 5.3, geldt dat dat voor risico van [eiser] dient te blijven. De kwijtingsverklaring is juridisch gezien niet al te ingewikkeld en [eiser] is geen nieuwkomer in de voetballerij. Zij heeft een uitgebreide staat van dienst zowel als scout als spelersmakelaar en moet in de loop der jaren met een veelheid aan contracten en de beëindiging daarvan te maken hebben gehad. Daar komt bij dat aan de verklaring een gesprek vooraf is gegaan en dat [eiser] voldoende tijd heeft gehad om zich desgewenst ten aanzien van de verklaring juridisch te laten bijstaan. Zij heeft de verklaring immers pas twee weken na ontvangst ondertekend retour gestuurd. Van ongelijkwaardigheid tussen de beide contractspartijen, die gecorrigeerd moet worden, is in dit opzicht dan ook geen sprake.
Ook het betoog van [eiser] dat zij in redelijkheid niet aan de kwijting kan worden gehouden voor zover het artikel 5.3 betreft, omdat tegenover de kwijting geen tegenprestatie stond volgt de rechtbank niet. Het klopt dat er bij een kwijting om niet een zekere mate van zorgplicht is aan de zijde van de schuldenaar (i.c. Ajax) om zich ervan te vergewissen dat de schuldeiser (i.c. [eiser] ) weet wat hij prijsgeeft. Daarbij geldt dat de zwaarte van een zorgplicht samenhangt met de zwaarte van de vordering waarvan afstand wordt gedaan. Ten tijde van de ondertekening van de kwijtingsverklaring was een eventuele vordering op grond van artikel 5.3 hoogst onzeker. Zo geldt voor twee andere door [eiser] gescoute spelers dat Ajax überhaupt geen netto resultaat of bedrag heeft overgehouden bij hun vertrek naar een andere club. Bovendien was niet te voorzien hoe [naam 1] en [naam 2] zich bij Ajax zouden ontwikkelen. [naam 1] had in juni 2020 nog geen wedstrijd voor Ajax gespeeld, omdat de competitie stil lag vanwege de coronapandemie. [naam 2] trad pas in augustus 2020 in dienst, zodat ook hij nog niet voor Ajax in actie was gekomen. Uit de bewoordingen waarmee in de media over de respectievelijke transfersommen werd geschreven (o.a. een ‘duizelingwekkend bedrag’ voor [naam 1] volgens AD Sport en een ‘recordbedrag’ voor [naam 2] volgens RTL nieuws) blijkt wel dat die bedragen ongekend hoog waren. Ten tijde van het verlenen van de kwijting kan de verwachting dus in ieder geval niet zijn geweest dat afstand werd gedaan van een vordering van ruim € 2 miljoen die [eiser] nu vordert (nog daargelaten dat Ajax de hoogte daarvan betwist). Dat de kwijting zich uitstrekte over de gehele scoutingsovereenkomst inclusief artikel 5.3 daarvan was in de gegeven omstandigheden ten tijde van de ondertekening daarvan dan ook niet zodanig onredelijk dat die kwijting buiten werking moet worden gesteld.
Overigens is ook niet ondenkbaar dat de kwijting niet geheel ‘om niet’ is geweest, zoals Ajax op de zitting heeft gesuggereerd, maar ter verkrijging van een vorm van (veronderstelde) goodwill. De voetballerij is immers een kleine wereld waar men elkaar geregeld tegenkomt en waar de aanspraak op aanvullende vergoedingen bij toekomstige transfers van spelers in scoutingsovereenkomsten kennelijk niet gebruikelijk is.
Slotsom
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser] met haar verklaring in de brief van 11 juni 2020 afstand heeft gedaan van haar vorderingen op basis van artikel 5.3 van de scoutingsovereenkomst, zodat aan [eiser] geen vergoeding toekomt naar aanleiding van de transfers van [naam 1] en [naam 2] . De vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.
Proceskosten
[eiser] is de partij die ongelijk krijgt en zij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van Ajax als volgt vastgesteld:
griffierecht € 8.519,00
salaris advocaat € 8.494,00 (2,00 punten x € 4.247,00)
nakosten € 173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 17.186,00
4. De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Ajax tot dit vonnis vastgesteld op € 17.186,00. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 90,00 extra betalen, plus de kosten van betekening.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wouters en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2024.