RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 10724671 EA VERZ 23-927
beschikking van: 10 januari 2024
beschikking van de kantonrechter
I n z a k e
de Gemeente de Gemeente Amsterdam
gevestigd te Amsterdam
verzoekster
nader te noemen: Gemeente Amsterdam
gemachtigde: mr. J.Th. van Doesum
t e g e n
[verweerder]
wonende te [woonplaats]
verweerder
nader te noemen: [verweerder]
gemachtigde: mr. K.J. de Vaan
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt Gemeente Amsterdam ontbinding van de arbeidsovereenkomst met haar werknemer. In een strafprocedure is deze werknemer veroordeeld voor dwang tegen twee vrouwen, aan wie hij ook cocaïne heeft verstrekt. Dit heeft plaatsgevonden in de privésfeer. Beoordeeld moet worden of dit leidt tot een redelijke grond om de arbeidsovereenkomst te ontbinden en of de werknemer recht heeft op een transitievergoeding.
1. De procedure
Gemeente Amsterdam heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. Dit verzoek is op 27 september 2023 ontvangen en heeft 15 bijlagen. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend, met vijf bijlagen.
Op 13 december 2023 heeft een zitting plaatsgevonden. Daarbij was voor Gemeente Amsterdam mevrouw [naam] aanwezig, samen met de gemachtigde. [verweerder] was ook met zijn gemachtigde aanwezig. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft hier aantekeningen van gemaakt. Partijen hebben zelf spreekaantekeningen gebruikt, die in het dossier zijn opgenomen. Voorafgaand aan de zitting heeft Gemeente Amsterdam nog een aanvullende bijlage toegezonden. Op de mondelinge behandeling heeft Gemeente Amsterdam om een beschikking gevraagd. De kantonrechter heeft daarvoor een datum bepaald.
2. Feiten
[verweerder] , geboren op [geboortedatum] , is sinds 1 april 2006 in dienst bij Gemeente Amsterdam.
Sinds 1 maart 2022 werkt [verweerder] als Sportmakelaar – sociaal adviseur bij het Team Basisvoorzieningen van het stadsdeel Noord. Het salaris bedraagt € 5.009,- bruto per maand. De opzegtermijn bedraagt vier maanden.
De functie van Sportmakelaar is gericht op sportbevordering voor jeugd en volwassenen in het stadsdeel Noord. De Sportmakelaar onderhoudt daarvoor contacten met partners uit zorg, onderwijs, zorg en welzijn. In een vacaturetekst die Gemeente Amsterdam heeft overgelegd wordt de sportmakelaar gezien als een verbinder, ondersteuner en aanjager van sportstimulering.
Tot 1 maart 2022 was [verweerder] werkzaam als Sportcoördinator vecht- en krachtsport. In die functie was hij eindverantwoordelijke voor het opzetten van een aanbod van kracht- en vechtsporten op scholen en wijken in Amsterdam. In dat kader bezocht hij lessen op scholen en in de wijk, onderhield hij nauw contact met instructeurs en bezocht hij evenementen.
In de zomer van 2023 heeft Gemeente Amsterdam schriftelijk meldingen over [verweerder] ontvangen. De meldingen zijn afkomstig van vier vrouwen, die [verweerder] allen kenden via de vechtsport of de vechtsportbond. Zij hebben verklaard dat zij een seksuele relatie met [verweerder] hebben gehad, waarbij sprake was van mishandeling en voortdurende manipulatie. Zij hebben aangegeven dat [verweerder] hen cocaïne heeft aangeboden, hen daarvan afhankelijk wilde maken en hen onder druk gezet heeft om voor hem seks te hebben met anderen.
Gemeente Amsterdam heeft de meldingen voorgelegd aan de politie. Hierop is het team Mensenhandel van de politie een strafrechtelijk onderzoek gestart. Dit heeft ertoe geleid dat [verweerder] in november 2022 is aangehouden en in voorlopige hechtenis is genomen.
Op 13 december 2022 heeft Gemeente Amsterdam schriftelijk aan [verweerder] medegedeeld dat ook het Bureau Integriteit onderzoek zou doen en dat hem daarom werd verboden persoonlijk, schriftelijk, telefonisch of anderszins contact op te nemen met collega’s van Gemeente Amsterdam. Verder is hem opgedragen beschikbaar te blijven om medewerking te verlenen aan het onderzoek voor zover zijn detentie dit niet zou belemmeren.
Uiteindelijk hebben twee van de vier vrouwen aangifte tegen [verweerder] gedaan. De andere twee vrouwen zijn in de strafprocedure als getuige opgetreden.
In het strafproces is [verweerder] bij vonnis van 24 mei 2023 veroordeeld voor een misdrijf tegen de persoonlijke vrijheid, te weten dwang (artikel 284 Wetboek van Strafrecht), gepleegd in de periode van 1 januari 2016 tot en met 26 mei 2020. Ook is hij veroordeeld voor handelen in strijd met een door de Opiumwet gegeven verbod. Hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Ook is hij veroordeeld in betaling van schadevergoeding aan de twee vrouwen die aangifte tegen hem hebben gedaan. De rechtbank heeft hiertoe, voor zover hier relevant (in overweging 8.3) als volgt overwogen:
“Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het toepassen van dwang in de zin van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht. Hij heeft twee kwetsbare vrouwen onder druk gezet en gemanipuleerd en hen op die manier in situaties gebracht die voor hen onwenselijk waren. Hij heeft de door hen aangegeven seksuele grenzen, dan wel de grenzen die voor hem kenbaar moesten zijn, herhaaldelijk overschreden. Verdachte heeft hierbij misbruik gemaakt van de (aanvankelijk) experimentele seksuele voorkeuren van beide vrouwen. Hij is met beide dames een BDSM-relatie aangegaan, heeft hen van hem afhankelijk gemaakt – mede door het verstrekken van cocaïne – en heeft de tussen hen gemaakte afspraken niet gerespecteerd. Dat verdachte geen rekening heeft gehouden met de grenzen van aangeefsters – die voor hem volstrekt duidelijk hadden moeten zijn – en enkel oog heeft gehad voor zijn eigen seksuele genot, rekent de rechtbank hem aan. Verdacht heeft hierdoor ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van beide aangeefsters.
Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het verstrekken van cocaïne aan deze vrouwen. Verdachte heeft aangeefsters kennis laten maken met het gebruik van cocaïne en dit ingezet als middel om seksuele grenzen te doen vervagen. Cocaïnegebruik is schadelijk voor de gezondheid van gebruikers. Daarnaast brengt cocaïnegebruik allerlei vormen van criminaliteit met zich mee. Om deze reden dient krachtig te worden opgetreden tegen het bezit ervan De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.”
In het strafproces is ook mensenhandel ten laste gelegd, maar dat heeft de rechtbank niet bewezen geacht, omdat de feiten zijn begaan binnen de context van een BDSM-relatie en het oogmerk van seksuele uitbuiting daarom ontbrak.
Het bewijs dat een centrale rol speelt in de strafprocedure zijn verklaringen van de vier vrouwen die ook bij Gemeente Amsterdam melding hebben gedaan. Over de betrouwbaarheid van deze verklaringen is in het strafvonnis het volgende overwogen:
“hoewel de verklaringen van aangeefsters door verdachte op onderdelen wordt tegengesproken, gaat de rechtbank uit van de inhoud daarvan. Aangeefsters hebben gedetailleerd en consistent verklaard en de verklaringen bevatten veel overeenkomsten, ook met de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]. Er is sprake van een overeenkomende modus operandi van verdachte. Er is steeds sprake van een BDSM-karakter binnen de relatie, het gebruik van cocaïne en het ruige karakter van de seks. Ook komt het hebben van seks met anderen steeds weer ter sprake. Dit geldt ook voor het bezoeken van parenclubs en het uitvoeren van seksuele handelingen voor de camera. Hoewel er bij [getuige 1] en [getuige 2] uiteindelijk geen strafbare feiten zijn geconstateerd, waardoor het niet tot het doen van aangifte is gekomen, bieden hun verklaringen wel steun aan de verklaringen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]. De rechtbank gaat bij de beoordeling van de tenlastelegging dan ook uit van de inhoud van beide aangiften.”
[verweerder] heeft de opgelegde gevangenisstraf uitgezeten en is niet tegen het vonnis in hoger beroep gegaan.
Bij brief van 27 juli 2023 heeft werknemer aan Gemeente Amsterdam laten weten dat hij sinds 5 juli 2023 was vrijgelaten. Hij heeft verzocht om wedertewerkstelling.
Op 15 augustus 2023 heeft er een gesprek plaatsgevonden met twee onderzoekers van Bureau Integriteit, werknemer, zijn strafrechtadvocaat en zijn (toenmalig) gemachtigde. Ook heeft werknemer op die datum een gesprek geweest met de stadsdeeldirecteur en direct leidinggevende.
Bij brief van 18 augustus 2023 heeft Gemeente Amsterdam aangekondigd dat zij een ontbindingsverzoek zou indienen en dat [verweerder] in afwachting daarvan werd geschorst. Ook is de loondoorbetaling met terugwerkende kracht per 27 juli 2023 hervat.
Op het dienstverband van werknemer is de Ambtenarenwet 2017 van toepassing. Op grond daarvan heeft [verweerder] een ambtseed afgelegd, waarin hij belooft trouw te zijn aan de grondwet en de overige wetten van het rijk en de geloofwaardigheid van het ambt niet te zullen schaden.
Gemeente Amsterdam heeft verdere uitwerking gegeven aan de Ambtenarenwet in een gedragscode, die ook op het dienstverband van [verweerder] van toepassing is. Hoofdstuk 6 van deze gedragscode gaat in op gedragingen van werknemers in de privésfeer. In het hoofdstuk wordt toegelicht dat onder meer van werknemers wordt verwacht dat zij er voor zullen zorgen dat zij ook in hun privésfeer de geloofwaardigheid van het ambt niet zullen schaden. Hierbij is de volgende toelichting opgenomen: “Wat zijn voorbeelden van gedragingen in de privésfeer die de geloofwaardigheid van het ambt schaden? Bijvoorbeeld als je in privétijd een strafbare misdraging begaat, zoals het mishandelen van een politiemedewerker. Of als je op digitale platforms bekend staat als ambtenaar en jij je daar racistisch of discriminerend uitlaat. Of als je in privétijd lid bent van een organisatie die geassocieerd wordt met criminaliteit.”
3. Het verzoek en het verweer
Gemeente Amsterdam verzoekt primair dat de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn wordt ontbonden met veroordeling van werknemer in de proceskosten. Zij verzoekt daarnaast dat bij het bepalen van de ontbindingstermijn geen rekening wordt gehouden met de opzegtermijn van Gemeente Amsterdam en dat wordt bepaald dat werknemer geen recht heeft op een transitievergoeding.
Aan dit verzoek heeft Gemeente Amsterdam ten grondslag gelegd dat sprake is van een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst, namelijk primair verwijtbaar handelen van de werknemer, subsidiair een verstoorde arbeidsverhouding en meer subsidiair de combinatiegrond als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub i BW. Hiertoe stelt Gemeente Amsterdam dat [verweerder] zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig misdrijf en daarmee het ambt heeft geschaad. [verweerder] heeft daarnaast volgens Gemeente Amsterdam onvoldoende laten zien dat hij beseft welke invloed zijn veroordeling heeft op zijn functie als ambtenaar en Sportmakelaar. Tot slot verwijt zij [verweerder] dat hij in de periode van 7 november 2022 tot 27 juli 2023 geen contact met haar heeft opgenomen. Al met al kan van Gemeente Amsterdam niet langer worden verwacht dat zij het dienstverband met [verweerder] laat voortduren. Het vertrouwen in hem is onherstelbaar beschadigd en dat is – volgens Gemeente Amsterdam – [verweerder] ernstig te verwijten.
Het verweer van [verweerder] strekt tot afwijzing van het verzoek. Indien de arbeidsovereenkomst wel wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] dat daarbij rekening wordt gehouden met de opzegtermijn en dat hem een transitievergoeding van € 34.167,77 bruto (althans, een in goede justitie te bepalen bedrag) wordt toegekend.
[verweerder] erkent dat hij strafrechtelijk is veroordeeld voor dwang en het verstrekken van cocaïne. Hij betwist in de kern echter dat daarmee sprake is van een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Er is onvoldoende oog geweest voor de BDSM-setting waarbinnen de feiten waarvoor [verweerder] is veroordeeld zich hebben voorgedaan. Het strafvonnis geeft daarom een onvoldoende genuanceerd beeld van de situatie, aldus [verweerder] .
Bij de beoordeling wordt uitgebreider op de standpunten van partijen ingegaan.
4. De beoordeling
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. Dat kan alleen als daarvoor een redelijke grond is, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 BW en herplaatsing van [verweerder] binnen Gemeente Amsterdam niet mogelijk is, of niet in de rede ligt.
In dit geval is sprake van een redelijke grond voor ontbinding. Hiertoe wordt als volgt overwogen.
Uit het strafvonnis volgt dat [verweerder] zich in zijn privésfeer schuldig heeft gemaakt aan (seksuele) dwang, waarmee hij twee de benadeelden materiële en immateriële schade heeft toegebracht. Dit strafvonnis heeft op grond van artikel 161 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dwingende bewijskracht. Dat betekent dat, behoudens tegenbewijs, van de inhoud daarvan moet worden uitgegaan. Overtuigend tegenbewijs is in deze arbeidsrechtprocedure niet geleverd. [verweerder] heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank onvoldoende oog heeft gehad voor de BDSM-context waarin de handelingen hebben plaatsgevonden. In het vonnis is echter expliciet overwogen dat [verweerder] grenzen heeft overschreden die hem – ook binnen de context van BDSM – volstrekt helder hadden moeten zijn. Het overzicht met een selectie van Whatsappberichten dat [verweerder] heeft overgelegd en dat volgens hem een genuanceerder beeld van de situatie geeft, is onvoldoende om de bewezenverklaringen uit het strafvonnis te ontzenuwen. Uitgangspunt is daarom dat [verweerder] zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvoor hij is veroordeeld.
Uitgaande van deze feiten is sprake van verwijtbaar handelen, dat maakt dat van Gemeente Amsterdam niet kan worden gevergd dat zij het dienstverband met [verweerder] laat voortduren. De samenleving moet kunnen vertrouwen op de integriteit van de overheid. Daaruit volgt dat aan de medewerkers van de overheid bepaalde gedragseisen kunnen worden gesteld. Dit gaat niet zover dat een ambtenaar in zijn privésfeer geen enkele misstap mag begaan. In dit geval is door [verweerder] echter een misdrijf gepleegd waarbij de lichamelijke en geestelijke integriteit van de benadeelden ernstig zijn aangetast. De onherroepelijke veroordeling is van recente datum. Dat is onverenigbaar met de positie van een ambtenaar. Daar komt bij dat de feiten zijn gepleegd in de periode dat [verweerder] werkzaam was als sportcoördinator en dat hij in die rol als vertegenwoordiger voor de gemeente naar buiten trad. Binnen zijn werkveld, te weten vecht- en krachtsport, is nu juist respect en lichamelijke integriteit van het grootste belang. Zijn huidige functie van Sportmakelaar ligt in het verlengde van zijn eerdere functie en ook in deze rol treedt hij als vertegenwoordiger van Amsterdam naar buiten. Als gevolg van zijn handelen is [verweerder] het vertrouwen van zijn werkgever onwaardig geworden. [verweerder] had zich dit moeten beseffen, mede gelet op de ambtseed die hij heeft afgelegd en de gedragscode die geldt. In die gedragscode is niet alleen met zoveel woorden vermeld dat ambtenaren ervoor moeten zorgen dat zij ook in hun privétijd de geloofwaardigheid van het ambt niet schaden, maar wordt ook benoemd dat het overtreden van de gedragsnormen kan leiden tot beëindiging van het dienstverband. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [verweerder] door zich schuldig te maken aan de bewezen feiten verwijtbaar heeft gehandeld tegenover Gemeente Amsterdam.
[verweerder] heeft aangevoerd dat hij erg is geschrokken van het strafproces en dat hij niet nog eens in deze situatie terecht zal komen. Dit is in lijn met het reclasseringsrapport dat is overgelegd, maar dat maakt het voorgaande niet anders. Gemeente Amsterdam heeft immers aangegeven dat zij het vertrouwen in [verweerder] is verloren en daar had zij, gelet op de ernst van de situatie, ook alle aanleiding voor. Van haar kan niet worden gevergd dat zij over deze vertrouwensbreuk heen stapt. Hieruit volgt eveneens dat herplaatsing binnen Gemeente Amsterdam niet in de rede ligt. De arbeidsovereenkomst zal daarom worden ontbonden op grond van artikel 7:671b jo. artikel 7:669 lid 3 sub e BW. Er is geen sprake van een opzegverbod dat aan deze ontbinding in de weg staat.
Vervolgens moet worden beoordeeld of het handelen van [verweerder] niet alleen kwalificeert als verwijtbaar, maar ook als ernstig verwijtbaar. Dit is van belang voor het vaststellen van de ontbindingstermijn en het recht op een transitievergoeding. Voor ernstig verwijtbaar handelen geldt een hoge lat, waaraan slechts in uitzonderlijke gevallen wordt voldaan.
Vooropgesteld wordt dat de handelingen van [verweerder] richting de benadeelden in de strafrechtelijke procedure zijn beoordeeld en bestraft. In deze arbeidsrechtprocedure moet het handelen van [verweerder] in relatie tot Gemeente Amsterdam worden beoordeeld. Hetgeen hem, in arbeidsrechtelijke zin, wordt verweten is dat hij zich binnen zijn privésfeer onvoldoende rekenschap heeft gegeven van zijn positie als ambtenaar en Sportmakelaar. Zijn handelen heeft geen direct verband met zijn werk. Van schade of afbreuk aan (de reputatie van) Gemeente Amsterdam is niet gebleken. Evenmin kan worden aangenomen dat hij bewust de geloofwaardigheid van zijn ambt geweld aan heeft gedaan, of de intentie had om Gemeente Amsterdam te schaden. [verweerder] heeft aangevoerd dat hij zijn baan bij de gemeente juist erg belangrijk vindt en dat hij de verantwoordelijkheden die daar bij komen ook serieus neemt. Hiermee in lijn heeft de leidinggevende van [verweerder] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat [verweerder] gedurende zijn lange dienstverband bekend stond als een prettige collega die zijn vak goed verstond. De conclusie is daarom dat [verweerder] tegenover zijn werkgever wel verwijtbaar, maar niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
De gemeente heeft [verweerder] ook nog verweten dat hij in de periode van 7 november 2022 tot 27 juli 2023 geen contact met haar heeft opgenomen. Dit maakt voorgaande niet anders. [verweerder] heeft toegelicht dat hij dacht dat hij geen contact met Gemeente Amsterdam mocht opnemen. Dat is, gelet op de instructie van Gemeente Amsterdam van 13 december 2022 (zie overweging 2.7) voorstelbaar. In ieder geval vormt dit onvoldoende grond om ernstig verwijtbaar handelen aan te nemen.
Gelet op het voorgaande wordt de ontbindingstermijn vastgesteld op grond van artikel 7:671b lid 9 onder a BW. Dat betekent dat rekening wordt gehouden met de opzegtermijn, waarop de duur van de procedure in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat ten minste een opzegtermijn van een maand resteert.
Nu de arbeidsovereenkomst op verzoek van Gemeente Amsterdam is ontbonden en deze ontbinding niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] in de zin van artikel 7:673 lid 3 onder c BW, heeft [verweerder] recht op de transitievergoeding. De berekening van de transitievergoeding is op zichzelf niet betwist en komt de kantonrechter juist voor. Uitgaande van een ontbinding per 1 maart 2024 bedraagt de transitievergoeding € 34.332,55 bruto.
De kantonrechter ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De kantonrechter:
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 maart 2024;
bepaalt dat [verweerder] recht heeft op de transitievergoeding ten bedrage van € 34.332,55 bruto;
veroordeelt Gemeente Amsterdam in de betaling van deze vergoeding;
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.
verklaart deze beschikking, wat betreft de veroordelingen, uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzocht af.
Deze beschikking is gegeven door mr. B.T. Beuving en op 10 januari 2024 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.