RECHTBANK AMSTERDAM
[veroordeelde],
beslissing
Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Datum uitspraak: 12 december 2025
Parketnummer: 13-238477-24 (tussentijdse toets ISD-maatregel)
De rechtbank Amsterdam heeft op 15 november 2024 de maatregel tot plaatsing in een instelling voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren opgelegd aan:
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
thans verblijvende in de [detentieplaats],
hierna te noemen: veroordeelde.
Procesgang
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:
De rechtbank heeft op 28 november 2025 de officier van justitie mr. B. Grünfeld, veroordeelde en zijn raadsman mr. M.A.C. van Vuuren, advocaat te Amsterdam, gehoord. Daarnaast is de [casemanager], senior casemanager bij de [detentieplaats], gehoord.
Beoordeling
Verloop van het ISD-traject
Uit voornoemd voortgangsverslag blijkt onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende.
De ISD-maatregel is aangevangen op 9 december 2024. De veroordeelde verbleef een periode in het [Justitieel Complex]. Hier vermeed hij contact met de casemanager en weigerde hij het verblijfsplan te ondertekenen. Ondanks dit heeft hij een nieuwe kans gekregen en is hij, met zijn instemming, op 16 juni 2025 overgeplaatst naar de [detentieplaats]. De start aldaar was hoopgevend. Echter, nadat de casemanager te laat op een afspraak verscheen, weigerde veroordeelde contact te maken met zowel zijn casemanager als zijn psycholoog. Vanwege het weigeren van het contact met de psycholoog is er geen actuele diagnostiek beschikbaar, waardoor de mogelijkheid tot een extramurale fase wordt verhinderd.
Daarnaast is geprobeerd om woonruimte voor veroordeelde te vinden maar geeft de gemeente aan dat hij geen regiobinding met Amsterdam heeft.. Geadviseerd wordt om de ISD-maatregel voort te zetten. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog, mede gelet op de problemen die veroordeelde heeft op verschillende leefgebieden. Door zijn vermijdende houding zijn er geen mogelijkheden om deze structureel met hem te bespreken en aan te pakken door middel van interventies. Voortzetting van de maatregel is noodzakelijk ter bescherming van de maatschappij en zodat aan veroordeelde hulp kan worden geboden op diverse leefgebieden, met name de behandeling van de problemen ter voorkoming van recidive.
De deskundige heeft dit advies op de openbare terechtzitting bevestigd en als volgt aangevuld. Als de ISD-maatregel wordt beëindigd komt de veroordeelde op straat zonder huisvesting. Er zijn ideeën over hoe de veroordeelde geholpen kan worden maar als hij nergens aan mee werkt is er niets mogelijk.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot voortzetting van de ISD-maatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de ISD-maatregel moet worden opgeheven omdat de maatschappij niet langer tegen veroordeelde beschermd hoeft te worden. Hij heeft geen alcohol meer gedronken sinds hij in detentie zit, waarmee het recidivegevaar sterk is verminderd. Daarnaast is het in het verleden bij veroordeelde voornamelijk misgegaan vanwege de bejegening door autoriteiten. Als dat soort situaties zich niet voordoet is de kans groot dat het goed zal gaan.
De verdachte heeft verklaard dat hij gefrustreerd is over de gang van zaken en dat hij zijn eerdere positieve instelling jegens de maatregel inmiddels is verloren. Hij zegt niet te kunnen garanderen dat hij nooit meer een strafbaar feit zal plegen indien de maatregel wordt opgeheven maar erkent zijn schuldaandeel in het stroeve verloop van de maatregel tot dusver.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank dient in het kader van de onderhavige procedure te beoordelen of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel noodzakelijk is. In artikel 38m lid 2 Wetboek van Strafrecht is bepaald dat de ISD-maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van verdachte. De rechter toetst daarbij of beëindiging van de maatregel zal leiden tot te verwachten onveiligheid, (drugs)overlast en verloedering van het publieke domein, en of er sprake is van een omstandigheid die buiten de macht van de veroordeelde ligt, waardoor voortzetting van de ISD-maatregel niet zinvol meer is.
Op grond van de hierboven genoemde stukken en het verhandelde op de openbare terechtzitting stelt de rechtbank vast dat de ISD-maatregel nog steeds noodzakelijk is ter voorkoming van recidive en dus ter beveiliging van de maatschappij. Uit het voortgangsverslag blijkt dat veroordeelde al snel contact weigerde met zijn casemanager en de psycholoog. Dit terwijl contact met de casemanager – onder andere – in verband met huisvesting nodig is, en contact met de psycholoog vereist is voor de geïndiceerde afname van diagnostiek. Wanneer de ISD-maatregel nu zou worden beëindigd komt veroordeelde alsnog zonder woonplek en zonder enige vorm van begeleiding op straat te staan. Een terugval in alcoholmisbruik is dan nog steeds een reëel scenario. Opheffing van de maatregel zal aldus leiden tot te verwachten onveiligheid en ernstige overlast.
De veroordeelde is niet tevreden met het huidige verloop van de ISD-maatregel. Dat is naar het oordeel van de rechtbank te wijten aan veroordeelde zelf. Om het resterende deel van de ISD-maatregel effectief te kunnen invullen is het van belang dat veroordeelde meewerkt aan diagnostiek en eventuele behandeling (indien geïndiceerd).
Daarom wordt als volgt beslist.
Gezien artikel 6:6:14 van het Wetboek van Strafvordering.
Beslissing
De rechtbank bepaalt dat de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel wordt voortgezet.
Deze beslissing is gegeven door
mr. L.F. Bögemann, voorzitter,
mrs. A.L. op ’t Hoog en C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 december 2025.