RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13.190849.25
Datum uitspraak: 12 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1982,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
hierna: verdachte.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.R. Bons, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. T. Venneman, en reclasseringsmedewerkers [reclasseringsmedewerker 1] en [reclasseringsmedewerker 2] naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 22 juni 2025 te Amsterdam, een of meer levensmiddel(en), in elk
geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn, in elk geval aan een
ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat het ten laste gelegde kan worden bewezen, gelet op de hierna opgesomde bewijsmiddelen, waaronder de door verdachte ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring.
1. De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting op 28 november 2025.
2. Een geschrift, te weten een landelijk aangifteformulier van de Albert Heijn op het Koningsplein 6 te Amsterdam van 22 juni 2025 met als bijlage een kassabon, onder meer inhoudende de verklaring van [persoon] , doorgenummerde pagina’s 5 tot en met 7.
Omdat verdachte het bewezenverklaarde feit heeft bekend en de raadsman hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, kan op grond van artikel 359 derde lid van het Wetboek van Strafvordering worden volstaan met de genoemde opgave van de bewijsmiddelen.
5. De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
op 22 juni 2025 te Amsterdam levensmiddelen die aan Albert Heijn toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
6. De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert een gevangenisstraf van 176 dagen, met aftrek van voorarrest.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht verdachte de mogelijkheid te geven zo snel mogelijk terug te keren naar [geboorteland], met behulp van de Regenboog Groep.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Dit is een vervelend en overlastgevend feit, dat (financiële) schade veroorzaakt voor de winkeliers.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 13 september 2025. Hieruit blijkt dat hij in de afgelopen jaren veelvuldig in contact is gekomen met justitie en veroordeeld is ter zake van onder andere vele winkeldiefstallen. De eerdere veroordelingen en de daarbij opgelegde gevangenisstraffen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om zich opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit.
Uit het reclasseringsadvies van de Verslavingsreclassering GGZ Fivoor van 6 oktober 2025 blijkt dat verdachte bekend staat als een stelselmatige dader en hierdoor in aanmerking komt voor de maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel). Het advies van de reclassering is om aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen waarin wordt toegewerkt naar een terugkeer naar [geboorteland]. Ter terechtzitting hebben de deskundigen het advies gehandhaafd, omdat vrijwillige terugkeer van verdachte naar [geboorteland] niet haalbaar wordt geacht.
Nu de officier van justitie niet de oplegging van de ISD-maatregel heeft gevorderd, kan de rechtbank deze conform artikel 38m Wetboek van Strafrecht, niet opleggen.
Gezien het voornemen van het Openbaar Ministerie om oplegging van een ISD-maatregel te vorderen zit verdachte sinds juni 2025 in voorlopige hechtenis voor onderhavig feit.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting iets naar beneden af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 164 dagen passend en geboden, met aftrek van het voorarrest. Nu verdachte op 3 december 2025 164 dagen in voorarrest zat, heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis per die datum geschorst, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte medewerking verleent aan zijn terugkeer naar [geboorteland] onder begeleiding van de Regenboog Groep. Dit bevel is apart opgemaakt.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan
hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
diefstal
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 164 (honderdvierenzestig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. L.F. Bögemann, voorzitter,
mrs. A.L. op ’t Hoog en C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 december 2025.