RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11739414 \ CV EXPL 25-8071
Vonnis van 12 december 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GVB EXPLOITATIE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: Trust Krediet Beheer B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 mei 2025, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
Eisende partij vordert veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 223,93 aan hoofdsom, vermeerderd met rente, incassokosten en proceskosten.
Nu de vordering is gebaseerd op een overeenkomst die is gesloten met een consument, moet ambtshalve worden getoetst aan het consumentenrecht. Om deze ambtshalve toets goed te kunnen uitvoeren, moet in de dagvaarding voldoende worden gesteld om dit onderzoek mogelijk te maken.
Eisende partij stelt in de dagvaarding dat gedaagde partij via de webshop van eisende partij een reisproduct heeft besteld, genaamd ‘GVB Start Flex’. Op de bestelling zijn algemene bestelvoorwaarden en productvoorwaarden van toepassing verklaard. Met het reisproduct kan gedaagde partij door heel Nederland met het openbaar vervoer reizen. De kosten worden achteraf gefactureerd. De overeenkomst is volgens eisende partij te kwalificeren als en uit te splitsen in twee juridisch van elkaar gescheiden overeenkomsten: een overeenkomst voor de aankoop van een of meerdere passagiersvervoersbewijzen (de vervoersovereenkomst) en een overeenkomst die tot doel heeft bij de latere sluiting van overeenkomsten inzake passagiersvervoer een korting te verlenen (de abonnementsovereenkomst).
Eisende partij stelt voor wat betreft de abonnementsovereenkomst dat zij aan de informatieplichten heeft voldaan en verwijst ter onderbouwing van die stelling naar schermafdrukken van het bestelproces uit 2024. De overeenkomst tussen partijen is echter gesloten in 2025. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan dan ook niet worden aangenomen dat gedaagde partij bij het plaatsen van de bestelling de overgelegde (toekomstige) schermafdrukken onder ogen heeft gekregen, waardoor niet kan worden getoetst of eisende partij tegenover gedaagde partij aan haar informatieplichten heeft voldaan op het moment van het sluiten van de overeenkomst. In dit verband wordt verwezen naar het Arvato-arrest, ECLI:NL:HR:2021:1677, rechtsoverweging 3.1.17.
Het is (de gemachtigde van) eisende partij inmiddels geruime tijd bekend welke informatie in dit verband moet worden aangeleverd, terwijl die informatie nog steeds niet in de dagvaarding is verwerkt, ondanks instructie daartoe. Verwezen wordt naar ECLI:NL:RBAMS:2025:344. Eisende partij is tot dusver steeds – door middel van een tussenvonnis – in de gelegenheid gesteld haar vordering nader toe te lichten en te onderbouwen, onder meer op het punt van de informatieplichten en de onderbouwing daarvan, alsmede op het punt van de kwalificatie van de abonnementsovereenkomst en daarmee samenhangend de vraag of kosten in rekening worden gebracht voor het achteraf betalen, een vorm van kredietverstrekking. Daarbij is expliciet aan (de gemachtigde van) eisende partij medegedeeld dat de betreffende informatie voortaan onderdeel moet zijn van de dagvaarding en als de gevraagde informatie en/of stukken niet of niet volledig wordt verstrekt, dat in het vervolg kan leiden tot afwijzing van de vordering wegens het niet voldoen aan de stelplicht.
Dat geeft vanaf nu aanleiding de vordering af te wijzen op de stelplicht. Niet alle voor de beoordeling van belang zijnde informatie is verstrekt, waardoor het ambtshalve onderzoek van de kantonrechter niet goed kan worden uitgevoerd.
Eisende partij wordt bij deze uitkomst als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.
3. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vordering af,
veroordeelt eisende partij in de proceskosten, die aan de zijde van gedaagde partij worden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025.
991