RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter civiel
Zaaknummer: C/13/778323 / KG ZA 25-908 NB/MAH
Vonnis in kort geding van 10 december 2025
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
ARTEMIS ITS GMBH,
te Düsseldorf (Duitsland),
eisende partij bij dagvaarding van 17 november 2025,
hierna te noemen: Artemis,
advocaat: mr. P. van Boxtel,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. R. de Mooij.
1. De procedure
Bij de zitting op 26 november 2025 waren aanwezig:
- aan de kant van Artemis: [naam 1] (gevolmachtigd werknemer) met mr. Van Boxtel,
- aan de kant van [gedaagde] : [naam 2] en [naam 3] (eigenaars-bestuurders) met mr. de Mooij.
Tijdens de zitting heeft Artemis de dagvaarding toegelicht en heeft [gedaagde] verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Na verder debat is vonnis bepaald op vandaag.
2. De feiten
[gedaagde] heeft in opdracht van Artemis vanaf 2021 werkzaamheden verricht voor diverse grote glasvezelprojecten.
Op verzoek van [gedaagde] heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 9 oktober 2025 verlof verleend voor het ten laste van Artemis leggen van conservatoire derdenbeslagen wegens door Artemis onbetaalde facturen uit 2024 en 2025 tot een bedrag van in totaal € 394.765,18. Daarbij is de vordering van [gedaagde] begroot op € 503.718,21.
Op 14 oktober 2025 zijn de beslagen gelegd onder een aantal derden. Vervolgens hebben (de advocaten van) partijen gecorrespondeerd over de mogelijkheid van opheffing van de beslagen tegen verstrekking van een bankgarantie.
Op 30 oktober 2025 heeft de advocaat van Artemis een concept-bankgarantie van de Rabobank aan de advocaat van [gedaagde] gezonden, met het verzoek te bevestigen dat de beslagen zullen worden opgeheven na het verstrekken van de bankgarantie.
Later die dag heeft de advocaat van [gedaagde] per e-mail geantwoord dat in het concept van de bankgarantie staat dat [gedaagde] de garantie alleen met recht kan inroepen indien er een uitspraak is die kracht van gewijsde heeft en dat [gedaagde] met die voorwaarde niet akkoord gaat. Zij “wil de reguliere weg van artikel 704 Rv volgen, in die zin dat indien er voor cliënte een positief vonnis volgt, het door de rechtbank toegewezen bedrag dient te worden voldaan uit de bankgarantie, ook al komen uw cliënten van dat vonnis in hoger beroep.”
Vervolgens hebben (de advocaten van) partijen hierover nog gecorrespondeerd, maar zij zijn niet tot een oplossing gekomen.
[gedaagde] heeft op 10 november 2025 bij deze rechtbank de dagvaarding in de hoofdzaak uitgebracht.
3. Het geschil
Artemis vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de opheffing van het onder Open Dutch Fiber B.V. gelegde beslag, dan wel opheffing voor het deel boven € 503.700,00, althans boven een in goede justitie te bepalen bedrag, dan wel [gedaagde] te gebieden dit conservatoire derdenbeslag op te heffen op straffe van een dwangsom, tegen afgifte van het origineel van de in de dagvaarding als productie 11 omschreven bankgarantie door Artemis aan [gedaagde] dan wel onder in goede justitie te bepalen nadere voorwaarden;
II. [gedaagde] te veroordelen om binnen 12 uur na het vonnis schriftelijk mededeling van de opheffing te doen aan Open Dutch Fiber B.V;
III. aan de onder I. en II. bedoelde veroordelingen dwangsommen te verbinden;
IV. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.
Artemis legt aan de vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag. Zij betwist € 394.765,18 schuldig te zijn, maar in afwachting van de discussie daarover in de bodemprocedure kiest zij voor het aanbieden van vervangende zekerheid in de vorm van een bankgarantie ter opheffing van het beslag. Zij heeft [gedaagde] een standaardbankgarantie (het NVB-model) aangeboden. Die kan worden ingeroepen zodra de vordering is toegewezen in een uitspraak met kracht van gewijsde. Dat is voldoende zekerheid en het beslag dient dus te worden opgeheven. [gedaagde] eist echter ten onrechte een bankgarantie die al uitkeert bij een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
[gedaagde] voert, samengevat, het volgende verweer. Uit de overgelegde producties blijkt dat Artemis gedurende lange tijd betalingen aan [gedaagde] heeft getraineerd, onder meer door geen inkooporders te sturen, waardoor het factureren onmogelijk werd gemaakt. [gedaagde] wil niet nog een paar jaar wachten tot Artemis haar betaalt waarop zij recht heeft, voor werk dat al lang en breed is uitgevoerd. Dat is onder meer de reden dat [gedaagde] niet akkoord wil gaan met een bankgarantie die pas kan worden ingeroepen bij een uitspraak die kracht van gewijsde heeft.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Artemis vordert de opheffing van het beslag onder (uitsluitend nog) Open Dutch Fiber B.V.; de overige beslagen zijn inmiddels opgeheven. De opheffing van een conservatoir beslag dat is gelegd voor een geldvordering kan onder meer worden bevolen indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. Het geschil tussen partijen draait om de vraag welk soort bankgarantie als voldoende zekerheid kan worden beschouwd. Is dat de door Artemis aangeboden bankgarantie die pas kan worden ingeroepen na een onherroepelijke rechterlijke uitspraak? Of is dat een bankgarantie die al uitkeert bij een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, zoals [gedaagde] betoogt?
Artemis stelt dat volgens vaste jurisprudentie een bankgarantie conform het standaard NVB-model, waarbij gegarandeerd is dat uitbetaling volgt bij een toewijzend vonnis (of arrest) dat in kracht van gewijsde is gegaan, voldoende zekerheid biedt in de zin van artikel 705 lid 2 Rv. Daarbij verwijst Artemis onder meer naar het arrest van Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1061. Daarin overweegt het Hof, voor zover hier van belang:
“3.13. (…) Ingevolge artikel 705 lid 2 Rv wordt een conservatoir beslag, zo dat is gelegd voor een geldvordering, opgeheven indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld. Een aangeboden zekerheid moet zodanig zijn dat de vordering en de (eventuele) daarop vallende rente en kosten behoorlijk gedekt zijn en dat de schuldeiser daarop zonder moeite verhaal zal kunnen nemen (vgl. artikel 6:51 lid 2 BW). Uit eerstgenoemde bepaling volgt dus niet de eis dat de vervangende zekerheid in alle opzichten gelijkwaardig dient te zijn.
Het hof neemt voor de beoordeling van het geschil naast het hiervoor overwogene tevens het arrest van 14 april 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1354 als uitgangspunt. Uit dit arrest is het volgende af te leiden: een bankgarantie conform het standaard NVB-model, waarbij gegarandeerd is dat uitbetaling volgt wanneer er een toewijzend vonnis is dat in kracht van gewijsde is gegaan, biedt voldoende zekerheid in de zin van artikel 705 lid 2 Rv. Het enkele feit dat deze garantie er niet toe leidt dat uitbetaling plaatsvindt zodra een toewijzend vonnis is gewezen dat nog niet in kracht van gewijsde is gegaan, maakt de zekerheid nog niet onvoldoende.
Het hof neemt hierbij in aanmerking dat een bankgarantie in andere opzichten méér zekerheid biedt dan (het handhaven van) een conservatoir beslag. In geval van faillissement van de schuldenaar vervalt een conservatoir beslag van rechtswege (artikel 33 Fw), maar biedt een bankgarantie wel zekerheid; degene ten gunste van wie een bankgarantie is gesteld wordt niet nadelig door een faillissement van een schuldenaar getroffen. Ook biedt een bankgarantie meer zekerheid dan een beslag in het geval er door meerdere schuldeisers cumulatief beslag wordt gelegd op hetzelfde goed.
Bij de beoordeling dienen voorts alle omstandigheden van het geval betrokken te worden.”
[gedaagde] stelt daar tegenover dat daar in de literatuur door gezaghebbende schrijvers anders over wordt gedacht. Zij verwijst naar de volgende passage in Asser Procesrecht/Beslag en Executie (Asser Procesrecht/Steneker 5 2023/416b):
“In dit opzicht zijn de meestgebruikte beslaggaranties opmerkelijk. Zowel het NVB-model als het Rotterdams Garantieformulier bepalen dat de garantie pas kan worden ingeroepen als het vonnis of arrest in kracht van gewijsde is gegaan. Die eis is echter een verslechtering van de positie van de schuldeiser (de begunstigde van de bankgarantie) ten opzichte van het beslag dat is opgeheven en waarvoor de beslaggarantie vervangende en dus gelijkwaardige zekerheid moet bieden. Dat beslag zou immers al ten uitvoer kunnen worden gelegd als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard (…), en niet pas als het vonnis of arrest in kracht van gewijsde is gegaan.
Mijns inziens kan de schuldeiser zich verzetten tegen opheffing van zijn beslag zolang geen bankgarantie wordt gesteld die reeds inroepbaar is bij een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak in de hoofdzaak. Een beslaggarantie die strengere eisen stelt, zou de bank niet moeten afgeven en zou de (voorzieningen)rechter niet moeten accepteren als vervangende zekerheid voor de opheffing van een beslag.”
Daarnaast verwijst [gedaagde] naar Tijdschrift voor de ondernemingsrechtpraktijk (TOP) 2018/98, waarin mr. E. Loesberg schrijft:
“Omdat de bankgarantie in de plaats komt van het conservatoire beslag meen ik dat een beroep op de bankgarantie mogelijk dient te zijn op het moment dat degene ten gunste van wie de bankgarantie is gesteld een veroordelende rechterlijke uitspraak heeft verkregen die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.”
De voorzieningenrechter volgt het standpunt van [gedaagde] . Asser/Steneker en Loesberg zijn autoriteiten op dit terrein en hun argumenten zijn overtuigend. Een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis moet het moment van uitkering van de bankgarantie zijn, zodat de beslaglegger wat dit betreft in een vergelijkbare positie komt als met het conservatoir beslag. Het is juist dat een bankgarantie in bepaalde opzichten gunstiger is dan conservatoir beslag, zoals het Hof Den Bosch overweegt, maar die enkele omstandigheid rechtvaardigt niet dat de houder van de bankgarantie veel langer zou moeten wachten op betaling dan de beslaglegger, die immers terstond na een toewijzend en uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis tot ten uitvoerlegging kan overgaan. Een andere opvatting zet een premie op vertraging van de procedure en het aanwenden van rechtsmiddelen enkel om betaling uit te stellen. In dit geval heeft [gedaagde] bovendien aannemelijk gemaakt dat Artemis betaling al langer zonder goede reden traineert en dat veel langer kan volhouden dan het veel kleinere [gedaagde] , wier liquiditeit in het geding is als zij het geld nog veel langer moet missen.
Tenslotte is van belang dat [gedaagde] op de zitting uitdrukkelijk heeft toegezegd te zullen meewerken aan opheffing van het beslag als er een bankgarantie ligt die uitkeert bij een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is.
De slotsom is dat de door Artemis aangeboden bankgarantie niet aangemerkt wordt als voldoende zekerheid en dat het beslag niet zal worden opgeheven.
Ook de (subsidiaire) vordering tot beperking van het beslag zal worden afgewezen.
Artemis heeft niet (voldoende) onderbouwd waarom het beslag moet worden beperkt. Artemis miskent hiermee dat het conservatoire beslag ook ten behoeve van medebeslagleggers strekt. De begroting van de vordering in het beslagverlof dient ertoe om te bepalen voor welk bedrag zekerheid moet worden gesteld ter opheffing van het beslag.
Artemis is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.999,00
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
weigert de gevraagde voorzieningen,
veroordeelt Artemis in de proceskosten van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met - als het vonnis wordt betekend - € 92,00 plus de kosten van betekening,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.A.H. Verburgh, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.
Type: MAH
Coll: BB