RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/239144-25
Datum uitspraak: 4 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 15 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 1 april 2025 door the Central District Court of Buda, Hongarije, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1969 te [geboorteplaats] (Hongarije),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 november 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J.H. Kortz, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Hongaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van the Child and Juvenile Protection Department of the Investigation General Department of the Budapest Police Headquarters van 26 februari 2025 (No. 01000/4539-387/ 2024.bü), goedgekeurd door the Investigation Supervision Department of the Budapest Chief Prosecutor’s Office op 13 maart 2025 (number NF.5639/2024).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Hongaars recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
4. Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De raadsman voert aan dat het lijstfeit ‘mensenhandel’ niet overeenkomt met de feitomschrijving in het EAB. Het lijstfeit is dus niet in redelijkheid aangekruist.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het lijstfeit ‘mensenhandel’ in redelijkheid is aangekruist.
De rechtbank overweegt dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit aanwijst als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
mensenhandel.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, naar het recht van die lidstaat, te beoordelen of het strafbare feit waarvoor overlevering wordt verzocht onder de hiervoor genoemde lijst valt. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden. Op basis van wat de raadsman aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om hiervan af te wijken.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5. Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden in Hongarije
De rechtbank heeft in eerdere uitspraken op basis van het rapport van the Comittee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishment (hierna: CPT) van 3 december 2024 overwogen dat sprake is van een onveilige situatie in de penitentiaire inrichting in Tiszalök, gelet op de ill-treatment van gedetineerden door het gevangenispersoneel en het geweld tussen gedetineerden onderling. Daarop heeft de rechtbank geoordeeld dat er voor gedetineerden in de penitentiaire inrichting in Tiszalök een algemeen reëel gevaar bestaat dat zij aan een onmenselijke of vernederende behandeling zullen worden blootgesteld in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).
Bij brief van 29 oktober 2025 heeft the Ministry of Justice of Hungary, Department of International Criminal Law de volgende informatie gegeven over de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd:
“ (…) 1. Depending on the stage of the criminal proceedings, it cannot be clearly predicted in which Hungarian penitentiary institution the extradited prisoner will initially be placed. Based on the information currently available, and in accordance with the EAW issued by the Central District Court of Buda, he is expected to be held at the Budapest Penitentiary Institution during his arrest. The transfer to the Szombathely Penitentiary Institution will take place out of turn after the final custodial sentence has been imposed.
2. It will be ensured that [de opgeëiste persoon] will not be transferred to the Tiszalök National Penitentiary Institution during his imprisonment. (…)”
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de voorgaande individuele garantie van 29 oktober 2025. De Hongaarse autoriteiten hebben gegarandeerd dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering niet in Tiszalök National Penitentiary Institution zal worden geplaatst. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de verstrekte individuele garantie, hiermee het vastgestelde algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weggenomen. De detentieomstandigheden in Hongarije staan niet aan de overlevering in de weg.
6. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
8. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Central District Court of Buda, Hongarije voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.