RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/248346-25
Datum uitspraak: 4 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 23 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 september 2025 door the Munich District Court, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 november 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van the Munich District Court van 31 oktober 2024 (met referentie: 853 Gs 1566/24)
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4. Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten vermeld in het EAB onder 2 en 3 aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie;
verkrachting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van deze feiten achterwege moet blijven.
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten vermeld in het EAB onder 1 niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren;
aanranding in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren, gevolgd door geweld.
5. Detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de detentieomstandigheden voor voorlopig gedetineerden in Duitsland zorgelijk zijn. De raadsman wijst op (niet overgelegde) rapporten van de Duitse National Agency for the Prevention of Torture (NAPT) uit 2022 (gepubliceerd op de website van de European Union Fundamental Rights Agency) en de U.S. Department of State uit 2024 waaruit blijkt dat voorlopig gedetineerden vaak 23 uur per dag op cel verblijven. Op grond van deze gegevens zou een mogelijk algemeen gevaar van schending van grondrechten moeten worden aangenomen.
Daarnaast bestaat voor de opgeëiste persoon een specifiek gevaar, omdat hij, gelet op de omstandigheden van zijn strafzaak, waarschijnlijk aan extra beperkingen wordt onderworpen in Duitsland. Dit kan betekenen dat hij naast de 23 uur op cel ook in totale afzondering verblijft. De raadsman verzoekt daarom om aanhouding van de zaak om een detentiegarantie op te vragen om dit specifieke gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de raadsman geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens heeft verstrekt die duiden op een algemeen reëel gevaar van schending van grondrechten in Duitse detentie-instellingen en dat daarom niet wordt toegekomen aan de vraag of sprake is van een individueel gevaar.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat door of namens de opgeëiste persoon geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens zijn verstrekt die duiden op een algemeen reëel gevaar van schending van grondrechten in Duitse detentie-instellingen voor voorlopig gedetineerden. Met betrekking tot het rapport van de NAPT uit 2022 geldt dat hieruit weliswaar blijkt dat gedetineerden die in Duitsland aan beperkingen zijn onderworpen in sommige gevallen gedurende langere perioden 23 uur per dag op cel verblijven, maar dit is op zichzelf onvoldoende om een algemeen reëel gevaar aan te nemen dat gedetineerden in Duitsland worden blootgesteld aan een mensonterende of onmenselijke behandeling. Het rapport van het U.S. Department of State uit 2024 ziet niet op de door de raadsman geschetste problematiek. Het verweer is ook voor het overige onvoldoende concreet onderbouwd met actuele gegevens en wordt daarom verworpen.
6. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 247, 249 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
8. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Munich District Court, Duitsland voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.