RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11660518 \ CV EXPL 25-6199
Vonnis van 5 december 2025
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. W. van der Kolk,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [locatie] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. L.G. van der Meer.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 9 april 2025, met producties 1-7,- de conclusie van antwoord, met producties 1-4, - het instructievonnis van 4 juli 2025
- de aanvullende producties 8 en 9 van [eiser] , ontvangen op 23 oktober 2025.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 november 2025. [eiser] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens [gedaagde] is verschenen de heer [naam] (bedrijfsleider), bijgestaan door de gemachtigde.
Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van een pleitnota en vragen van de kantonrechter beantwoord.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[eiser] heeft op 27 december 2023 bij [gedaagde] een tweedehands auto gekocht van het merk BMW, model X5 M50d met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) voor een koopprijs van € 32.511,40. Het bouwjaar van de auto is 2016 en de kilometerstand was op het moment van levering 169.744 kilometer.
Omstreeks 28 oktober 2024 kwam [eiser] op de snelweg met de auto tot stilstand en moest de auto worden afgesleept. De BMW-dealer Dusseldorp Alkmaar (hierna: Dusseldorp) constateerde dat de motor was stukgelopen en dat deze compleet moest worden vernieuwd c.q. gereviseerd. De kilometerstand op dat moment was 236.161 kilometer. [eiser] heeft op 31 oktober 2024 telefonisch aan [gedaagde] medegedeeld dat de motor was stukgelopen en moest worden vervangen.
Op 2 november 2024 is [eiser] bij [gedaagde] langsgegaan om over een oplossing te praten.
Op 6 november 2024 heeft [eiser] [gedaagde] per e-mail laten weten dat zij de motor van de auto zelf zou laten vervangen, waarbij zij aangaf vergoeding van de kosten ter hoogte van € 15.000 door [gedaagde] te verlangen.
Bij e-mail van 7 november 2024 heeft [gedaagde] het volgende aan [eiser] geschreven, voor zover van belang:
“[…] Ik heb zaterdag met jou besproken om het een en ander nog uit te zoeken, en kijken wat wij willen compenseren. Wat ik zaterdag wel duidelijk heb gemaakt en dat zal ik nu weer doen, is dat wij NIET alle kosten gaan dekken. […]”
[eiser] heeft op 12 november 2025 een nieuwe motor gekocht voor € 10.559,00. De nieuwe motor heeft zij op 3 december 2024 door een monteur in de auto laten plaatsen voor € 5.000,00.
3. Het geschil
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 15.559,00, vermeerderd met rente en kosten.
[eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de door haar gekochte auto niet aan de met [gedaagde] gesloten koopovereenkomst beantwoordt. Omdat [gedaagde] heeft geweigerd de motor te herstellen, mocht [eiser] gelet op artikel 7:21 lid 6 BW een derde inschakelen om de motor van de auto te laten herstellen c.q. vervangen. De kosten dienen hiervoor door [gedaagde] te worden vergoed.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Vooropgesteld wordt dat de overeenkomst tussen partijen met betrekking tot de koop van de auto een consumentenkoop is als bedoeld in artikel 7:5 lid 1 BW.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] niet-ontvankelijk is, omdat zij de auto op 7 mei 2024 heeft overgeschreven op naam van een derde en dus niet meer als eigenaar kan worden aangemerkt. Dit betoog wordt verworpen. [eiser] heeft met stukken onderbouwd gesteld dat en waarom de auto tijdelijk op de naam van een ander is gezet, maar dat zij de eigenaar bleef die in de auto reed en de kosten droeg. Dat is onvoldoende gemotiveerd betwist. In ieder geval is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] nog steeds aanspraak kan maken op haar rechten als koper jegens [gedaagde] als verkoper op grond van de consumentenkoop.
Op grond van artikel 7:17 lid 1 BW is een verkoper verplicht een zaak af te leveren die aan de overeenkomst beantwoordt. Verder volgt uit artikel 7:18a lid 2 BW dat bij een consumentenkoop wordt vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, als de afwijking van hetgeen is overeengekomen zich binnen een termijn van één jaar na aflevering openbaart.
Nu binnen een jaar na de koop de motor van de auto kapot is gegaan, geldt het wettelijke vermoeden van non-conformiteit bij aflevering van de auto. Het is daarom aan [gedaagde] om te stellen en bij betwisting te bewijzen dat de auto bij aflevering aan de overeenkomst heeft beantwoord. [gedaagde] heeft in dat kader aangevoerd dat een motor van dit type auto meer onderhoud vergt, en zeker wanneer er zo veel in gereden wordt als [eiser] heeft gedaan. De auto heeft na aflevering circa 70.000 kilometer afgelegd in tien maanden. Gelet op de gereden afstand mag worden verwacht dat ten minste twee maal groot onderhoud en meermalen klein onderhoud is uitgevoerd, en ook dat de motorolie een aantal keer is ververst. Uit de door [eiser] overgelegde facturen van Dusseldorp blijkt dat groot onderhoud in het geheel niet is gebeurd, aldus [gedaagde] .
De kantonrechter overweegt als volgt. [eiser] heeft met de hoeveelheid door haar gereden kilometers, 66.417 kilometer, meer dan normaal gebruik gemaakt van de auto. Zij mocht echter ook verwachten dat dat mogelijk was op grond van de overeenkomst met [gedaagde] , die ermee bekend was dat [eiser] per jaar zeer veel kilometers maakte. Uit de door [eiser] overgelegde facturen blijkt dat zij de auto in de periode van 20 april 2024 tot en met 28 oktober 2024 in ieder geval vijf keer naar Dusseldorp heeft gebracht. Uit de facturen blijkt niet dat er tijdens die bezoeken groot onderhoud aan de auto is gepleegd. Enkel uit de factuur van 18 juni 2024 blijkt dat de motorolie is ververst. De stellingen van [gedaagde] omtrent de noodzaak van (regulier) onderhoud bij het zeer intensieve gebruik zijn niet betwist door [eiser] . Volgens de kantonrechter had vaker onderhoud en verversing van olie moeten plaatsvinden. [eiser] stelt dat Dusseldorp telkens heeft aangegeven dat groot onderhoud (nog) niet nodig was, en dat zij op de kennis en kunde van Dusseldorp als professioneel bedrijf vertrouwde. Hoewel dit laatste begrijpelijk is, kunnen door Dusseldorp gemaakte fouten of verkeerde inschattingen niet voor rekening en risico van [gedaagde] komen. Naar het oordeel van de kantonrechter is het gepleegde onderhoud onvoldoende geweest. Vanwege het zeer intensieve gebruik en het grotendeels achterwege laten van onderhoud, gaat de kantonrechter ervan uit dat de gebreken pas na het moment van levering zijn ontstaan. Daarom kan niet worden geoordeeld dat sprake is van non-conformiteit.
Strikt genomen ten overvloede, merkt de kantonrechter op dat, ook indien wel sprake was geweest van non-conformiteit, [eiser] te snel heeft gekozen voor de remedie van herstel door een derde op kosten van de verkoper in de zin van artikel 7:21 lid 6 BW. Pas als de verkoper niet binnen redelijke tijd nadat hij daartoe door de koper schriftelijk is aangemaand tot herstel overgaat, mag de koper het herstel op kosten van de verkoper door een derde laten uitvoeren. Niet is gebleken dat [eiser] [gedaagde] schriftelijk heeft aangemaand om tot herstel over te gaan en dat zij een redelijke termijn voor het herstel heeft gegeven, of dat [gedaagde] Evenmin op een andere manier in verzuim is geraakt. [eiser] stelt in dat kader dat zij in de veronderstelling was dat [gedaagde] weigerde tot herstel van de motor over te gaan, dat zij de auto voor haar werk nodig heeft en dat zij daarom niet langer kon wachten met het herstel. [gedaagde] heeft echter een e-mail van 7 november 2024 overgelegd, waarin zij onder meer aangeeft nog het een en ander te willen uitzoeken. Dat [eiser] deze e-mail stelt niet te hebben ontvangen, komt voor haar rekening en risico.
Conclusie van het voorgaande is dat [gedaagde] niet tekort is geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst, zodat geen rechtsgeldige grond voor schadevergoeding bestaat. De vorderingen van [eiser] worden dan ook afgewezen.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
947,00
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 947,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.C. van Dam van Isselt en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025.
64443