RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis van de kantonrechterkort geding
1. de besloten vennootschap Sodexo Nederland B.V.
2. de besloten vennootschap Sodexo Cleaning B.V.
3. de besloten vennootschap Sodexo B.V.
4. de besloten vennootschap Sodexo Altys B.V.
de besloten vennootschap CBRE GWS IFM B.V.
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 11979223 KK EXPL 25-814
vonnis van: 17 december 2025
func.: 8622
I n z a k e
alle gevestigd te Rotterdam
eiseressen
nader in enkelvoud te noemen: Sodexo
gemachtigde: mr. E.M. van den Bergh en mr. J.W.A. Ringeling
t e g e n
gevestigd te Amsterdam
gedaagde
nader te noemen: CBRE
gemachtigde: mr. E.M. van den Bergh
Bij dagvaarding met bijlagen van 26 november 2025 heeft Sodexo een voorziening gevorderd. CBRE heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling stukken in het geding gebracht. Sodexo heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling een eerdere bijlage vervangen en nog twee nadere bijlagen in het geding gebracht.
Ter terechtzitting van 4 december 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens Sodexo zijn verschenen de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2], met de gemachtigden. Namens CBRE zijn verschenen mevrouw [naam 3] en de heer [naam 4], bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht, de gemachtigde van CBRE heeft pleitaantekeningen overgelegd. Na verder debat is de zaak aangehouden tot 10 december 2025 voor het onderzoeken van een schikking en – voor het geval vonnis wordt gevraagd – de mogelijkheid de zaak via de weg van artikel 96 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering te laten beslissen. De gemachtigden hebben vervolgens laten weten dat geen schikking is bereikt en dat de zaak niet op basis van artikel 96 Rv wordt voorgelegd.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Uitgangspunten
1. Als uitgangspunt geldt het volgende.
Na een Europese aanbesteding is met ingang van 1 mei 2020 door Shell International B.V. (verder: Shell) aan Sodexo de opdracht gegeven voor het verrichten van alle geïntegreerde facilitaire diensten op de locaties van Shell in Nederland. Deze werkzaamheden bestaan uit schoonmaakwerkzaamheden, cateringwerkzaamheden, een facility service desk, afvalmanagement, groenvoorziening, postkamer, repro, ongediertebestrijding en technische diensten (zoals onderhoud aan installaties).
Tot 1 mei 2020 was CBRE de opdrachtnemer van Shell. Een volgende Nederlandse aanbesteding voor de geïntegreerde facilitaire diensten van Shell is begin 2025 uitgezet en gewonnen door CBRE. Op basis daarvan is CBRE met ingang van 1 januari 2026 weer contractspartij van Shell.
Voor cateringwerkzaamheden heeft CBRE als onderaannemer Vebego B.V. ingeschakeld. Voor cateringwerkzaamheden heeft zij Appèl B.V. ingeschakeld.
Op 18 november 2025 stuurde Sodexo aan haar werknemers een e-mail waarin onder meer staat:Het contract tussen Shell en Sodexo eindigt op 31 december 2025. Daarna neemt CBRE de dienstverlening over. Dit betekent dat 31 december 2025 jouw laatste dag in dienst van Sodexo is.Wat betekent dit voor jou?De gevolgen van het stoppen van de dienstverlening voor jouw situatie hangen af van het type arbeidsovereenkomst dat jij hebt. Dit wordt hieronder toegelicht.Arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijdJouw arbeidsovereenkomst met Sodexo eindigt van rechtswege op 31 december 2025. Van rechtswege betekent dat iets automatisch gebeurt op grond van de wet. Volgens de Wet Overgang van Onderneming gaat jouw arbeidsovereenkomst automatisch over naar de nieuwe dienstverlener. (…)Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijdAls jij een arbeidsovereenkomst hebt voor bepaalde tijd met een einddatum op of vóór 31 december 2025 dan geldt deze brief als aanzegging dat jouw arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd.
CBRE heeft onder meer in een brief van 25 november 2025 het standpunt ingenomen dat geen sprake is van overgang van onderneming. In die brief schrijft zij verder onder meer:• Catering and Cleaning: CBRE and our partners (Appel & Vebego respectively) have never disputed the transfer of the correctly assigned catering and cleaning staff under the relevant collective bargaining agreements. Therefore, a total 179 employees have never been in dispute, other than their future employer will be the respective CBRE supply partner an not CBRE directly.
Vordering en verweer
2. Sodexo vordert – kort gezegd – dat CBRE bij direct uitvoerbaar te verklaren vonnis zal worden veroordeeld tot nakoming van de verplichtingen die ten opzichte van de betrokken werknemers voortvloeien uit overgang van onderneming en deze werknemers toe te laten tot hun werk en hun salaris te betalen, met berichtgeving aan deze werknemers op straffe van een dwangsom. Daarbij moet CBRE in de proceskosten worden veroordeeld, aldus Sodexo.
3. Sodexo legt aan de vorderingen ten grondslag dat de betrokken 277 werknemers een groot belang hebben duidelijkheid te verkrijgen. De aanbesteding die CBRE heeft gewonnen omvat dezelfde geïntegreerde facilitaire diensten die Sodexo voorheen verrichtte. Er is sprake van identiteitsbehoud, het enkele feit dat CBRE soms met andere it-systemen werkt doet daar niet aan af.
4. CBRE voert verweer. Volgens haar ontbreekt een spoedeisend belang en Sodexo is niet ontvankelijk. Verder is geen sprake van overgang van onderneming, maar enkel van een contractswissel. Daarop zal hierna waar nodig verder worden ingegaan.
Beoordeling
ontvankelijkheid
5. CBRE heeft aangevoerd dat Sodexo niet-ontvankelijk is. Daartoe voert CBRE aan dat Sodexo enkel een beroep doet op werkgeversbelangen, terwijl de richtlijn die ziet op overgang van onderneming (Richtlijn 2001/23/EG, verder: de richtlijn) enkel ziet op werknemersbelangen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Sodexo in voldoende mate een eigen belang, ook al is dat afgeleid van het belang van de werknemers. Dit belang bestaat er in dat op dit moment onduidelijk is wie vanaf 1 januari 2026 als werkgever tegenover de betrokken werknemers heeft te gelden, met alle verantwoordelijkheden die daarbij horen. Het feit dat CBRE het standpunt inneemt dat Sodexo werkgever blijft betekent niet dat deze onduidelijkheid is weggenomen, zoals zij kennelijk meent.
spoedeisend belang
6. Volgens CBRE ontbreekt het spoedeisend belang bij de vorderingen, omdat Sodexo gewoon kan stoppen met het betalen van loon per 1 januari 2026. Het enkele feit dat er ook een andere mogelijkheid is om duidelijkheid te verkrijgen maakt echter niet dat het spoedeisend belang ontbreekt. Daarbij komt dat het vanuit oogpunt van goed werkgeverschap meer voor de hand ligt op voorhand duidelijkheid te zoeken, zoals Sodexo nu doet, dan het probleem bij werknemers neer te leggen door geen loon meer te betalen.
inhoudelijke beoordeling
7. Daarmee wordt toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de zaak. In een kort geding geeft de kantonrechter een voorlopig oordeel. De centrale vraag die hij in deze zaak moet beantwoorden is of sprake is van overgang van onderneming. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat het geval. Dat wordt als volgt toegelicht.
8. Om te kunnen spreken van overgang van onderneming moet sprake zijn van identiteitsbehoud van de onderneming die als gevolg van een overeenkomst overgaat, artikel 7:662 Burgerlijk Wetboek. Ook een overgang als gevolg van een aanbesteding valt onder het bereik van dit artikel (HvJ EG 14 april 1994, ECLI:EU:C:1994:134, Schmidt). Bij de beantwoording van de vraag of van identiteitsbehoud sprake is spelen onder meer de volgende factoren een rol: de aard van de betrokken onderneming, of materiële activa worden overgedragen, of vrijwel al het personeel is overgenomen, in welke mate de ondernemingsactiviteiten voor en na de overgang overeenkomen en of de activiteiten zijn onderbroken (HvJ EG 18 maart 1986, ECLI:EU:C:1986:127, Spijkers). Deze factoren dienen niet op zichzelf beschouwd te worden, maar in onderlinge samenhang. Voor zover partijen zich op het standpunt hebben gesteld dat één van deze (of andere in het arrest genoemde) factoren zich in deze zaak niet, of juist wel voordoet, kan daaraan dus geen doorslaggevende betekenis toekomen.
9. Het enkele feit dat sprake is van een contractwissel levert geen overgang van onderneming op, zo heeft CBRE terecht aangevoerd (HvJ EU 11 maart 1997, ECLI:EU:C:1997:141, Süzen). In deze zaak volgt uit een weging van alle factoren echter dat wel degelijk van overgang van onderneming sprake is.
10. Allereerst is dan van belang dat naar het oordeel van de kantonrechter sprake is van een ononderbroken voortzetting van nagenoeg dezelfde ondernemingsactiviteiten. Sodexo voerde met een leiding per vestiging van Shell het volledige facilitaire management uit, bestaande uit – kort gezegd – schoonmaak, catering en beheer. CBRE heeft onvoldoende weersproken dat zij hetzelfde gaat doen. CBRE heeft wel aangevoerd dat niet zij maar twee niet aan haar gelieerde vennootschappen de catering en schoonmaak gaan doen, maar dat kan haar niet baten. Die twee vennootschappen zijn immers in het kader van de (alleen) door CBRE gewonnen aanbesteding ingeschakeld. Voor de vraag of sprake is van overgang van onderneming moeten deze vennootschappen (net als die van Sodexo) dan ook als één geheel worden beschouwd, nu sprake is van een duurzaam georganiseerde economische entiteit (arrest Süzen, hiervoor aangehaald). CBRE heeft ter zitting ook erkend dat zij vaker op deze manier samenwerkt met genoemde vennootschappen. Volgens CBRE heeft zij van Shell meer vrijheid gekregen dan Sodexo had, maar dat is onvoldoende concreet gemaakt. CBRE heeft geen inzicht gegeven in haar afspraken met Shell en ook niet in de door Shell uitgeschreven aanbesteding. Voor zover CBRE de financiële verslaglegging in een ander (eigen) datasysteem gaat uitvoeren is dat onvoldoende om niet langer te spreken van identiteitsbehoud. Hetzelfde geldt voor de stelling van CBRE dat zij de helpdesk heeft geautomatiseerd.
11. Van belang is verder dat in ieder geval 179 werknemers op grond van de toepasselijke CAO’s met ingang van 1 januari 2026 in dienst komen van CBRE, althans haar onderaannemers. Volgens Sodexo vallen nog meer werknemers onder deze CAO’s, in totaal 209. Hoe dan ook gaat het om het merendeel van de in totaal 277 betrokken werknemers. Dat hierbij sprake is van een gedwongen overgang neemt niet weg dat sprake is van een overdracht van een economische eenheid, waarbij ook een rol speelt dat het nagestreefde doel van de toepasselijke regels uit de CAO hetzelfde is als dat uit de richtlijn (HvJ EG 24 januari 2002, ECLI:EU:C:2002:48, Temco).
12. Tot slot is van belang hoe wordt omgegaan met materiële activa. Sodexo heeft een lijst overgelegd met zaken en een aanduiding hoe daarmee wordt omgegaan. CBRE heeft deze lijst slechts in algemene termen betwist, behoudens ten aanzien van een it-account, zodat de kantonrechter voor het overige in het kader van dit kort geding van de juistheid van die lijst zal uitgaan. Uit de lijst volgt dat enkele voorraden worden overgenomen door CBRE en dat voor het overgrote deel sprake is van bedrijfsmiddelen die door Shell of derden aan Sodexo ter beschikking waren gesteld en die CBRE zal blijven gebruiken. Het gaat dan onder meer om keukenuitrusting, keukenmachines, repro apparatuur en stofzuigers. Weliswaar gaat het dus om activa die niet door CBRE zijn overgenomen, maar zij zal die in navolging van Sodexo wel blijven gebruiken, wat wijst op identiteitsbehoud (HvJ EG 20 november 2003, ECLI:EU:C:2003:629, Sodexho). Het feit dat CBRE zelf 50 laptops heeft ingekocht en dat zij gebruik zal maken van eigen it-systemen is onvoldoende om ondanks het vorengaande niet van identiteitsbehoud te spreken.
13. CBRE heeft zich er nog op beroepen dat Sodexo met haar bericht van 18 november 2025 de arbeidsovereenkomsten met de betrokken werknemers heeft opgezegd. Dat standpunt strookt niet met de inhoud van die brief, waarin enkel een einde van rechtswege (door overgang van onderneming) of door aanzegging van het einde van de bepaalde tijd aan de orde komt. Deze stelling behoeft daarom geen verdere bespreking.
conclusie
14. Het vorengaande betekent – kort gezegd – dat CBRE ten opzichte van de betrokken werknemers vanaf 1 januari 2026 de werkgeversverplichtingen moet nakomen. Voor de vordering tot toelating tot het werk geldt dat ook deze een indirect belang van Sodexo dient, maar dat maakt niet deze moet worden afgewezen. De dwangsommen zullen vanwege het indirecte belang van Sodexo wel worden afgewezen, CBRE heeft ook toegezegd een eventuele veroordeling na te zullen komen. Omdat sprake is van een voorlopige voorziening zullen de veroordelingen wat anders geformuleerd worden dan in de dagvaarding gevorderd.
proceskosten
15. CBRE krijgt ongelijk en moet de proceskosten van Sodexo betalen.
BESLISSING
De kantonrechter:
veroordeelt CBRE om met ingang van 1 januari 2026 de verplichtingen na te komen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomsten tussen Sodexo en 277 werknemers, als aangeduid in de door Sodexo in deze procedure overgelegde productie 26;
veroordeelt CBRE om met ingang van 1 januari 2026 de onder I genoemde werknemers toe te laten tot de bedongen arbeid en hen het overeengekomen salaris met emolumenten op de gebruikelijke manier te betalen;
veroordeelt CBRE aan de onder I genoemde werknemers te bevestigen dat zij aan de onder I en II genoemde veroordelingen zal voldoen;
veroordeelt CBRE in de kosten van het geding, tot vandaag aan de zijde van Sodexo begroot op:exploot € 148,04salaris € 814,00griffierecht € 135,00 -----------------totaal € 1.097,04voor zover van toepassing, inclusief btw;
veroordeelt CBRE in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 67,50 aan salaris gemachtigde, voor zover van toepassing inclusief btw;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.