RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11793505 \ CV EXPL 25-9500
Vonnis van 11 november 2025
in de zaak van
LFB-VASTGOED ONTWIKKELING B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: LFB,
gemachtigde: mr. D. de Waard (Flanderijn & Van Eck Gerechtsdeurwaarders),
tegen
[gedaagde] (VENNOOT VAN [naam eenmanszaak] ), IN HAAR HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER OVER DE GOEDEREN VAN [betrokkene] , VOORHEEN HANDELENDE ONDER DE NAAM [handelsnaam],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 juli 2025, met producties- de conclusie van antwoord, met een productie- de conclusie van repliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Bij beschikking van 4 december 2024 heeft de kantonrechter de goederen die (zullen) toebehoren aan [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) onder bewind gesteld, met benoeming van [gedaagde] als bewindvoerder.
[betrokkene] was voorheen handelend onder de naam [handelsnaam] . [handelsnaam] heeft installatiewerkzaamheden verricht voor LFB. Voor deze werkzaamheden heeft [handelsnaam] op 8 november 2021 een factuur met nummer [factuurnummer] aan LFB gestuurd voor een bedrag van € 3.179,88.
Op 19 november 2021 heeft LFB € 6.795,36 overgemaakt naar [handelsnaam] met als omschrijving ‘factuur nr. [factuurnummer] ’.
Aan [handelsnaam] en de bewindvoerder is verzocht een bedrag van € 3.615,48 terug te betalen. Ondanks aanmaning en sommatie is daaraan niet voldaan.
3. Het geschil
LFB vordert - samengevat - veroordeling van de bewindvoerder tot betaling van € 4.671,06.
LFB legt aan de vordering het volgende ten grondslag. LFB heeft per abuis een te hoog bedrag betaald aan [handelsnaam] . Dit bedrag heeft zij onverschuldigd betaald. Omdat dit bedrag ondanks aanmaning en sommatie niet is terugbetaald, heeft LFB de bewindvoerder gedagvaard.
De bewindvoerder voert het volgende aan. Zij heeft gevraagd om uitstel, omdat het traject van de bewindvoering complex is en meer tijd in beslag nam. Inmiddels heeft zij alle relevante vorderingen naar de kredietbank gestuurd, inclusief deze vordering.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Aan de bewindvoerder is geen uitstel verleend. Nadat LFB op 19 augustus 2025 een conclusie van repliek heeft genomen, heeft de bewindvoerder de gelegenheid gekregen om een conclusie van dupliek in te dienen. Dat heeft zij niet gedaan. Inhoudelijk heeft de bewindvoerder geen verweer gevoerd tegen de vorderingen van LFB.
LFB beroept zich op onverschuldigde betaling. Daarvoor is nodig dat de bewindvoerder geld heeft ontvangen van LFB zonder dat daar een rechtsgrond voor bestaat. Uit de factuur van 8 november 2021 blijkt dat LFB € 3.179,88 verschuldigd was. Het meerdere heeft zij onverschuldigd betaald. De kantonrechter oordeelt dat aan de voorwaarden voor onverschuldigde betaling is voldaan en zal de gevorderde hoofdsom daarom toewijzen.
Voor zover LFB de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft gevorderd is deze niet toewijsbaar, omdat de gevorderde geldsom berust op onverschuldigde betaling en niet voortvloeit uit een handelsovereenkomst. In plaats daarvan zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen.
LFB vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). LFB heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. LFB heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 588,72 worden toegewezen.
De bewindvoerder is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van LFB worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
514,00
- salaris gemachtigde
€
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
€
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.269,64
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt de bewindvoerder om aan LFB te betalen een bedrag van:
€ 3.615,48, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf van 8 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,
€ 466,85 wegens rente tot 8 juli 2025,
€ 588,73 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten, die aan de kant van LFB worden begroot op € 1.269,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de bewindvoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Wesdorp, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025.
66351