ECLI:NL:RBAMS:2025:10439

ECLI:NL:RBAMS:2025:10439, Rechtbank Amsterdam, 16-12-2025, 13/107368-24

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 16-12-2025
Datum publicatie 02-01-2026
Zaaknummer 13/107368-24
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Eerste en enige aanleg
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Executie-EAB uit Letland. Tussenuitspraak. Artikel 11 OLW: individueel gevaar vastgesteld voor de opgeëiste persoon en redelijke termijn gesteld.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/107368-24

Datum uitspraak: 16 december 2025

TUSSEN-UITSPRAAK

op de vordering van 10 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 8 februari 2024 door de Prosecutor General’s Office of the Republic of Latvia, Letland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 2001, geboorteplaats onbekend,

feitelijk verblijfsadres:

[verblijfsadres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 december 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat in Alkmaar, en door een tolk in de Letse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Letse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van de Riga City Court van 13 december 2022 met referentie 11092143318.

Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog negen maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.

4. Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5. Artikel 11 OLW: Letse detentieomstandigheden

Inleiding

De rechtbank heeft, onder meer in haar uitspraken van 21 februari 2024 en 19 september 2024, geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar dat gedetineerden in Letland aan een onmenselijke of vernederende behandeling worden blootgesteld. Het algemene gevaar ziet met name op het bestaan van een informele hiërarchie onder gedetineerden (het ‘kastenstelsel’) in de Letse gevangenissen, met geweld tegen en een vernederende behandeling van gedetineerden in de lagere kasten als gevolg. Dat betekent dat de rechtbank ook in deze zaak concreet en nauwkeurig moet beoordelen of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon dit gevaar zal lopen na overlevering aan Letland.

Bij brief van 31 oktober 2025 heeft de Prison Administration in Riga aanvullende informatie verstrekt over de detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon. Daarin staat onder meer het volgende:

(…) the person concerned will be initially placed in the Riga Central Prison, Remand Prison Unit in case of his extradition to the Republic of Latvia. (…) in the prison where [opgeëiste persoon] will be allocated the area of the cell will be at least 4 m2 per person (including the area of sanitary facilities). (…) reinforced security control and supervision is performed, thus ensuring the safety of prisoners. (…) a comprehensive approach is provided that includes the staff training, enhanced video surveillance, a secure placement of prisoners and improved living conditions to prevent the risk of abuse and other risks described in the CPT report. (…) specific and purposeful protection of prisoners is ensured in prisons in case of serious endangerment. For example, relocation to another cell or unit (…) The prisoner, who feels the danger or has come into an abusive environment, may at any time of the day refer to the officials to ask for his protection. (…) the premises are being renovated and repaired as far as possible, renovation and repairs reduce the number of prisoners in cells, thus creating a safer prison environment.”

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verstrekte informatie het vastgestelde algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in detentie in Letland voor de opgeëiste persoon niet wegneemt en dat dus een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon bestaat. De daadwerkelijke situatie verschilt van hetgeen in de detentiegarantie wordt omschreven. Daarnaast ontbreekt de garantie dat de opgeëiste persoon na zijn initiële verblijf in Riga niet zal worden overgeplaatst naar een andere gevangenis. De raadsman heeft de rechtbank verzocht geen gevolg te geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verstrekte informatie het vastgestelde algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in detentie in Letland voor de opgeëiste persoon wegneemt. De Letse autoriteiten hebben uitgebreid antwoord gegeven op de gestelde vragen en daaruit blijkt dat de benodigde maatregelen worden genomen om voor zover mogelijk de negatieve gevolgen van het kastenstelsel weg te nemen, en dat serieus met de kritiek wordt omgegaan. Subsidiair heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om de beslissing op het EAB aan te houden om aanvullende vragen te stellen aan de Letse autoriteiten.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank hebben de Letse autoriteiten met de verstrekte aanvullende informatie onvoldoende antwoord gegeven op de cruciale vraag naar de concrete bescherming van de opgeëiste persoon tegen geweld en andere negatieve gevolgen van het kastenstelsel. De informatie die is gegeven, is van algemene aard en ziet niet of nauwelijks op de concrete situatie van de opgeëiste persoon. Zo wordt enkel informatie verschaft over algemene maatregelen die worden genomen en wordt gesproken over alle detentie-instellingen in Letland in plaats van specifiek de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst. Hierdoor is het de rechtbank ook niet duidelijk hoe de mededeling dat de opgeëiste persoon “will be initially placed in the Riga Central Prison, Remand Prison Unit” moet worden begrepen. Door deze mededeling en de daarop volgende informatie over alle detentie-instellingen krijgt de rechtbank de indruk dat de opgeëiste persoon na overlevering snel zal worden overgeplaatst. Als gevolg hiervan is naar het oordeel van de rechtbank ook de vraag over waar de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst onvoldoende beantwoord. Daardoor is een nader onderzoek naar de concrete situatie in de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid terecht zal komen na een overlevering aan de uitvaardigende justitiële autoriteit niet mogelijk.

Gelet op voorgaande is het vastgestelde algemene gevaar niet weggenomen voor de opgeëiste persoon. Bij deze stand van zaken is er voor de opgeëiste persoon een reëel gevaar dat hij in detentie in Letland onmenselijk of vernederend zal worden behandeld.

Nu er een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon wordt aangenomen, moet de rechtbank de beslissing over de overlevering aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging in de omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank is die situatie hier niet aan de orde, omdat het niet ondenkbaar is dat aanvullende informatie wordt verstrekt waarmee het algemene gevaar alsnog voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen.

Daarom houdt de rechtbank de beslissing over de overlevering aan op grond van artikel 11, tweede lid, OLW. De rechtbank stelt daarbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, een redelijke termijn vast van dertig dagen. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het einde van deze termijn (op 14 januari 2026) of uiterlijk tien dagen daarna, zodat nagegaan kan worden of binnen de redelijke termijn een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg worden gegeven aan het EAB.

De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt na de verlenging ter zitting af op 5 januari 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen zal zij de beslistermijn verlengen met zestig dagen onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding met zestig dagen.

6. Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting op 14 januari 2026 of uiterlijk tien dagen daarna.

HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.

VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW met zestig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.

BEVEELT de oproeping van een tolk voor de Letse taal tegen nader te bepalen datum en tijdstip.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,

mrs. B.M. Vroom-Cramer en C.M.S. Loven, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 december 2025.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. O.P.M. Fruytier

Griffier

  • mr. G.S. Haas

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?