RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/304524-25
Datum uitspraak: 16 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 28 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 november 2025 door het Parket bij de Districtsrechtbank Shumen, Bulgarije, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] (Bulgarije),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentie plaats]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W.P. Nijboer, advocaat in Utrecht, en door een telefonische tolk in de Bulgaarse taal.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Bulgaarse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een op 14 augustus 2025 in kracht van gewijsde gegaan vonnis met referentienummer 27/13.05.2025, gewezen in de strafzaak van algemene aard met referentienummer 20243630201777/2024.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Inleiding
De Bulgaarse autoriteiten hebben op 5 december 2025 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“1. [opgeëiste persoon] did not have monetary means to authorize a legal defender, therefore he requested for a court appointed lawyer. (...) After his appointment an accusation was brought against [opgeëiste persoon] in the presence of his court appointed lawyer, Filip Lefterov. The decree for constitution of an accused party has the address of residence of [opgeëiste persoon] in Republic of Bulgaria and the address was provided personally by the accused party. (...)
2. [opgeëiste persoon] has personally provided the address, where he resided in Republic of Bulgaria and it was listed in the decree for constitution of an accused party. The summons to [opgeëiste persoon] for the case were sent to his address. Because [opgeëiste persoon] hid and left the country, the summons for the case were not served. This is due entirely to the behavior of [opgeëiste persoon] hence he placed himself in a condition of impossibility to be summoned for the case because he left Republic of Bulgaria and he hid from the Bulgarian Court authorities.
3. During the pre-trial proceedings a measure of remand was applied against [opgeëiste persoon] and namely - Signed promise for appearance. (...) the "signed promise for appearance" measure of remand consists of an obligation, undertaken by the accused party not to leave his place of residence without authorisation by the respective authority. Because [opgeëiste persoon] did not comply with his obligation, imposed with this measure of remand and he hid, the case took place without his presence. (...) Because of the fact of his numerous convictions he is introduced and well aware of the procedural rules and also with the possibility to be sentenced in absentia, if he hides from the Court and Prosecutor's Office Authorities (...).”
Standpunt van de raadsman
De raadsman voert aan dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. Het is onduidelijk of de aan de opgeëiste persoon toegewezen advocaat gemachtigd was om hem in de procedure te vertegenwoordigen en ook daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd tijdens de inhoudelijke behandeling. De overlevering kan worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. De opgeëiste persoon heeft expliciet verzocht om een toegewezen advocaat en dus zal deze ook wel gemachtigd zijn geweest. Subsidiair kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond. Als er al onduidelijkheid bestaat over de machtiging van de toegewezen advocaat, dan geldt dat de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Uit het antwoord van de Bulgaarse autoriteiten van 5 december 2025 volgt namelijk dat aan de opgeëiste persoon een “signed promise for appearance measure of remand” was opgelegd, wat inhield dat hij zijn woonadres niet mocht verlaten zonder voorafgaande toestemming van de betreffende autoriteit. Desondanks heeft de opgeëiste persoon alsnog de keuze gemaakt om Bulgarije te verlaten. Hij was op de hoogte van de procedure en had gevraagd om een advocaat aan hem toe te wijzen. Door alsnog te vertrekken heeft de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter af van toepassing van de weigeringsgrond.
Uit de aanvullende informatie van 5 december 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon gedurende het vooronderzoek een verblijfsadres heeft opgegeven waar de oproeping voor de strafzaak naar toe is gestuurd. Aan hem was gedurende het vooronderzoek bovendien een maatregel van voorlopige hechtenis opgelegd, die bestond uit een huisarrest waarbij hij zijn woning niet mocht verlaten zonder toestemming van de betreffende autoriteit. Blijkens de aanvullende informatie heeft de opgeëiste persoon dit adres echter verlaten zonder toestemming van de betreffende autoriteit. Dit is de reden dat de opgeëiste persoon de oproeping voor het proces niet heeft ontvangen en daar ook niet is verschenen.
Uit het bovenstaande volgt dat het aan de opgeëiste persoon zelf te wijten is dat hij niet op de hoogte is geraakt van de aanvang van de procedure tegen hem. Hij heeft er immers zelf voor gekozen zich niet te houden aan de opgelegde voorwaarden en heeft daarmee stilzwijgend en uit eigen beweging afstand gedaan van zijn verdedigingsrechten.
De rechtbank ziet in verband met het voorgaande af van weigering op grond van artikel 12 OLW.
5. Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen.
6. Artikel 11 OLW: Bulgaarse detentieomstandigheden
Inleiding
De rechtbank heeft op grond van de Public statement van het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT) van 26 maart 2015 geoordeeld dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Bulgarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Bij uitspraak van 11 februari 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat het CPT-rapport van 4 mei 2018, naar aanleiding van bezoeken tussen 25 september 2017 en 6 oktober 2017, niet tot een ander oordeel leidt. Dit geldt eveneens ten aanzien van het CPT-rapport van 18 oktober 2022.
Op 17 en 25 november 2025 heeft het openbaar ministerie onder andere de volgende aanvullende vragen gesteld aan de Bulgaarse autoriteiten:
“1. In which prison in Bulgaria will [opgeëiste persoon] most probably be detained after his surrender, awaiting and during the enforcement of the custodial sentence?
2. How much “personal space” (excluding sanitary facilities), as meant in the case law of the European Court of Human Rights (i.a. ECHR 10 March 2015, nos. 14097/12, 45135/12, 73712/12, 34001/13, 44055/13 and 64586/13, Varga et al./Hungary, § 74), will be available to [opgeëiste persoon] in his cell in that prison?”
Op 25 november 2025 heeft de Shumen Regional Prosecutor’s Office in Bulgarije aanvullende informatie verstrekt met daarin de volgende individuele garanties ten aanzien van de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon:
“In connection with European Arrest Warrant, concerning the convicted person [opgeëiste persoon], personal number 8802248828 we want to inform you that the person shall serve his custodial sentence in the prison in Lovech.”
Op 3 december 2025 heeft de Ministry of Justice – Execution of punishments General Directorate Lovech Prison in Bulgarije de volgende informatie verstrekt:
“1. Prison capacity at 4 sq/m. per 1 prisoner – 951 prisoners 2. Currently accommodated people – 516 prisoners (…)
4. The bedrooms are equipped with PVC windows and a toilet with a sanitary facility. (…)
8. Currently, the prison administration can ensure personal space of 4 sq.m. per person per day during their period of stay. (…)
10. Inmates use the common areas throughout the day, as the sleeping areas are not locked during the day. (…)”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de detentiegarantie dient te worden gelezen in het licht van de vraagstelling door het openbaar ministerie naar het aantal vierkante meters persoonlijke ruimte exclusief sanitaire voorzieningen. De Bulgaarse autoriteiten garanderen hiermee vier m2 persoonlijke ruimte exclusief sanitaire voorzieningen. De verstrekte garantie neemt het reële gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon weg. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie.
De rechtbank leest de door de Bulgaarse autoriteiten verstrekte garantie in het licht van de door het openbaar ministerie gestelde vraag over hoeveel vierkante meters persoonlijke ruimte exclusief sanitaire voorzieningen de opgeëiste persoon in een meerpersoonscel tot zijn beschikking zal hebben met verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van de Europese Unie hierover. Uit het gegeven antwoord van de Bulgaarse autoriteiten stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon na de overlevering zal worden geplaatst in de penitentiaire inrichting van Lovech, waar hij een persoonlijke leefruimte van minstens vier m² in de cel, exclusief de sanitaire voorzieningen, tot zijn beschikking heeft.
De rechtbank is, gelet op de toezegging van de Bulgaarse autoriteiten, van oordeel dat voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Bulgaarse penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door deze garantie immers uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon in deze detentie-instelling.
De rechtbank is van oordeel dat artikel 11 OLW niet aan de overlevering in de weg staat.
7. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Er staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en er is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
9. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Parket bij de Districtsrechtbank Shumen, Bulgarije, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier.
en uitgesproken ter openbare zitting van 16 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.