ECLI:NL:RBAMS:2025:10549

ECLI:NL:RBAMS:2025:10549, Rechtbank Amsterdam, 31-12-2025, AWB 25 _ 6576

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 31-12-2025
Datum publicatie 06-01-2026
Zaaknummer AWB 25 _ 6576
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

OWA. Vovo. Kapvergunning verleend. Artikel 22.8 i.c.m. artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. Bomeneffect analyse. Bomen kunnen niet behouden blijven of verplant worden. Voldoende onderbouwing dat de bomen niet kunnen blijven staan. Vergunninghouder heeft aan participatie gedaan via een participatieplan. Hiermee voldoende aan participatie gedaan. Verzoek afgewezen.

Uitspraak

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [plaats] , verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college

(gemachtigde: mr. A. Bajnath en mr. J. Vogel).

Als derde partij neemt deel: de gemeente Amsterdam (vergunninghouder).

Inleiding

1. Vergunninghouder heeft op 7 mei 2025 een aanvraag gedaan voor het kappen van zes bomen aan de Wijttenbachstraat in Amsterdam in verband met de herinrichting van de openbare ruimte, het project Linnaeusstraat-Middenweg. De aanvraag ziet op de bomen op de Wijttenbachstraat ter hoogte van huisnummers [nummer] , [nummer] , [nummer] , twee bomen voor huisnummers [nummers] en huisnummer [nummer] . Het college heeft met het besluit van 10 juli 2025 (het primaire besluit) een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van deze bomen.

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het college heeft het bezwaar, met overname van het advies van de bezwaarschriftencommissie, met het besluit van 20 november 2025 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat doorslaggevend gewicht mocht worden toegekend aan het belang om de Wijttenbachstraat te herinrichten. De werkzaamheden met betrekking tot de herinrichting kunnen niet worden uitgevoerd met behoud van de bomen.

Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 december 2025 op zitting behandeld. Verzoekers waren aanwezig, bijgestaan door B. Dart, boomdeskundige. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, bijgestaan door [naam 1] (technisch manager van het project Linnaeusstraat), [naam 2] (groenadviseur), [naam 3] (strategisch omgevingsmanager) en [naam 4] (projectmanager).

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopige karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Het project

2. Volgens vergunninghouder hebben de straten en haltes van het project Linnaeusstraat-Middenweg onderhoud nodig. Ook is het doel om de haltes van de tram op de Wijttenbachstraat, Oostpoort en Hogeweg beter toegankelijk te maken door deze langer, hoger en breder te maken. Nu de tramhalte toegankelijker wordt gemaakt, maar de auto nog wel achter de halte langs moet, moeten ook de stoep en de fietsstrook worden aangepast. Door het verleggen van de fietsstrook komen een aantal groeiplaatsen aan de zuidzijde van de Wijttenbachstraat te vervallen. Het gaat om de bomen met boomnummer 8,9,10, 12 ,13 en 14.

3. Vergunninghouder heeft naar aanleiding van dit project een Bomen Effect Analyse (BEA) laten uitvoeren in januari 2025. De bomen hebben volgens deze analyse een negatief verplantadvies. De bomen hebben namelijk onvoldoende conditie en toekomstverwachting en een onevenwichtige kluit tegen het asfalt aan. Verder hebben de bomen een moeilijke hoogte/diameter verhouding om op een volgende groeiplaats voldoende te verankeren. Tot slot zijn er ook ondergrondse leidingen en een bovenleiding waar rekening mee gehouden moet worden. Alles tezamen zorgt voor een negatief advies, waardoor de bomen volgens vergunninghouder niet gespaard kunnen blijven.

4. Om de bomen te compenseren worden er door vergunninghouder minimaal zes bomen teruggeplaatst op ongeveer dezelfde plaats in het voetpad en komen er in totaal 50 bomen bij in het hele projectgebied.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Kortsluiten

5. Uit artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat als het verzoek is gedaan als beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Dit wordt kortsluiten genoemd.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Dit, omdat de termijn van zes weken voor het instellen van beroep tegen het bestreden besluit op 1 januari 2026 eindigt en andere bezwaarden dus nog in beroep kunnen gaan.

De voorzieningenrechter doet hierna dan ook alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening.

Formele vereisten

6. Voordat de voorzieningenrechter inhoudelijk op het verzoek in kan gaan, moet aan twee vereisten zijn voldaan. Het eerste vereiste is dat verzoekers een belang hebben bij het tegengaan van de kap van de bomen. Het tweede vereiste is dat sprake is van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter kan het verzoek alleen in behandeling nemen als aan beide vereisten is voldaan.

Hebben verzoekers belang bij het tegengaan van de kap van de bomen

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers een belang hebben bij het tegengaan van de kap van de bomen. Verzoekers hebben vanuit hun woning namelijk direct zicht op de bomen. Dat is voldoende om in dit geval een belang aan te nemen. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.

Is sprake van een spoedeisend belang?

De voorzieningenrechter is daarnaast van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang. Vergunninghouder heeft namelijk toegezegd dat hij bereid is te wachten met het kappen van de bomen tot de uitspraak van de voorzieningenrechter, maar dat een uitspraak in de beroepszaak niet afgewacht kan worden. Vergunninghouder wil uiterlijk op 23 januari 2026 gebruik maken van de verleende kapvergunning. Dit in verband met de werkzaamheden voor het onderhoud en de herinrichting die op 23 februari 2026 zullen aanvangen. Daarnaast is het kappen van de bomen onomkeerbaar. Ook dit is tussen partijen niet in geschil.

Dit betekent dat aan beide vereisten is voldaan en de voorzieningenrechter het verzoek inhoudelijk zal behandelen. De voorzieningenrechter zal door middel van een belangenafweging op het verzoek beslissen. De voorzieningenrechter weegt hierbij de belangen van verzoekers af tegen de belangen van vergunninghouder.

Wettelijk kader

7. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Bomenverordening 2014 (de Bomenverordening) is het verboden zonder vergunning of jaarvergunning van het college een houtopstand te vellen of te doen vellen. Ook onder de Omgevingswet geldt dit artikel als een verbod om zonder omgevingsvergunning de boom te kappen.

8. In artikel 5, eerste en tweede lid, van de Bomenverordening zijn vijf weigeringsgronden voor een kapvergunning opgenomen, te weten:

de natuur- en milieuwaarde van de houtopstand;

de waarde van de houtopstand voor het stadsschoon of het landschap;

de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

de waarde van de houtopstand voor de leefbaarheid;

de houtopstand komt voor op de lijst van beschermwaardige houtopstanden, genoemd in artikel 10 van de Bomenverordening.

9. Als voldaan wordt aan de laatste weigeringsgrond, dan móét het college de vergunning weigeren. Wordt voldaan aan een of meer van de overige weigeringsgronden, dan heeft het college, op grond van een belangenafweging, de keuze om de vergunning wel of niet te weigeren. Het college heeft dus bij de beslissing om een omgevingsvergunning voor het kappen van een boom te verlenen beleidsruimte.

De beoordeling

Motivering en belangenafweging

10. Verzoekers voeren aan dat het besluit om de bomen te kappen in strijd is met het beleid van de gemeente Amsterdam dat gericht is op vergroening en klimaatadaptatie. De bomen zorgen namelijk voor het verbeteren van de luchtkwaliteit, bieden schaduw en verkoeling en bevorderen de biodiversiteit. Daarnaast zijn er volgens verzoekers mogelijk alternatieven denkbaar in het ontwerp van de straat die de bomen kunnen sparen. Het lijkt erop dat er onvoldoende is onderzocht of dergelijke alternatieven mogelijk zijn. Op de zitting is besproken dat variant 2A een alternatief plan was waarin de bomen gespaard konden blijven en dat het niet duidelijk is waarom er niet voor dat plan is gekozen. Het bestreden besluit is daardoor onvoldoende gemotiveerd en de belangen van verzoekers zijn onvoldoende afgewogen.

11. De voorzieningenrechter overweegt dat volgens het college sprake is van een bijzondere waarde voor het stadsschoon of het landschap. Dat betekent dat een bevoegdheid tot weigering bestaat, maar dat het college alsnog ook beleidsruimte heeft om de omgevingsvergunning te verlenen. Het college is daarbij wel verplicht een belangenafweging te maken. De voorzieningenrechter begrijpt dat het belang van verzoekers is gelegen in het behoud van de bestaande bomen omdat deze van belang zijn voor de leefomgeving en zorgen voor klimaatadaptatie. Anderzijds is het belang van vergunninghouder erin gelegen de tramhalte toegankelijker te maken en de Wijttenbachstraat te herinrichtingen.

12 . De voorzieningenrechter stelt voorop dat het college op het advies van een deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Ter motivering van het besluit wijst het college op de BEA waarin is onderzocht of de bomen behouden kunnen blijven of verplant kunnen worden Uit deze analyse blijkt dat door het verleggen van de fietsstrook een aantal groeiplaatsen aan de zuidzijde van de Wijttenbachstraat komt te vervallen omdat deze niet zijn te handhaven in de huidige plannen. Dat komt door de combinatie van een onvoldoende conditie en toekomstverwachting, het aanwezig zijn van een bovenleiding voor de tram, de aanwezigheid van ondergrondse leidingen, boomgrootte, en een onevenwichtige kluit. Deze bomen komen, mede omdat ze al in een matige conditie verkeren, ook niet in aanmerking om verplant te worden. Deze conclusies worden ondersteund door de Notitie bomen Wijttenbachstraat van 27 juni 2025 en de notitie van de boomdeskundige van 8 juli 2025.

13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college daarmee voldoende heeft onderbouwd dat de herinrichting niet kan plaatsvinden zonder de bomen te kappen. Verzoekers hebben geen aanknopingspunten verschaft om de resultaten van de BEA voor onjuist te houden. Uit de BEA blijkt daarnaast dat er alternatieven zijn onderzocht. De inhoud van de alternatieven en de omstandigheid dat verzoekers de voorkeur geven aan variant 2A liggen niet er beoordeling voor. De voorzieningenrechter kan alleen beoordelen of er voldoende gemotiveerd is dat de bomen gekapt moeten worden op basis van de aanvraag zoals die in ingediend. Ook is aan de vergunning een herplantplicht van minimaal zes bomen van de eerste grootte verbonden, zodat de groenwaarde op deze locatie zal worden hersteld. Daarnaast heeft het college toegelicht dat in het plangebied 50 bomen extra worden geplant. Hiermee is volgens de voorzieningenrechter voldoende rekening gehouden met het belang van verzoekers, gelegen in de aanwezigheid van voldoende groen in hun directe omgeving.

14. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college voldoende rekening heeft gehouden met het belang van verzoekers en zwaarder gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van herinrichting van de openbare ruimte, wat zonder het kappen van deze bomen, geen doorgang kan vinden.

Participatie

15. Verzoekers zijn verder van mening dat er geen sprake is geweest van een actieve participatie. De bewoners zijn namelijk onvoldoende betrokken bij het herinrichten van de straat. Tijdens de zitting voerden zij verder aan dat er onvoldoende uitleg is gegeven over variant 2A en dat er pas in een later stadium bekend werd dat er bomen gekapt zouden worden.

16. De Omgevingswet stelt geen eisen aan participatie. Wel moet een aanvrager van een omgevingsvergunning aangeven of participatie heeft plaatsgevonden en, zo ja, hoe en welk resultaat dit heeft opgeleverd.

17. Vergunninghouder heeft in het bestreden besluit en op de zitting toegelicht hoe hij aan participatie heeft gedaan. Vergunninghouder heeft dit gedaan via een participatieplan. Binnen het projectplan zijn er volgens de nieuwsbrief van januari 2024 ten minste drie inloopbijeenkomsten georganiseerd. Ook is er een e-mailadres aangemaakt voor eventuele vragen en ideeën voor het projectplan. Daarnaast is er in april 2024 een consultatieverslag opgesteld. Hierin zijn alle vragen en opmerkingen van bewoners opgenomen en zijn deze vragen beantwoord. Hierin stond ook wat de eventuele mogelijkheden zijn en zijn suggesties van bewoners besproken.

18. De voorzieningenrechter is van oordeel dat vergunninghouder met het hiervoor geschetste participatieproject voldoende aan participatie heeft gedaan. Het feit dat er volgens de bewoners te weinig uitleg is geweest over de verschillende varianten, en in het bijzonder over variant 2A, of de omstandigheid dat pas in een later stadium bekend werd dat er voor dit project bomen gekapt moesten worden maakt niet dat er geconcludeerd kan worden dat er niet voldoende aan participatie is gedaan.

Conclusie en gevolgen

19. De voorzieningenrechter concludeert dat het college een zwaarwegend algemeen belang heeft om zo spoedig mogelijk het project te kunnen gaan uitvoeren en daarbij in redelijkheid, ondanks de onomkeerbaarheid van de gevolgen, het belang van vergunninghouder bij het kappen van de bomen zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van verzoekers bij het behoud van de bomen.

20. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. Verzoekers krijgen bij deze uitkomst het griffierecht niet terug en voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.Y. Exterkate, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2025.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.Y. Exterkate

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?