RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
parketnummer : 13-050050-24
raadkamernummer : 25-031225
datum : 24 december 2025
beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klaagster] ,
geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. S.Ph.Chr. Wester advocaat te Amsterdam, ( [postbus] ),
hierna te noemen: klaagster.
Feiten
Uit het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming blijkt dat op 30 april 2024 in het strafvorderlijk onderzoek tegen [beslagene] onder meer de volgende voorwerpen in beslag zijn genomen:
De inbeslagname vond plaats in de woning waar klaagster en de beslagene [beslagene] samen woonachtig zijn. Daarnaast heeft de rechter-commissaris op 7 augustus 2024 een machtiging conservatoir beslag verleend. Op de bovengenoemde voorwerpen rust nu zogenaamd klassiek en conservatoir beslag.
Procedure
Het klaagschrift is op 3 december 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft zijn standpunt kenbaar gemaakt.De rechtbank heeft op 11 december 2025 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van klaagster, mr. S.Ph.Chr. Wester, en de officier van justitie, mr. R.W. van Zanten, op zitting gehoord.
Klaagster is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
De belanghebbende [beslagene] is in raadkamer gehoord.
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van de bovengenoemde inbeslaggenomen voorwerpen en één voorwerp dat niet op de lijst met in beslag genomen goederen staat vermeld aan klaagster.
Namens klaagster is aangevoerd dat de voorwerpen aan klaagster toebehoren en niet aan de beslagene, haar vriend [beslagene] . Een aantal voorwerpen heeft zij zelf gekocht en andere heeft zij gekregen van haar ex-partner. Klaagster heeft een baan waardoor zij in staat was om de voorwerpen te kopen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan klaagster, omdat het klaagschrift onvoldoende is onderbouwd en er sterke aanwijzingen zijn dat [beslagene] eigenaar of in ieder geval mede-eigenaar is van de inbeslaggenomen voorwerpen.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd.
Het beklag is schriftelijk gedaan en op tijd ingediend. Klaagster is daarom ontvankelijk in het beklag.
De rechtbank is aan de hand van de haar ter beschikking staande gegevens nagegaan of een ander dan klaagster en de beslagene als belanghebbende moet worden aangemerkt. Hiervan is de rechtbank niet gebleken.
Beoordeeld moet worden of klaagster redelijkerwijs als rechthebbende op de voorwerpen moet worden beschouwd. De voorwerpen zijn tassen en portemonnees van luxemerken als Louis Vuitton. Klaagsters stelling dat zij zes voorwerpen van haar ex-partner heeft gekregen, is niet onderbouwd. Ook de stelling van klaagster dat zij de andere zes voorwerpen zelf heeft gekocht en met haar eigen inkomsten heeft betaald is niet, althans onvoldoende onderbouwd. Klaagster heeft enkele aankoopbonnen verstrekt, allemaal uit de periode juni tot en met december 2023. Eén daarvan staat op naam van [voornaam klaagster] [achternaam vriend/beslagene] , een combinatie van haar voornaam en de achternaam van haar vriend, de beslagene. De overige bonnen staan niet op naam en kan de rechtbank niet aan klaagster koppelen. Los daarvan blijkt uit de overgelegde aankoopbonnen voor de rechtbank sowieso niet door wie is betaald. Uit het strafdossier blijkt voorts dat klaagster destijds een beperkt salaris had en dat [beslagene] rond diezelfde periode ruim € 36.000,00 op haar bankrekening heeft gestort. Verder volgt uit het strafdossier dat [beslagene] met zijn creditcards aankopen heeft gedaan bij winkels van luxemerken, waaronder Louis Vuitton.
Naar het oordeel van de rechtbank moet op basis van deze feiten en omstandigheden [beslagene] en niet klaagster redelijkerwijs als rechthebbende op de voorwerpen worden beschouwd. Dat het damesartikelen zijn maakt dat niet anders, omdat het om luxe, goed verhandelbare producten gaat die voor een ieder een grote waarde vertegenwoordigen. Het beklag is daarom ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door de raadkamer,
mr. A.M. Loots, voorzitter,
mrs. C. Wildeman en B.J. Blok, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de beklager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.