RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/393872-24 (zaak A), 15/383603-24 (zaak B, ter terechtzitting gevoegd) en 13/076169-23 (TUL)
Datum uitspraak: 29 augustus 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1987,
wonende op het [adres 1] ,
nu gedetineerd in [detentieadres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 augustus 2025.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.E.A. Duyvendak, en van wat verdachte en zijn raadsman, B.W.J. Krämer, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen tot schadevergoeding van
de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en van hetgeen door [medewerker slachtofferhulp] , medewerker bij Slachtofferhulp Nederland, namens [benadeelde partij 1] , naar voren is gebracht.
Ten slotte zijn mevrouw [reclasseringsmedewerker] , reclasseringswerker, en [geneesheer-directeur GGZ InGeest] , geneesheer-directeur van GGZ InGeest te Amsterdam telefonisch gehoord.
2. Tenlastelegging
Zaak A
Aan verdachte is – kort samengevat – tenlastegelegd dat hij zich telkens in Amstelveen schuldig heeft gemaakt aan:
Zaak B
Aan verdachte is – kort samengevat – tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
De volledige tekst van de tenlasteleggingen zijn opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en gelden als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3. Voorvragen
De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de
tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor
schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen, omdat verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd en het dossier verder ook voldoende bewijs bevat dat verdachte de strafbare feiten heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde vrijspraak bepleit, omdat er per aangever individueel moet worden beoordeeld of er sprake is van belaging. In beide gevallen is er geen sprake van voldoende stelstelmatigheid om te spreken van belaging. De statusberichten van Whatsapp kunnen niet worden gekwalificeerd als ‘belagingshandeling’, omdat dit persoonlijke berichten op het profiel van verdachte zijn. Daarnaast kan niet worden bewezen dat verdachte degene is geweest die anoniem naar [benadeelde partij 1] en [persoon 1] heeft gebeld.
Daarnaast heeft de raadsman ten aanzien van het in zaak A onder 5 tenlastegelegde
vrijspraak bepleit. Hoewel verdachte de gedraging bekent, is er hier geen sprake van een ontploffing in de zin van artikel 157 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Het enkel afsteken van illegaal vuurwerk is namelijk onvoldoende om vast te stellen dat er gevaar is geweest voor goederen. Ten aanzien van het subsidiair onder 5 tenlastegelegde heeft hij zich op het standpunt gesteld dat verdachte de gedraging alleen heeft uitgevoerd en dat er daarom geen sprake is van openlijke geweldpleging. Ten aanzien van de overige feiten heeft hij geen (bewijs)verweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van zaak A onder 1
De rechtbank acht bewezen dat verdachte het in zaak onder 1 tenlastegelegde feit heeft gepleegd en overweegt daartoe als volgt.
[benadeelde partij 1]
De rechtbank stelt op grond van het dossier en de bekennende verklaring van verdachte vast dat verdachte (spraak)berichten heeft gestuurd waarin hij [benadeelde partij 1] heeft bedreigd en beledigd, haar veelvuldig in de dag en nacht anoniem heeft gebeld en sushi heeft besteld. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet anoniem heeft gebeld, omdat hij nooit anoniem zal bellen. De rechtbank acht deze verklaring onaannemelijk gelet op het feit dat verdachte eerder heeft verklaard dat hij [persoon 1] mogelijk wel anoniem heeft gebeld.
[persoon 1]
De rechtbank stelt op grond van het dossier en de bekennende verklaring van verdachte vast dat verdachte [persoon 1] meerdere malen anoniem heeft gebeld, eenmaal bloemen met een kaartje heeft gestuurd naar het adres van [persoon 1] en tweemaal een taxi heeft besteld op het adres van [persoon 1] .
De rechtbank overweegt dat het sturen van een bericht over (onder meer) - het slingeren van een baksteen door de voorraam en woonkamer - niet bewezen kan worden verklaard, Dit omdat verdachte deze tekst heeft geplaatst als een statusupdate op zijn Whatsappprofiel en daarmee geen bericht heeft gestuurd naar [persoon 1] . Verdachte wordt hier partieel van vrijgesproken.
Is het handelen van verdachte aan te merken als belaging
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij deze handelingen heeft verricht om beide aangeefsters te treiteren. Daar komt bij dat op 3 december 2024 met verdachte een stopgesprek is gevoerd en dat hij hierbij heeft aangegeven dat hij niet zal stoppen met treiteren en dat zij altijd van hem zullen blijven horen.
Van belaging is sprake als een verdachte wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van een ander om die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel vrees aan te jagen. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, Sr zijn verschillende factoren van belang. Het gaat daarbij om de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van een slachtoffer.
De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte, door de inhoud en de frequentie van de berichten en het bellen en door het bestellen van taxi’s, sushi en bloemen, in beide gevallen als bedreigend en obsessief dient te worden aangemerkt. Het contact vanuit verdachte overstijgt ieder te verwachten en/of normaal contact tussen buren en dit heeft bij beide aangeefsters gevoelens van spanning, angst en onveiligheid veroorzaakt. Verdachte is aangeefster [benadeelde partij 1] blijven benaderen, zelfs nadat door middel van een stopgesprek kenbaar is gemaakt dat zij daar niet van gediend is. De rechtbank is van oordeel dat de aard, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van verdachte tezamen, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van [benadeelde partij 1] en [persoon 1] zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer sprake is geweest met het oogmerk hen vrees aan te jagen. De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte zich aan de tenlastegelegde belagingen schuldig heeft gemaakt.
Ten aanzien van zaak onder 5
De rechtbank acht bewezen dat verdachte het in zaak onder 5 primair tenlastegelegde feit heeft gepleegd en overweegt daartoe als volgt.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op 22 oktober 2024 een vuurwerkbommetje heeft aangestoken en naar de gevel van [adres 2] heeft gegooid om de bewoner te laten schrikken, omdat die bij de groep hoorde die zich met hem bemoeide. Getuige [getuige] die op de [adres 3] woonde, heeft op 14 januari 2025 verklaard dat hij verdachte die avond eerder in de buurt zag fietsen. Even later hoorde hij een enorme knal. Hij zag toen vuurwerkresten voor de deur liggen. Op beelden van zijn beveiligingscamera’s zag hij verdachte voorbij fietsen, stoppen en zag hij vervolgens een lichtflits. Toen zag hij verdachte weer wegfietsen. Hij heeft dit gemeld bij de politie die hiervan een mutatie heeft gemaakt en hij heeft de camerabeelden aan de politie gegeven. Bij het uitkijken van die camerabeelden zag de politie dat er, ter hoogte van [adres 2] , een oranje gekleurd voorwerp richting de aldaar gelegen voordeur werd gegooid. Het was een klein voorwerp, dat oranje vonken afgaf tijdens de gooi. Enkele seconden later ontstond een lichtgloed. Direct na die gloed is een knal te horen van een ontploffing.
De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of met de ontploffing gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Naar vaste jurisprudentie moet worden vastgesteld dat het gevolg, in deze zaak gemeen gevaar voor goederen, naar algemene ervaringsregels was te voorzien. Niet van belang is dat verdachte zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien (vgl. HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009: BG1653, NJ 2009/120). .
Het is een feit van algemene bekendheid dat het tot ontploffing brengen en gooien van een vuurwerkbom/explosief in de richting van een gevel/voordeur tot gemeen gevaar voor goederen kan leiden. Naar algemene ervaringsregels is daarom voorzienbaar geweest dat er gemeen gevaar voor goederen te weten voor een woning is ontstaan.
Op grond van het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman en acht zij feit 5 primair wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van zaak A onder 2, 3, 4 en 6 en zaak B onder 1 en 2
Omdat verdachte de ten laste gelegde feiten in zaak A onder 2, 3, 4, en 6 en zaak B onder 1 en 2 heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) met een opsomming van de bewijsmiddelen De rechtbank baseert zich bij de bewezenverklaring op de redengevende feiten en omstandigheden vervat in de inhoud van:
ten aanzien van zaak A onder 2:
de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd op de zitting van 15 augustus 2025;
een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 1] met nummer PL1300-2024206202-2 van 12 december 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde [opsporingsambtenaar 1] , doorgenummerde pagina’s 7 t/m 11 (dig).
ten aanzien van zaak A onder 3:
de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd op de zitting van 15 augustus 2025;
een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 1] met nummer PL1300-2024208360-2 van 7 september 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde [opsporingsambtenaar 2] , doorgenummerde pagina’s 13 en 14.
ten aanzien van zaak A onder 4:
de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd op de zitting van 15 augustus 2025;
een proces-verbaal van aanhouding verdachte met nummer PL1300-2024281375-13 van 10 december 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde [opsporingsambtenaar 3] en [opsporingsambtenaar 4] , doorgenummerde pagina’s 88 t/m 116 (dig);
een proces-verbaal onderzoek wapen met nummer PL1300-2024281375-18 van 10 december 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 5] , doorgenummerde pagina 96 (dig).
ten aanzien van zaak A onder 6:
de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd op de zitting van 15 augustus 2025;
een proces-verbaal van aangifte van [persoon 2] met nummer PL1300-2024198832-2 van 22 augustus 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 6] , doorgenummerde pagina’s 105 en 106 (aanvullend procesdossier) (dig).
ten aanzien van zaak B onder 1 en onder 2:
de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd op de zitting van 15 augustus 2025;
een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij 2] met nummer PL27RP/24-089831- 1 van 2 oktober 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde [opsporingsambtenaar 7] , doorgenummerde pagina’s 10 t/m 12 (dig).
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3.3 en in bijlage II vervatte bewijsmiddelen
bewezen dat verdachte:
ten aanzien van zaak A onder 1:
in de periode van 16 augustus 2024 tot en met 7 december 2024 te Amstelveen, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij 1] en [persoon 1] , door- (bedreigende) (spraak)berichten (via WhatsApp) te sturen naar voornoemde [benadeelde partij 1] en/of [persoon 1] en- meermalen per dag en gedurende de nacht anoniem te bellen met voornoemde [benadeelde partij 1] en/of [persoon 1] en- eenmaal of meermalen bloemen en/of een taxi en/of sushi te bestellen voor voornoemde [benadeelde partij 1] en/of [persoon 1] en/of deze te laten leveren voor/aan het adres van voornoemde [benadeelde partij 1] en/of [persoon 1] , met het oogmerk die [benadeelde partij 1] en/of [persoon 1] , vrees aan tejagen;
ten aanzien van zaak A onder 2:
in de periode van 31 juli 2024 tot en met 16 augustus 2024 te Amstelveen, opzettelijk en wederrechtelijk een slot van de voordeur van [adres 4] , die aan [benadeelde partij 1] toebehoorde, onbruikbaar heeft gemaakt;
ten aanzien van zaak A onder 3:
op 2 september 2024 te Amstelveen, een deurmat, die aan [benadeelde partij 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
ten aanzien van zaak A onder 4:
op 10 december 2024 te Amstelveen, een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een balletjespistool, voorhanden heeft gehad;
ten aanzien van zaak A onder 5:
op 22 oktober 2024 te Amstelveen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een vuurwerkbom/explosief te gooien richting de voordeur van [adres 2] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten een woning te duchten was;
ten aanzien van zaak A onder 6:
op 13 augustus 2024 te Amstelveen, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto voorzien van kenteken: [kenteken] , die aan [persoon 2] toebehoorde, heeft beschadigd;
ten aanzien van zaak B onder 1:
op 2 oktober 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, [benadeelde partij 2] heeft mishandeld door die [benadeelde partij 2] meermalen, met de vuist tegen het hoofd en de armen te slaan;
ten aanzien van zaak B onder 2:
op 5 juli 2024 in Nederland, [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met zware mishandeling,
door die [benadeelde partij 2] via een audiobericht dreigend de woorden toe te voegen "ik wacht
je op na werk en dan sla ik je helemaal de tyfus in".
5. De strafbaarheid van de feiten en van verdachte
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.
6. Motivering van de straf en maatregel
Strafeis van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur
van 320 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 59 dagen voorwaardelijk met een
proeftijd van drie jaren, zal worden opgelegd. Daarbij heeft de officier van justitie
gevorderd dat de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden
opgelegd, en deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de maatregel zoals bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen inhoudende een contactverbod met [benadeelde partij 1] en een locatieverbod voor haar woonadres, voor de duur van drie jaren en toepassing van vervangende hechtenis
voor de duur van één week (zeven dagen) voor iedere keer dat de verdachte zich niet aan de
maatregel houdt.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om een gevangenisstraf voor de duur van 291 dagen op te leggen en daarnaast nog een voorwaardelijk deel. Hij heeft daarbij verzocht om de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden op te leggen met uitzondering van de klinische opname en de ambulante behandeling, zodat verdachte in dat kader door middel van de zorgmachtiging kan worden behandeld.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen
geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals
daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de
vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de belaging van twee van zijn buren. De belaging bestond onder andere uit het sturen van (spraak)berichten, het meermaals anoniem bellen en het bestellen van taxi’s, bloemen en sushi. Deze handelingen verstoorden in ernstige mate het leven van [benadeelde partij 1] en [persoon 1] en verdachte was in die periode obsessief met hen bezig. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het onbruikbaar maken van het slot van [benadeelde partij 1] , diefstal van de deurmat van [benadeelde partij 1] en de beschadiging van de personenauto van [persoon 2] . Dit zijn ergerlijke feiten die schade en hinder veroorzaken voor de gedupeerden. Verdachte lijkt voornamelijk bezig te zijn geweest met het uiten van zijn eigen frustratie, zonder daarbij stil te staan wat de gevolgen voor anderen zijn. De rechtbank neemt verdachte dit kwalijk. Tevens heeft verdachte een ontploffing teweeg gebracht door een vuurwerkbom richting de voordeur van een woning te gooien. Bij deze ontploffing is gemeen gevaar voor goederen te duchten geweest. Het laten ontploffen van vuurwerk bij een woning is een zeer indringend en intimiderend feit en is niet alleen uiterst bedreigend geweest voor de bewoners van de woning, maar heeft ook bij de omwonenden tot onrust en gevoelens van onveiligheid geleid. Te meer omdat de ontploffing onderdeel uitmaakte van het patroon van overlast gevend en belastend gedrag dat verdachte richting de buurtbewoners vertoonde.
Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de mishandeling en bedreiging van [benadeelde partij 2] . Verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij 2] en zijn lichamelijke integriteit aangetast. Het gewelddadige karakter van de door verdachte gepleegde strafbare feiten laat wederom zien dat verdachte voornamelijk bezig was met het uiten van zijn eigen frustraties vanwege het onrecht dat hem in zijn beleving was aangedaan.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 30 juni 2025, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor vernieling. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 12 mei 2025, waarbij ten behoeve van verdachte een zorgmachtiging is verleend voor de duur van zes maanden.
Uit de Pro Justitia rapportage met betrekking tot zaak A van 27 mei 2025 van psychiater C.A.M. van der Meijs en arts in opleiding tot medisch specialist [arts in opleiding] blijkt dat er bij verdachte sprake is van een psychische stoornis, te weten een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis, tenminste matig van ernst. Verdachte was ten tijden van het plegen van de tenlastegelegde feiten gedecompenseerd. Hij werd in zijn handelen gedreven door psychotische gedachten. Vanuit die gedachte had betrokkenen de opvatting dat een groep criminelen achter hem aanzat en een apparaat in zijn hoofd zouden hebben geplaatst om hem te controleren. Daarnaast hield hij deze groep criminelen samen met zijn oud-buren verantwoordelijk voor het feit dat hij en zijn vader in 2023 uit hun huis zijn gezet; verdachte had daardoor veel boosheid en wraakgevoelens naar hen die vergolden moesten worden. Er wordt geadviseerd om verdachte vijf van de zes tenlastegelegde feiten in verminderende mate toe te rekenen. Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde onthouden onderzoekers zich van advies over de mate van toerekenen.
De rechtbank verenigt zich met bovenstaande conclusies en maakt deze tot de hare, in zoverre dat de rechtbank verdachte ter zake van alle bewezenverklaarde feiten verminderd toerekeningsvatbaar acht, nu de door de psychiater geconstateerde stoornissen in aanzienlijke mate in zijn gedrag hebben doorgewerkt.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 6 augustus 2025, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker] , reclasseringswerker. Hieruit blijkt - zakelijk weergegeven – dat verdachte weigerde om naar de spreekkamer te komen. Het rapport is daarom opgesteld op basis van de beschikbare dossierinformatie. De feiten maken onderdeel uit van een patroon van overlast gevend en verward gedrag. Dit gedrag heeft er toe geleid dat hij voor de tweede keer zijn woning is kwijtgeraakt. Veroordeelde beschikt momenteel niet over stabiele huisvesting, werk, inkomsten of een ondersteunend sociaal netwerk. Daarnaast is er sprake van een gebrek aan probleeminzicht, impulsiviteit, antisociaal gedrag, vijandigheid en een tekort aan sociale vaardigheden. Hij weigert medicatie en bagatelliseert en externaliseert zijn gedrag en de gevolgen daarvan.
Beschermende factoren zijn in beperkte mate aanwezig, hoewel betrokkene wel gevoelig lijkt te zijn voor autoriteit. De reclassering merkt echter op dat veroordeelde momenteel ongemotiveerd is voor behandeling en heeft geweigerd mee te werken aan een gesprek met de reclassering.
De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen en daarbij de volgende bijzondere voorwaarden te stellen: meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijk opvang, drugsverbod, alcoholverbod, contactverbod en locatieverbod. Daarbij wordt geadviseerd deze voorwaardelijk dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
De deskundige, [reclasseringsmedewerker] , heeft voornoemd advies op de terechtzitting telefonisch bevestigd en daar waar nodig aangevuld.
Straf en maatregel
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In vergelijkbare zaken wordt, omdat de ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers vanuit het oogpunt van vergelding en normbevestiging dat rechtvaardigen, doorgaans een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd.
De rechtbank heeft in strafverzwarende zin rekening gehouden met het feit dat er sprake is van recidive.
Gelet op de omstandigheid dat verdachte mede tot de delicten is gekomen onder invloed van zijn stoornissen, waardoor het bewezenverklaarde verdachte in verminderde mate wordt toegerekend, en het feit dat onlangs een zorgmachtiging is verleend voor het verlenen van verplichte zorg aan verdachte acht de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden passend. Mede gelet op de problematiek van verdachte acht zij een voorwaardelijke straf van 60 dagen voldoende stok achter de deur om verdachte ertoe aan te zetten zich aan die voorwaarden te houden en om verdachte ervan te weerhouden om opnieuw in de fout te gaan. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbonden, met uitzondering van de opname in een zorginstelling en het verbod op alcohol- en drugsgebruik. Hoewel dit verbod in de situatie van verdachte wenselijk is, blijkt dit in praktijk moeilijk te handhaven. Om die reden worden deze verboden niet als bijzondere voorwaarden opgelegd, mede om te voorkomen dat een eventuele overtreding het hulpverleningstraject van verdachte zou kunnen doorkruisen. In plaats daarvan wordt ingezet op toezicht en controle van het alcohol- en drugsgebruik van verdachte, met als doel het gebruik zo goed mogelijk te reguleren.
De rechtbank is van oordeel dat het psychiatrisch ziektebeeld vooropstaat en dat het noodzakelijk is dat verdachte daarvoor de benodigde medicatie krijgt. Dit kan het beste gerealiseerd worden in het kader van de verleende zorgmachtiging bij een instelling van GGZ-inGeest. Uit informatie van de [geneesheer-directeur GGZ InGeest] is duidelijk geworden dat een opname bij een kliniek van GGZ-InGeest binnen 3 weken kan worden gerealiseerd.
De rechtbank acht, alles overziend, een gevangenisstraf voor de duur van 344 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, met uitzondering van de opname in een zorginstelling passend.
Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden
De rechtbank zal verder bepalen dat de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen
toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, nu ernstig rekening moet worden gehouden met de
mogelijkheid dat verdachte - zonder de juiste behandeling en begeleiding - opnieuw een
strafbaar feit zal plegen dat is gericht tegen, of gevaar oplevert voor, de onaantastbaarheid
van het lichaam van een of meer personen.
Vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Sr.)
Daarnaast ziet de rechtbank ter beveiliging van [benadeelde partij 1] aanleiding om op
grond van artikel 38v Sr een vrijheidsbeperkende maatregel aan verdachte op te leggen
voor de duur van drie jaren, inhoudende een contact- en locatieverbod. Het locatieverbod zal
gelden voor het woonadres van [benadeelde partij 1] . Voor iedere keer dat verdachte (één van) deze
verboden overtreedt, zal vervangende hechtenis worden opgelegd voor de duur van één
week (zeven dagen), met een maximum van zes maanden. De rechtbank beveelt dat deze
maatregel dadelijk uitvoerbaar is, aangezien er ernstig rekening mee moet worden gehouden
dat verdachte zich belastend jegens [benadeelde partij 1] zal gedragen.
7. Vorderingen tot schadevergoeding
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert een bedrag van € 1500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden
toegewezen. De verdediging heeft verzocht om het immateriële deel te matigen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is verder van oordeel dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtsreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde partij heeft, op grond van artikel 6: 1 06, eerste lid en onder b van het Burgerlijk Wetboek, recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van deze schade. De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. De rechtbank acht het gevorderde bedrag, gelet op de aard en ernst van de feiten, in combinatie met de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegewezen, billijk. De vordering wordt daarom in zijn geheel toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert een bedrag van € 6000 aan vergoeding van materiële schade en € 3000 aan vergoeding van immateriële schade met de wettelijke rente daarover en met oplegging de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ten aanzien van materiële deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege het ontbreken van de onderbouwing. Ten aanzien van het immateriële deel heeft hij zich op het standpunt gesteld dat dit moet worden gematigd tot een bedrag van € 250. De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het materiële deel van zijn vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het materiële deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Vaststaat dat aan [benadeelde partij 2] door het in zaak B onder 1 en onder 2 bewezen geachte feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij dan recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding gekeken naar de Consultatieversie september 2024 van De Rotterdamse Schaal en naar bedragen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden en De Rotterdamse Schaal, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 1000,- en wijst zij de vordering voor dit bedrag toe, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank wijst het overige deel van de vordering af.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] wordt als extra waarborg voor betaling aan hen de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.
8. De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 13/076169-23
Bij de stukken bevindt zich de op 20 februari 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen
vordering van de officier van justitie in liet arrondissement Amsterdam, in de zaak met
parketnummer 13/076169-23, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van
17 oktober 2023 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot
een taakstraf voor de duur van 50 uren, met bevel dat deze straf geheel niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit
heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als
bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is
toegezonden.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar
feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De
rechtbank zal echter, om de onder 6.3.3 genoemde interventies niet te frustreren, devordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel afwijzen.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 36f, 57, 141, 157, 285, 285b, 300, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4. is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van zaak A onder 1 tenlastegelegde:
belaging, meermalen gepleegd
ten aanzien van zaak A onder 2 tenlastegelegde:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken;
ten aanzien van zaak A onder 3 tenlastegelegde:
diefstal;
ten aanzien van zaak A onder 4 tenlastegelegde:
handelen in strijd met art. 13 lid 1 van de WWM, strafbaar gesteld bij art. 55 lid 1 van de WWM;
ten aanzien van zaak A onder 5 tenlastegelegde:
opzettelijk een ontploffing te weeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
ten aanzien van zaak A onder 6 tenlastegelegde:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
ten aanzien van zaak B onder 1 tenlastegelegde:
mishandeling;
ten aanzien van zaak B onder 2 tenlastegelegde:
bedreiging met zware mishandeling
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 344 (driehonderdvierenveertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die
straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 60 (zestig) dagen, van deze gevangenisstraf niet
tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de
proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd
niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij de verslavingsreclassering in de regio waar hij gaat verblijven. Hij blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
- Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich behandelen door een forensisch ambulante zorginstelling, te bepalen door de reclassering. De behandeling start aansluitend aan de opname. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
- Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Veroordeelde verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan zijn opname. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
- Drugsgebruik
Veroordeelde werkt mee aan controles op drugsgebruik. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
- Alcoholgebruik
Veroordeelde werkt mee aan controles op alcoholgebruik door middel van urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om het alcoholgebruik te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
- Contactverbod
Veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met aangevers, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
- Locatieverbod (met elektronische monitoring)
Veroordeelde bevindt zich gedurende de proeftijd niet binnen een straal van 5 km van de [adres 2] en [adres 4] te Amstelveen, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. Veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring van dit locatieverbod. Veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat veroordeelde in Nederland blijft.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Maatregel
Legt aan de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid
inhoudende een contactverbod en een locatieverbod door de duur van drie jaren.
Het contactverbod houdt in dat de veroordeelde op geen enkele wijze - direct of indirect
- contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedag 2] 1978.
Het locatieverbod houdt in dat de veroordeelde:
- zich niet zal bevinden/ophouden aan de [adres 4] te Amstelveen.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 (één) week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde
maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Vorderingen tot schadevergoeding
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe, te weten een bedrag van € 1500,- (vijftienhonderd euro). Dit bedrag bestaat volledig uit vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (31 juli 2024) tot aan de dag van voldoening.
Veroordeelt veroordeelde verder in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten
behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op
nihil.
Legt veroordeelde de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de staat te betalen een bedrag 1500,- (vijftienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (31 juli 2024) tot aan de dag van voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 25 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1000,- (duizend euro). Dit bedrag bestaat volledig uit vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (2 oktober 2024) tot aan de dag van voldoening.
Het meer of anders verzochte ten aanzien van de immateriële schade wordt afgewezen.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Legt veroordeelde de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de staat te betalen een bedrag 1000,- (duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (2 oktober 2024) tot aan de dag van voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 20 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
TUL
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf met parketnummer 13/076169-23,
voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 17 oktober 2023.
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,
mrs. C.C.J. Maas- van Es en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 augustus 2025.