ECLI:NL:RBAMS:2025:10691

ECLI:NL:RBAMS:2025:10691, Rechtbank Amsterdam, 29-08-2025, 13/151036-25 (zaak A) en 13/112268-25 (zaak B, ter terechtzitting gevoegd)

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 29-08-2025
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer 13/151036-25 (zaak A) en 13/112268-25 (zaak B
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Veroordeling voor diefstal en mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad. Beoordeling of letsel als zwaar lichamelijk letsel kwalificeert. ISD-maatregel. Vordering BP, onduidelijk of BP recht had op doorbetaling van zijn loon. Gedeeltelijk toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/151036-25 (zaak A) en 13/112268-25 (zaak B, ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 29 augustus 2025

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1990,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

nu gedetineerd in [penitentiaire inrichting] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 augustus 2025.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.A. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat te Zoetermeer, naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van

de benadeelde partij [benadeelde partij] en van hetgeen door mr. S.M. Ploegmakers, advocaat te Amsterdam, namens hem naar voren is gebracht. Ten slotte is [reclasseringswerker] , reclasseringswerker, als deskundige gehoord.

2. Tenlastelegging

Zaak A

Aan verdachte is - kort samengevat - tenlastegelegd dat hij zich in de periode van 3 mei 2025 tot en met 16 mei 2025 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging door middel van braak en/of verbreking van een motorboot van [persoon] .

Zaak B

Aan verdachte is - kort samengevat – primair tenlastegelegd dat hij zich op 10 april 2025 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon, te weten [benadeelde partij] . Dit is subsidiair tenlastegelegd als het medeplegen van mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge.

De volledige tekst van de tenlasteleggingen zijn opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en gelden als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3. Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de

tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor

schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het in zaak B primair tenlastegelegde. De overige tenlastegelegde feiten kunnen wettig en overtuigend worden bewezen.

Ten aanzien van het in zaak A tenlastegelegde wordt de aangifte ondersteund door de getuigenverklaring. Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor aanwezigheid van de boot van aangever die bij hem en zijn medeverdachten is aangetroffen. Het ontbreken van een redengevende en ontzenuwende verklaring, in samenhang met de overige bewijsmiddelen, ondersteunt het bewijs van medeplegen (zie ECLI:NL:HR:2017:644). Verdachte heeft geen afstand genomen van de diefstal, waarmee zijn betrokkenheid wordt bevestigd.

Ten aanzien van het in zaak B kan het subsidiair tenlastegelegde worden bewezen gelet op de aangifte die wordt ondersteund door de camerabeelden. Uit het dossier blijkt dat de situatie bestaat uit twee delen. De tenlastegelegde gedragingen zien op het eerste deel van de situatie. Uit het dossier blijkt dat verdachte de agressor is en aangever meerdere (vuist)klappen geeft, waardoor zijn tanden en zijn hand zijn gebroken. Het letsel is fors en kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. De medeverdachte speelt in het eerste deel geen rol. Verdachte wordt na een zoektocht gevonden en komt overeen met het door aangever opgegeven signalement.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.

Ten aanzien van het in zaak A tenlastegelegde heeft hij aangevoerd dat verdachte zich geen enkel moment als heer en meester over de boot heeft gedragen en dat verdachte dan ook geen ontzenuwende verklaring hoeft af te leggen. Hij heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad (HR 6 april 1915, NJ 1915/427 (Azewijnse paard))

Ten aanzien van het in zaak B tenlastegelegde heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het signalement onvoldoende duidelijk is om vast te stellen dat het verdachte betreft.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van zaak A

De rechtbank acht bewezen dat verdachte het in zaak A tenlastegelegde feit heeft gepleegd en overweegt daartoe als volgt.

Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting is het volgende komen vast te staan.

Op 16 mei 2025 liep getuige [getuige] samen met een vriend rond 03:30 uur over de Jozef Israëlskade. Zij heeft verklaard dat zij drie personen op een boot zag, waarvan zij dacht dat zij in een Oost-Europese taal spraken. Zij zag dat één van deze personen naar een andere, naastgelegen, boot sprong en deze vastmaakte aan hun eigen boot. Vervolgens zag zij deze personen wegvaren in de richting van de Kom. Uit het dossier blijkt dat aan de tweede boot een blauw touw zat dat was doorgesneden. Op de Jozef Israëlskade, ter hoogte van de plek waar de boot is gestolen, is ook een vergelijkbaar blauw gesneden touw gevonden.

Omstreeks hetzelfde tijdstip kregen verbalisanten een melding dat er twee boten cirkelden op de Boerenwetering (op korte afstand van de Jozef Israëlskade), waarvan er één gestolen zou zijn. De verbalisanten hebben met zaklampen richting de eerste boot geseind en zagen dat deze boot hun kant op voer. Daaropvolgend heeft één van de personen de tweede boot weer losgemaakt van hun boot, zodat deze achterbleef op het water. Verdachte is een van de vier personen die is aangehouden op de eerste boot. Verdachte en medeverdachten maakten bij de aanhouding alle vier een angstige en beschonken indruk.

Verdachte heeft bij de politie en op de zitting verklaard dat hij met drie vrienden op een boot zat en zij daarmee zijn gaan rondvaren. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij geen tweede boot heeft gezien.

Gelet op het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat vanaf de Jozef Israëlskade in de nacht van 16 mei 2025 de boot van [persoon] is gestolen.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van deze diefstal en of derhalve sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de mededaders.

Bij het vaststellen van een nauwe en bewuste samenwerking ligt het accent minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht, maar is vooral van belang of de intellectuele en materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is geweest.

Hoewel uit het dossier niet exact blijkt wat het aandeel van de verdachte is geweest in de feitelijke uitvoering van de diefstal, is voor een bewezenverklaring van diefstal in vereniging niet vereist dat iedere deelnemer een gelijk aandeel heeft gehad of dat iedere handeling afzonderlijk wordt vastgesteld. Voldoende is dat sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking, gericht op het gezamenlijk plegen van de diefstal.

De verklaring van verdachte dat hij de boot niet heeft gezien, volgt de rechtbank niet. Verdachte moet, gezien de situatie, hebben geweten dat er op dat moment een boot werd gestolen. De rechtbank leidt uit de hierboven genoemde omstandigheden – het gezamenlijk aantreffen van verdachte en de medeverdachten met de gestolen boot direct na de diefstal, het ontbreken van een redengevende en ontzenuwende verklaring van verdachte, zijn voortdurende aanwezigheid bij de gestolen boot en dat hij zich niet heeft gedistantieerd – af dat verdachte op zijn minst een bewuste bijdrage heeft geleverd aan de diefstal en dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging, zoals ten laste gelegd.

Ten aanzien van zaak B primair en subsidiair tenlastegelegde

De rechtbank acht bewezen dat verdachte het in zaak B subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan en overweegt daartoe als volgt.

[benadeelde partij] heeft – kort samengevat – verklaard dat hij op 10 april op de kruising van de Prinses Irenestraat met de Prinses Margrietstraat stond met zijn taxi. Toen hij stond te wachten kwam er een man naar hem toe, die in gebrekkig Engels zei: “you hit me, you hit me”. Hij omschreef deze man (hierna NN1) als tussen de 30 en 40 jaar oud, blank, rond de 185 centimeter lang, Oostblok uiterlijk, gebrekkig Engels sprekend, rood oog, een slecht gebit, donkere kleding en met een vrouwenfiets. Aangever stapte uit en hoorde NN1 zeggen: “you hit me, look at my bike. You are going to pay”. Hij voelde dat NN1 hem vastgreep bij zijn jas. Nadat hij vertelde dat hij geen geld had en hem niet heeft geraakt, zag hij dat NN1 zijn hand tot een vuist balde en zag en voelde hij dat hij daarmee krachtig op zijn mond werd geslagen. Hij voelde direct een stekende pijnscheut in zijn mond, voelde zich direct duizelig en zag bloed stromen uit zijn mond. Hij zag en voelde dat NN1 direct nog een paar keer met zijn vuisten op zijn hoofd sloeg. Aangever heeft hierop geprobeerd zichzelf te verdedigen en heeft de arm van NN1 in zijn nek gelegd om hem in bedwang gehouden. Terwijl dit gebeurde had NN1 hem nog steeds vast bij zijn keel. Hierop riep de man een tweede man erbij. Aangever omschrijft hem als NN2. Hij zag dat NN1 en NN2 richting hem liepen. Hoewel hij zich probeerde te verdedigen, kon hij niks doen tegen NN2. Hij zag en voelde dat NN2 met allebei zijn vuisten op hem insloeg. Dit was gericht op zijn hoofd. Op een geven moment voelde hij dat NN1 hem losliet en stapten NN1 en NN2 op hun fiets en vetrokken ze richting de Prinses Margrietstraat. Op het politiebureau voelde de aangever dat de pijn heftiger was. Zijn rechterhand was opgezwollen en hij voelde een bonkende, stekende pijn. Hij voelde ook een stekende pijn in zijn gezicht, met name rondom zijn gebit, zijn neus en rond zijn linkerkaak. Aangever zag in de spiegel dat er twee tanden scheef stonden.

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verbalisanten, kort na de mishandeling twee mannen hebben aangehouden. Zij kwamen overeen met het opgegeven signalement, waarbij één van de mannen een rood oog en bloed op zijn handen had. In het dossier bij parketnummer 13/112268-25 (Zaak B) bevindt zich een foto van verdachte (ID staat, op pagina 73 van dit procesdossier) gemaakt op 11 april 2025 waarop het rode oog zichtbaar is. Op basis hiervan is de rechtbank van oordeel dat NN1 verdachte is.

Openlijke geweldpleging of mishandeling?

Van het incident zijn camerabeelden. Uit het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden worden beschreven blijkt dat de bestuurder van de auto (aangever) en de bestuurder van de fiets met fietstassen (verdachte) met elkaar in gesprek zijn. De bestuurder van de fiets met fietstassen geeft één klap met zijn linkerarm richting het hoofd van de bestuurder van de personenauto. Hierop is te zien dat de bestuurder van de auto een zogenaamde bokshouding aanneemt en een ‘combo’ van ongeveer twintig stoten en schoppen uitdeelt aan de bestuurder van de fiets met fietstassen. Hierop komt de bestuurder van de fiets zonder fietstassen erbij. De twee fietsbestuurders willen weglopen, maar de bestuurder van de personenauto rent weer richting de bestuurders van de fietsen en begint weer te slaan. Hierop maken de bestuurders van de fietsen ook slaande bewegingen richting de bestuurder van de auto.

De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat sprake is van twee situaties waarin geweld werd toegepast. De eerste situatie met aangever en verdachte en de situatie waar ook NN2 aanwezig was. De rechtbank is, met de officier van justitie en raadsman van oordeel, dat de tenlastelegging ziet op de eerste situatie. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het primair tenlastegelegde, namelijk openlijke geweldpleging niet bewezen kan worden, omdat er geen tweede persoon betrokken was bij het geweld tegen aangever. De rechtbank spreekt verdachte hiervan dan ook vrij. De rechtbank acht de subsidiair tenlastegelegde mishandeling wel bewezen. Op basis van de camerabeelden acht de rechtbank bewezen dat er in de eerste situatie één klap is uitgedeeld door verdachte. De rechtbank acht niet bewezen dat aangever door dit geweld een gebroken hand heeft opgelopen. Dit gelet op het feit dat de klap het hoofd van aangever heeft geraakt en aangever daarna ook zelf klappen heeft uitgedeeld. Het is derhalve niet vast te stellen dat aangever letsel aan zijn hand heeft opgelopen door het geweld van verdachte. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat op grond van het voorgaande geen sprake is van medeplegen.

Zwaar lichamelijk letsel

Of sprake is van zwaar lichamelijk letsel hangt af van de aard en de ernst van het toegebrachte letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Uit de begroting van 12 mei 2025 en e-mail van de tandarts van 26 mei 2025 blijkt dat de losse tanden zo snel mogelijk moeten worden vervangen door implantaten waarop vaste kronen worden gezet, vanwege het infectiegevaar. Uit de verklaring van aangever ter zitting begrijpt de rechtbank dat de reparatie nog niet heeft plaatsgevonden, maar dat de verwachting is dat de reparatie niet leidt tot een ‘betere situatie’. De rechtbank is van oordeel dat dergelijk omvangrijk letsel, de noodzaak van het medisch ingrijpen en de omstandigheid dat het herstel niet gelijk zal staan aan de oude situatie, als zwaar lichamelijk letsel kwalificeert.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen

bewezen dat verdachte:

ten aanzien van zaak A

op 16 mei 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een motorboot, die aan [persoon] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen motorboot onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

ten aanzien van zaak B subsidiair

op 10 april 2025 te Amsterdam, [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] :- eenmaal te slaan tegen het hoofd, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere gebroken tanden, ten gevolge heeft gehad;

5. De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6. Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

Strafeis van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte niet de ISD-maatregel moet worden opgelegd, maar dat kan worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf. Dit gelet op het feit dat verdachte niet voldoet aan de zachte criteria voor het opleggen van een ISD-maatregel.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals op zitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende maatregel en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal. Dit is een hinderlijk feit dat de voor de gedupeerde overlast en schade veroorzaakt. Verdachte heeft hiermee laten zien geen respect te hebben voor andermans eigendommen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een taxichauffeur. Als gevolg van het handelen van verdachte heeft slachtoffer [benadeelde partij] letsel opgelopen en pijn ondervonden. Daarnaast vond het geweldsincident plaats op de openbare weg. Dergelijke misdrijven versterken de in de samenleving aanwezige gevoelens van angst en onveiligheid.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 14 juli 2025 en heeft gezien dat verdachte veelvuldig is veroordeeld, waaronder voor mishandeling en diefstal.

Rapportage

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van GGZ Reclassering Inforsa van 31 juli 2025, opgemaakt door [reclasseringswerker] . De reclassering adviseert oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaar, met interventies gericht op repatriëring. De reclassering heeft – kort samengevat – het volgende gerapporteerd. Verdachte heeft geen verblijfsrecht in Nederland. Verdachte heeft geen vaste woon-of verblijfplaats en beschikt niet over zinvolle dagbesteding of een stabiel inkomen. Daarnaast is er sprake van ernstige verslavingsproblematiek. Interventies zijn geïndiceerd om het risico op recidive te verlagen.

Gelet op het feit dat op 9 augustus 2022 het besluit intrekking Unierecht is uitgereikt, is op grond van de Amsterdams 3RO-beleid een drangkader niet aan de orde. Een reclasseringstraject is, gelet op de verblijfsstatus van verdachte, niet uitvoerbaar. Verdachte voldoet daarom zowel aan de harde als zachte criteria voor het opleggen van een ISD-maatregel. Het beheersen van de bestaande problematiek en terugdringen van recidive zijn op langere termijn te realiseren door middel van repatriëring (met zachte landing). In het land van herkomst kan wel aanspraak worden gemaakt op zorg en maatschappelijke opvang.

. De dualiteit van ISD-maatregel brengt met zich mee dat primair de maatschappelijk bescherming en beveiliging aan de orde is en secundair de inzet van geïndiceerde interventies. Reclassering Inforsa meent dat de maatschappelijke bescherming tegen aanhoudend delict- en overlastgevend gedrag aan de orde is. Tevens biedt dit voor verdachte het meest reële toekomstperspectief en de meest reële kans op het terugdringen van recidive. Er kunnen voor verdachte interventies worden georganiseerd in Polen, mits hij hieraan meewerkt. De deskundige, [reclasseringswerker] , heeft voornoemd advies op de terechtzitting bevestigd en daar waar nodig aangevuld.

Oplegging van de ISD-maatregel

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezen geachte feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezenverklaarde feit is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde reclasseringsrapportage en het strafblad, ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

Uit het strafblad volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de ‘Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers’ van het Openbaar Ministerie stelt. Verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het in dit vonnis bewezenverklaarde feit. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat is voldaan aan de ‘harde’ ISD-criteria.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte ook aan de ‘zachte’ ISD-criteria voldoet. Die houden in dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de ISD-maatregel bestaat. De rechtbank overweegt op basis van het hiervoor genoemde rapport en de daarop ter terechtzitting gegeven toelichting dat vanwege de verblijfstatus van verdachte een drangkader door middel van een reclasseringstoezicht geen optie is. Verdachte heeft geen recht op sociale voorzieningen en er kan om deze reden geen invulling worden gegeven aan een reclasseringstoezicht.

In het licht van voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van personen en goederen de oplegging van de ISD-maatregel eist. Het belang van de samenleving, dat verdachte geen overlast en schade meer zal veroorzaken, staat nu voorop. Daarbij speelt dat de ISD-maatregel, vanwege de verblijfstatus van verdachte, feitelijk de enige mogelijkheid is om verdachte hulpverlening aan te bieden. Verdachte heeft onder andere vanwege zijn verslavingsproblematiek hulp en begeleiding nodig. In het kader van de ISD-maatregel kunnen dergelijke interventies voor verdachte in detentie worden georganiseerd. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie toewijzen en een ISD-maatregel opleggen voor de duur van 2 jaren opleggen.

7. Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij]

vordert een bedrag van € 17.757,88, minus €500,- reeds vergoede schade aan vergoeding van materiële schade en € 4.000.- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden

toegewezen. De verdediging heeft ten aanzien van het materiële deel verzocht om de post die ziet op de tandartskosten niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze te complex is voor het strafrecht. De post gederfde inkomsten moet worden afgewezen, omdat benadeelde partij dit aan zijn werkgever had moeten vragen. Ten aanzien van de immateriële schade heeft hij zich op het standpunt gesteld dat deze onvoldoende is onderbouwd en geen rekening wordt gehouden met de eigen schuld van benadeelde partij.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De benadeelde partij zal ten aanzien van de posten die zien op de gederfde inkomsten en de kleding niet-ontvankelijk worden verklaard. Ten aanzien van de post gederfde inkomsten overweegt de rechtbank als volgt. Het is niet duidelijk geworden of de benadeelde partij recht had op doorbetaling van zijn werkgever. Hij heeft weliswaar gesteld dat hij een 0-uren contract had en daardoor geen recht had op doorbetaling, maar in sommige gevallen kan wel een dergelijk recht bestaan. Bijvoorbeeld als een werknemer langer dan drie maanden in dienst is geweest bij de werkgever. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. Dit zal een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

Ten aanzien van de posten kleding is niet vast komen te staan dat de schade is ontstaan door het bewezenverklaarde feit. Zoals eerder genoemd heeft aangever zelf ook klappen uitgedeeld. Het is onvoldoende vast komen te staan dat de kleding bij de eerste situatie is beschadigd en niet bij de tweede situatie of door het eigen toedoen van de benadeelde partij.

De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post tandartskosten, de vordering toewijzen. De rechtbank is van oordeel dat voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de door de benadeelde partij gevorderde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreekse schade is toegebracht. De losse tanden zijn namelijk het gevolg van de kaakslag door verdachte. Op basis van de begroting kan voldoende worden vastgesteld dat dit bedrag noodzakelijk is en het is voldoende onderbouwd. De rechtbank zal de reeds vergoede schade hierbij in mindering brengen.

Immateriële schade

Vaststaat dat aan benadeelde partij door het in zaak B bewezen geachte feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij dan recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade.

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat het gevorderde bedrag moet worden gematigd wegens eigen schuld van de benadeelde partij in de zin van artikel 6:101 BW. De ontstane schade is, zoals hiervoor reeds is besproken, immers mede een gevolg van een omstandigheid die aan de benadeelde deels kan worden toegerekend en moet daarom leiden tot een evenredige vermindering van de schadevergoedingsplicht van verdachte. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden en de eigen schuld, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 500,- en wijst zij de vordering voor dit bedrag toe, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank wijst het overige deel van de vordering af.

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van [benadeelde partij] wordt als extra waarborg voor betaling aan hem de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 38m, 38n, 47, 300 en 311 Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

[...]

[...]

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van zaak A

diefstal door twee of meer verenigde personen , waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

ten aanzien van zaak B subsidiair

mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 11.075,11 (elfduizend vijfenzeventig euro en elf eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 500,- (vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 10 april 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot nihil.

Het meer of anders verzochte ten aanzien van de immateriële schade wordt afgewezen.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 11.575,11 (elfduizend vijfhonderdvijfenzeventig euro en elf eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 10 april 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 94 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. C.C.J. Maas- van Es en J.C.E. Krikke, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 augustus 2025.

[...]

[...] [...]

[...] [...]

[...]

[...] [...]

[...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...]

[...] [...] [...] [...] [...]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. W.M.C. van den Berg

Griffier

  • mr. M.J.D. Hartman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?