RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/174274-25 Parketnummer vordering tul: 13/195444-24
Datum uitspraak: 1 oktober 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] ,
thans gedetineerd te: [detentieplaats] ,
hierna te noemen: verdachte.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 september 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. G. Dankers, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E.I.B. Hoffman, naar voren hebben gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen het slachtoffer, mevrouw [slachtoffer] , naar voren heeft gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – samengevat – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
Feit 1:
het voorhanden hebben van een drietal vuurwapens (een pomphagelgeweer (een shotgun), een semiautomatisch vuurwapen (type FGC-9) en een pistoolmitrailleur) en een grote hoeveelheid munitie (750 patronen) in de periode van 1 januari 2024 tot en met 5 juni 2025 in Amsterdam en/of Wormerveer;
Feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling van [slachtoffer] op 25 mei 2025 in Amsterdam;
Feit 3:
belaging van [slachtoffer] in de periode van 25 mei 2025 tot 4 juni 2025 in Amsterdam.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan verdachte tenlastegelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vraag of zij tot een bewezenverklaring komt van de aan verdachte tenlastegelegde feiten.
Oordeel van de rechtbank
Feit 1 : bewezenverklaring voorhanden hebben vuurwapens en munitie
De rechtbank acht bewezen dat verdachte op tijdstippen in de tenlastegelegde periode de in de tenlastelegging genoemde wapens en munitie tezamen en in vereniging met anderen voorhanden heeft gehad.
Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij de onder hem inbeslaggenomen munitie in zijn bezit had. Verdachte had aldus de beschikkingsmacht over die munitie. Bovendien wist hij dat het ging om (echte) munitie.
Ten aanzien van het drietal in de tenlastelegging genoemde wapens heeft verdachte verklaard dat hij die weliswaar in zijn bezit heeft gehad, maar dat hij dacht dat het ging om nepwapens. Dat was hem verteld door de mensen van wie hij de wapens kreeg. De woning waar verdachte stond ingeschreven in [plaats 1] werd als opslag- of stashlocatie gebruikt door een groepering die zich met criminele activiteiten bezighoudt, aldus verdachte. Verder heeft verdachte verklaard dat hij wapens, specifiek: het in de tenlastelegging genoemde pomphagelgeweer en het semiautomatische vuurwapen (type FGC-9), in de woning van [slachtoffer] in [plaats 2] heeft gebracht.
De rechtbank verwerpt het verweer van verdachte dat sprake zou zijn geweest van nepwapens, gelet op het feit dat verdachte geen concrete, verifieerbare verklaring heeft afgelegd over hoe en van wie hij die nepwapens dan heeft verkregen en waar die dan gebleven zouden zijn. Bovendien ligt het niet voor hand dat verdachte nepvuurwapens moest bewaren voor een groep die zich, volgens verdachte, met criminele activiteiten bezig zou houden. Daarnaast geldt dat de politie de wapens als echte vuurwapens heeft herkend. Ook volgt uit het dossier dat de onder verdachte inbeslaggenomen echte kogelpatronen gebruikt kunnen worden voor het semiautomatische vuurwapen en de pistoolmitrailleur.
Pomphagelgeweer zonder kolf
Uit het dossier volgt dat het pomphagelgeweer niet voorzien was van een kolf en daarmee zodanig is vervaardigd of gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is dan wel dat de aanvalskracht wordt verhoogd. De rechtbank acht daarmee ook dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen.
De perioden
De rechtbank acht bewezen dat verdachte het pomphagelgeweer voorhanden heeft gehad in de periode van 1 januari 2024, gelet op de verklaring van verdachte dat er begin 2024 een foto van hem met het pomphagelgeweer is gemaakt, tot november 2024, gelet op de verklaring van aangeefster dat verdachte het wapen rond die tijd in haar woning heeft gebracht. Ook had verdachte het wapen in de zomer van 2024 voorhanden, gelet op het feit dat – naar eigen zeggen van verdachte – destijds het filmpje van verdachte met het pomphagelgeweer is gemaakt.
Voor wat betreft het semiautomatische vuurwapen (type FGC-9) acht de rechtbank bewezen dat verdachte dat voorhanden heeft gehad in de periode van 13 oktober 2024, de datum van de foto van het wapen dat is aangetroffen in de telefoon van verdachte, tot november 2024, gelet op de verklaring van aangeefster dat verdachte het wapen rond die tijd in haar woning heeft gebracht.
Ten aanzien van de pistoolmitrailleur acht de rechtbank bewezen dat verdachte die voorhanden had in de periode van 13 oktober 2024, de datum van de foto van het wapen dat is aangetroffen in de telefoon van verdachte, tot 18 oktober 2024, de datum waarvan de foto’s van aangeefster, die zijn aangetroffen in de telefoon van verdachte, met dit vuurwapen dateren.
De munitie had verdachte voorhanden op 5 juni 2025, de dag dat een doorzoeking in de woning van verdachte in [plaats 1] plaatsvond en de kogelpatronen onder hem in beslag werden genomen.
Feiten 2 en 3 : bewezenverklaring bedreiging en belaging
Op grond van de bekennende verklaring ter zitting en de aangifte van [slachtoffer] , acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer] op 25 mei 2025 met de dood heeft bedreigd en in de periode van 25 mei 2025 tot 4 juni 2025 heeft belaagd. Doordat verdachte in de genoemde periode veelvuldig telefonisch contact heeft opgenomen met en veelvuldig mail en WhatsApp-berichten heeft gestuurd aan [slachtoffer] met het doel om haar te dwingen het – in de woorden van verdachte – weer goed te maken, heeft verdachte wederrechtelijk, stelselmatig en opzettelijk inbreuk gemaakt op haar levenssfeer.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Feit 1:
op tijdstippen in de periode van 1 januari 2024 tot en met 5 juni 2025 te Amsterdam en Wormerveer tezamen en in vereniging met anderen
voorhanden heeft gehad;
Feit 2:
op 25 mei 2025 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen: "ik maak je af, ik kom naar je huis en je krijgt een kogels door je kkr hersenen vieze kkr hoer";
Feit 3:
in de periode van 25 mei 2025 tot 4 juni 2025 te Amsterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door veelvuldig telefonisch contact op te nemen en veelvuldig mail en WhatsApp-berichten te sturen met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de proeftijd de bijzondere voorwaarden dienen te worden gekoppeld, zoals door de reclassering zijn geadviseerd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest plus de 65 dagen gevangenisstraf die verdachte nog dient uit te zitten in het kader van de vordering tenuitvoerlegging. In aanvulling daarop heeft de raadsvrouw verzocht om aan verdachte een forse taakstraf op te leggen, bijvoorbeeld van 240 uur (de maximale duur), waarvan een deel voorwaardelijk. Aan het voorwaardelijk gedeelte kunnen dan de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, worden gekoppeld.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van drie vuurwapens, te weten: een pomphagelgeweer, een semiautomatisch vuurwapen en een pistoolmitrailleur. Daarnaast heeft verdachte, samen met anderen, een forse hoeveelheid munitie voorhanden gehad. Het bezit hiervan kan een gevaar opleveren voor omstanders en omwonenden en zorgt hoe dan ook voor onveiligheidsgevoelens in de samenleving. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging en belaging van zijn (destijds) ex-partner. Nadat aangeefster de relatie tussen haar en verdachte had beëindigd, is verdachte haar gaan lastig vallen door haar te bedreigen en veelvuldig te bellen, mailen en WhatsApp-berichten te sturen. Verdachte stopte daar niet mee, toen aangeefster daarom vroeg. Ook het feit dat een politieagent verdachte (telefonisch) heeft aangesproken op zijn gedrag en hem heeft gevraagd te stoppen, heeft verdachte er niet van weerhouden door te gaan met zijn gedrag. Verdachte heeft daarmee gedurende enige tijd stelselmatig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Dit heeft impact gehad op het gevoel van veiligheid en op de bewegingsvrijheid van aangeefster. Verdachte heeft geen besef getoond van de impact van zijn handelen op aangeefster en heeft geen begrip en respect voor de behoeften en persoonlijke ruimte van aangeefster gehad.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft bij de strafoplegging gelet op de inhoud van een uittreksel uit de justitiële documentatie (het strafblad) van 4 september 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking is gekomen.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport over verdachte van 2 september 2025. Uit het rapport volgt dat de volgende risicofactoren voor het delictgedrag te zien zijn: het sociale netwerk van verdachte, het psychosociale functioneren van verdachte en zijn relatie met [slachtoffer] en het niet hebben van een dagbesteding. De reclassering schat het risico op herhaling in als gemiddeld.
Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden:
een meldplicht bij de reclassering;
gedragsinterventie agressiebeheersing: verdachte neemt actief deel aan de gedragsinterventie Beëindiging (Onderling) Relationeel Geweld (BORG) of een andere interventie die gericht is op agressiebeheersing;
Indien de BORG training niet voldoende blijkt naar het professioneel oordeel van de reclassering, zal verdachte zich laten behandeling door De Waag of een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering;
Dagbesteding: verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Ter zitting heeft verdachte verklaard mee te zullen werken aan bovenvermelde voorwaarden.
De straffen
De rechtbank legt aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van één jaar, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf worden de bijzondere voorwaarden gekoppeld, zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte op een taakstraf voor de maximale duur van 240 uur.
Toelichting op de straffen
De rechtbank heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten, ofwel de afspraken die rechtbanken onderling hebben gemaakt over op te leggen straffen voor dezelfde soort feiten. Op het voorhanden hebben van vuurwapens staan in beginsel lange gevangenisstraffen, zoals door de officier van justitie ook geëist.
De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie in het voordeel van verdachte, omdat zij – voor wat betreft feit 1 – uitgaat van een kleinere rol van verdachte. De rechtbank volgt de verdachte in zijn verklaring dat zijn woning ‘slechts’ als opslag-/stashlocatie werd gebruikt door anderen. Daarnaast vindt de rechtbank het van belang dat verdachte een deel van zijn straf invult met een taakstraf. Dat vindt de rechtbank een constructievere reactie, dan hem lang naar de gevangenisstraf te sturen.
Ten aanzien van de bedreiging en belaging geldt dat verdachte en aangeefster de relatie met elkaar hebben hervat. Ter zitting hebben zij beiden aangegeven dat zij samen zullen deelnemen aan de BORG training. Gelet op het voorgaande, vindt de rechtbank het niet opportuun om verdachte hiervoor nog fors te straffen.
8. Beslag
Onder verdachte zijn inbeslaggenomen:
Verbeurdverklaring
De telefoon van verdachte moet worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp hiervan het bewezen geachte onder feiten 2 en 3 is begaan.
Onttrekking aan het verkeer
Het onderdeel van het wapen (handvat) en de munitie moeten worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bewezen geachte onder feit 1 is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
9. Beslissing na voorwaardelijke veroordeling inzake 13/195444-24
Bij de stukken bevindt zich de op 4 september 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/195444-24, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 24 december 2024 van de rechtbank Amsterdam. Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 65 dagen voorwaardelijk, met bevel dat het voorwaardelijk strafdeel niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Ook bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte is betekend.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan meerdere strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van het genoemde voorwaardelijke strafdeel te bevelen. Dit is immers het uitgangspunt bij het overtreden van voorwaarden gedurende de proeftijd.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 47, 55, 57, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
11. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd
Feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
Feit 3: belaging
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij de reclassering
Veroordeelde meldt zich binnen 3 (drie) dagen na het ingaan van de proeftijd bij Leger des Heils Reclassering op het adres [adres 2] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Gedragsinterventie agressiebeheersing
Veroordeelde neemt actief deel aan de gedragsinterventie Beëindig (Onderling) Relationeel Geweld (BORG) of een andere gedragsinterventie die gericht is op agressiebeheersing. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider.
Ambulante behandeling
Indien de BORG training niet voldoende blijkt naar het professioneel oordeel van de reclassering, zal veroordeelde zich laten behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk na het ingaan van de proeftijd. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Openheid geven ten aanzien van zijn sociaal netwerk van vrienden/kennissen
Veroordeelde toont openheid ten aanzien van zijn sociaal netwerk van vrienden/kennissen/contacten.
De rechtbank geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.
Ten aanzien van het beslag:
Verklaart verbeurd:
1 STK telefoontoestel (omschrijving: PL1300-2025131349-G6666153, Apple
IPhone)
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
Vordering tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/195444-24
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 24 december 2024 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk 65 dagen gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.Ş. Doğan, voorzitter,
mrs. R.A. Overbosch en I. Struijkenkamp, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 oktober 2025.
[...]