RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/011903-23
Datum uitspraak: 17 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1996,
wonende op het adres [adres 1]
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 28 juni 2024 en 3 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N. Levinsohn, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.T. Brassé, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan verkrachting van [slachtoffer] door onder meer zijn penis in haar vagina te brengen.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De aangeefster heeft op essentiële punten altijd consequent en gedetailleerd verklaard. De aangifte wordt ondersteund door de geluidsopname die zij heeft gemaakt van het incident. Ook heeft zij verklaard dat de persoon die haar heeft verkracht de gebruiker is van het snapchataccount [accountnaam 1] . Dit account kan worden herleid naar verdachte. Ook wordt bij aangeefster [slachtoffer] diep vaginaal, op haar buitenste schaamlippen en op een inlegkruisje DNA aangetroffen dat vrijwel zeker afkomstig is van verdachte. Tot slot heeft verdachte verklaard dat hij een alibi heeft. Dit heeft hij ook onderbouwd, maar dit alibi is niet sluitend.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Volgens haar wordt de aangifte onvoldoende ondersteund. Alle stukken die zich in het dossier bevinden en mogelijk als steunbewijs kunnen dienen, zijn te herleiden tot een en dezelfde bron, namelijk de aangeefster. Ook kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte die nacht bij de aangeefster is geweest. Verdachte heeft een sluitend alibi. Hij was namelijk met de getuige [getuige] ( [getuige] ) in een hotel en is daar de hele nacht gebleven, zo blijkt uit het filmpje op Snapchat van 15 januari 2022 rond 05.25 uur. Hij kan daarom niet degene zijn die de aangeefster heeft verkracht. Dat er bij de aangeefster DNA is aangetroffen dat zeer waarschijnlijk van verdachte is, valt te verklaren door het feit dat verdachte en aangeefster een seksuele relatie hadden en zij een aantal dagen voor 15 januari 2022 nog vrijwillige seks met elkaar hebben gehad.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat de verkrachting die aan verdachte ten laste is gelegd zou zijn gepleegd op 15 januari 2022. Omdat de Wet Seksuele Misdrijven pas op 1 juli 2024 in werking is getreden, dient de rechtbank de tenlastelegging te beoordelen aan de hand van het wetsartikel voor verkrachting (artikel 242 Sr) dat gold vóór 1 juli 2024.
Bij de beoordeling van het bewijs staat voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. In de onderhavige zaak is dat ook het geval.
Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechtbank niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Voor een bewezenverklaring dient sprake te zijn van steunbewijs, afkomstig van een andere bron dan het vermeende slachtoffer. In zedenzaken kan een geringe mate van steunbewijs in combinatie met een betrouwbare verklaring van het slachtoffer voldoende wettig bewijs opleveren. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een getuige die een verklaring heeft afgelegd over de emotionele toestand die hij/zij heeft waargenomen bij een aangever kort na het feit. Het steunbewijs hoeft echter geen betrekking te hebben op alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat de verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat die verklaring ‘niet op zichzelf staat’, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan.
Verklaring aangeefster
Aangeefster [slachtoffer] is op verschillende momenten verhoord. Zij is op 15 januari 2022, op de dag dat het incident zou hebben plaatsgevonden, naar de politie gegaan en heeft daar een informatief gesprek gevoerd. Op 16 maart 2022 heeft zij aangifte gedaan en ook is zij op 23 november 2023 bij de rechter-commissaris verhoord.
De verklaring van [slachtoffer] komt er – kort gezegd – op neer dat zij drie jaar lang een seksuele relatie had met een man die zij [naam 1] noemt. De relatie was kort voor het incident waarvan zij aangifte heeft gedaan beëindigd. In de nacht van 15 januari 2022 stuurde [naam 1] haar 4:00 uur een berichtje met de vraag of hij bij haar kon ontnuchteren, omdat hij te veel had gedronken om naar huis te kunnen rijden. [slachtoffer] is hier uiteindelijk mee akkoord gegaan. Hij is naar haar woning gegaan en in haar bed gaan liggen. [slachtoffer] lag zelf op de bank. [naam 1] zei dat ze gewoon normaal moest doen en in bed moest komen liggen. Uiteindelijk is [slachtoffer] ook in bed gaan liggen. Op de bank en ook later in bed hebben ze een discussie met elkaar gehad over de relatie, waarvan [naam 1] niet wilde dat die zou eindigen. [slachtoffer] heeft uiteindelijk gezegd dat ze wilde slapen. Ineens voelde ze iets bij haar bil en merkte ze dat [naam 1] met zijn hoofd bij haar bil zat. Hij zei dat hij haar wilde beffen. Dat wilde [slachtoffer] niet. Hij trok haar naar zich toe en likte aan haar benen, in de buurt van haar vagina. Ze zei dat hij moest stoppen en hij stopte toen ook. Ze is daarop weggelopen richting haar voordeur. Hij pakte haar vast en duwde haar op bed. Er ontstond een worsteling. Ze probeerde hem van zich af te duwen, maar dat lukte niet. Ze zat geknield met haar buik gericht naar het bed. Hij heeft haar vagina toen van achteren gepenetreerd met zijn penis. Ze heeft de hele tijd gezegd dat hij moest stoppen en van haar af moest gaan en dat ze niet wilde. Ze schreeuwde en hij duwde haar hoofd in het bed. Zij heeft tijdens het penetreren zijn vinger gepakt en duwde deze zo hard mogelijk naar achteren. Hij pakte toen haar oor. Daarna legde hij zijn hand op haar keel en kneep deze dicht. Op een gegeven moment is hij uit haar gegaan. Ze moest erg huilen en zei dat hij uit haar huis moest. Ze heeft toen spullen van hem naar buiten gegooid. Hij wilde in eerste instantie niet gaan, maar op het moment dat hij merkte dat zijn spullen buiten lagen, is hij naar buiten gegaan. Ze heeft vervolgens de deur dichtgedaan.
Verklaring verdachte
Verdachte heeft bevestigd dat hij een seksuele relatie had met [slachtoffer] , maar hij stelt dat hij deze heeft laten doodbloeden. Hij was niet bij [slachtoffer] in de nacht van 15 januari 2022 en hij heeft haar niet verkracht. Hij was in plaats daarvan met zijn goede vriendin [getuige] in het [naam hotel] . Wel heeft hij een aantal dagen voorafgaand aan 15 januari 2022 nog vrijwillige seks gehad met [slachtoffer] . Hij vermoedt dat dit rond 10 januari 2022 is gebeurd, maar hij weet niet meer op welke dag het precies was. Zijn naam is niet [naam 1] en anderen noemden hem ook niet zo. Het snapchataccount [accountnaam 1] is niet van hem.
Betrouwbaarheid aangeefster
De rechtbank acht de verklaring van aangeefster op essentiële punten consistent en betrouwbaar. De belangrijkste vragen die de rechtbank dient te beantwoorden, zijn: 1. is verdachte de persoon over wie aangeefster verklaart en 2. vindt de verklaring van aangeefster voldoende steun in het dossier.
Alibi verdachte
Op basis van de stukken van het dossier kan de rechtbank vaststellen dat verdachte in elk geval op de late avond van 14 januari 2022 en in de vroege nacht van 15 januari 2022 met getuige [getuige] in het [naam hotel] is geweest. Dit blijkt uit de verklaring van [getuige] in combinatie met de uitkomst van het onderzoek aan haar telefoon, waarin verschillende filmpjes en foto’s zijn aangetroffen met daarop [getuige] en verdachte in het [naam hotel] hotel. Hieruit volgt echter niet dat verdachte na ongeveer 03.30 uur nog steeds in het hotel was. De verdediging heeft een screenshot en een video op Snapchat overgelegd van 05.25 uur, waaruit zou blijken dat verdachte zich ook op dat moment nog met [getuige] in het [naam hotel] hotel bevond. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter niet worden vastgesteld dat dit filmpje afkomstig is van verdachte. Hij staat zelf in elk geval niet (herkenbaar) op beeld. Weliswaar is het filmpje op enig moment op zijn Snapchat gezet en staat daar de datum 15 januari 2022 bij, maar er kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat hij het filmpje op dat moment in het hotel heeft gemaakt.
Hetgeen de verdediging heeft opgeworpen en ingebracht, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen vaststellen dat verdachte op 15 januari 2022 rond 05.30 uur in het [naam hotel] was. De rechtbank gaat daarom niet uit van het alibi van verdachte.
Identiteit [naam 1]
Aangeefster heeft verklaard dat de man die haar heeft verkracht [naam 1] zou heten. [naam 1] is niet één van de namen van verdachte. Ook ontkent verdachte dat hij zo heet of door anderen zo wordt genoemd. Aangeefster heeft echter ook verklaard dat [naam 1] een account op Snapchat heeft met als profielnaam ‘ [naam 2] ’ en als gebruikersnaam ‘ [accountnaam 2] ’. Verdachte heeft ontkend dat dit account van hem is. Uit het proces-verbaal van de politie waarin het onderzoek aan de telefoon van de getuige [getuige] is geverbaliseerd, blijkt naar het oordeel van de rechtbank echter dat ‘ [accountnaam 1] ’ wel een snapchataccount van verdachte is. Op 27 juni 2024, de dag voorafgaand aan de eerste inhoudelijke behandeling van de strafzaak, vindt een gesprek plaats tussen [getuige] en [accountnaam 1] waarin wordt gesproken over de schriftelijke verklaring van [getuige] en dat zij ook naar de zitting mee gaat. Ook op de dag van de zitting, op 28 juni 2024, is er contact tussen [getuige] en [accountnaam 1] , in het bijzonder vlak voor het moment waarop het getuigenverhoor van [getuige] op de zitting plaatsvindt. Verdachte is met deze bevindingen van de politie geconfronteerd op de zitting van 3 december 2025. Hij heeft volgehouden dat hij niet de gebruiker is van het snapchataccount [accountnaam 1] , maar heeft de bevindingen van de politie op geen enkele manier weerlegd. Gelet hierop kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat [getuige] op 27 en 28 juni 2024 contact heeft gehad met verdachte en dat verdachte dus wel de gebruiker is van het snapchataccount [accountnaam 1] .
De rechtbank gaat er gelet op het bovenstaande vanuit dat aangeefster bij vergissing spreekt over ‘ [accountnaam 2] ’, maar het account [accountnaam 1] bedoelt.
Daarnaast blijkt uit het dossier dat aangeefster na de aangifte contact heeft gehad met iemand die in haar telefoon aangeduid staat als [naam 3] . [naam 3] vraagt haar waarom zij aangifte heeft gedaan, waarop aangeefster antwoordt dat dit de consequenties van zijn daden zijn. Er is geen enkele indicatie dat aangeefster in deze periode nog een aangifte heeft gedaan tegen iemand anders. De rechtbank concludeert dat [naam 1] , [accountnaam 1] en [naam 3] één en dezelfde persoon zijn.
Naast het snapchataccount heeft aangeefster nog meer informatie over [naam 1] gegeven. Hij zou jarig zijn op 24 december. Hij reed in een donkerblauwe auto, maar deze kan ook van zijn zus geweest zijn omdat er kinderspullen in lagen. Hij woonde mogelijk aan de [straatnaam] . De politie heeft onderzoek gedaan naar de identiteit van [naam 1] . Verdachte heeft gewoond aan de [straatnaam] , is op 24 december jarig en heeft zussen met kinderen. Naast verdachte heeft de politie in het begin ook een andere persoon, [persoon 1] ( [persoon 1] ), als mogelijke verdachte aangemerkt aangezien diegene ook enkele overeenkomsten had met de informatie die aangeefster heeft genoemd in haar aangifte. De politie heeft [slachtoffer] geconfronteerd met een politiefoto van [persoon 1] en een oude politiefoto van verdachte uit 2014. Op de foto van [persoon 1] reageert aangeefster door te zeggen dat zij zeker weet dat hij het niet is. Over de foto van verdachte uit 2014 zegt zij dat hij er wel erg op lijkt, maar dat het een oude foto is en zij het niet zeker weet. De politie heeft vervolgens een foto van het reisdocument uit 2017 van verdachte aan aangeefster getoond. Aangeefster sloeg bij het zien van de foto direct haar hand voor haar mond en zei binnen een seconde: "Ja, dat is hem. Dat is hem, zeker."
Gelet op het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat verdachte degene is die aangeefster heeft aangeduid als [naam 1] .
Steunbewijs
De rechtbank gaat uit van de verklaring van aangeefster ten aanzien van de feitelijke toedracht. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van aangeefster voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. Naast de herkenning van verdachte door aangeefster, is de rechtbank van oordeel dat de geluidsopname die zij heeft verstrekt steunbewijs oplevert voor haar verklaring. De politie heeft deze opname beluisterd, maar de rechtbank heeft dit ook zelf gedaan. Op deze opname is te horen dat een vrouw herhaaldelijk “stop”, “laat me los” en “ga uit me” roept, dat zij daarbij ook de naam “ [naam 1] ” noemt en dat zij huilt, waarna zij roept dat hij uit haar huis moet gaan. Ook is een mannenstem hoorbaar. Wat hij zegt is niet altijd goed te verstaan, maar wel is onder meer te horen: “laat mijn vinger los.” Dit alles komt overeen met de aangifte.
Daarnaast is bij de aangeefster diep vaginaal, op haar buitenste schaamlippen en op haar inlegkruisje DNA aangetroffen dat is onderzocht. Uit dit onderzoek is gebleken dat het vrijwel zeker afkomstig is van verdachte. Nu wordt uitgegaan van de verklaring van aangeefster, is de rechtbank van oordeel dat het aantreffen van DNA dat vrijwel zeker van verdachte is, steunbewijs oplevert voor de aangifte. Dat de DNA-sporen dateren van ongeveer vijf dagen ervoor, toen hij met aangeefster seks gehad zou hebben, zoals de verdediging suggereert, is gelet op de verschillende vindplaatsen niet voor de hand liggend.
Alles afwegende concludeert de rechtbank dat verdachte degene is geweest die aangeefster heeft gedwongen tot het dulden van seksuele handelingen, namelijk het met zijn penis binnendringen in haar vagina. De rechtbank is ook van oordeel dat verdachte haar hiertoe heeft gedwongen met geweld, onder meer door haar mee te trekken en op bed te duwen. De rechtbank acht de ten laste gelegde verkrachting dan ook wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat voor het dichtknijpen van de keel onvoldoende aanknopingspunten in het dossier zijn. Van dit onderdeel wordt verdachte vrijgesproken.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 15 januari 2022 te Amsterdam, door geweld en een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers is/heeft hij, verdachte,
met zijn mond richting de bil van die [slachtoffer] gegaan en daarbij gezegd dat hij haar, [slachtoffer] , wilde beffen en toen die [slachtoffer] zei: “Ik wil niet” en “Niet doen”, die [slachtoffer] bij de enkels vastgepakt en naar zich toegetrokken waarbij zij, [slachtoffer] , probeerde hem, verdachte van zich af te duwen en waarna hij, verdachte, de benen van die [slachtoffer] begon te likken (in de buurt van haar vagina en bil waarna die [slachtoffer] zei: “Stop”) en richting haar voordeur liep om hem, verdachte, te laten vertrekken en naar die [slachtoffer] toe gelopen en die [slachtoffer] bij de armen gepakt en
daarbij gezegd: “Kom hier” en
die [slachtoffer] op bed geduwd waarbij die [slachtoffer] probeerde hem, verdachte, van zich af te duwen en
zijn penis achterlangs in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en
daarbij een hand van die [slachtoffer] strak achter haar rug gehouden en
gezegd: “Ik ga het in je doen als je niet stil bent” waarbij die [slachtoffer] zei: “Stop”
en “Ik wil niet” en “Kun je van me afgaan” en
het hoofd van die [slachtoffer] in het bed geduwd en
zijn, verdachtes, duim en wijsvinger om de keel van die [slachtoffer] gelegd.
6. De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigings-grond is niet aannemelijk geworden.
7. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de straf
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De officier van justitie heeft in haar eis rekening gehouden met overschrijding van de redelijke termijn.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van een vrouw met wie hij eerder een seksuele relatie had. Dit betreft een zeer ernstig strafbaar feit waarbij een grote inbreuk is gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer. De verkrachting is bovendien gepleegd in de eigen woning van het slachtoffer, een plek waar iemand zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen. Van het incident is een geluidsopname gemaakt. Deze opname geeft duidelijk weer hoe angstig en emotioneel het slachtoffer was tijdens de verkrachting. Ook is te horen dat zij zeer vaak zegt dat verdachte moet stoppen en haar los moet laten. Het moet voor verdachte dan ook volstrekt duidelijk zijn geweest dat zij geen seks met hem wilde, ondanks de eerdere vrijwillige seksuele relatie die zij hebben gehad. Verdachte heeft met zijn gedrag de grenzen van het slachtoffer ver overschreden en de rechtbank rekent hem dit zwaar aan. De eerdere vrijwillige seksuele relatie weegt de rechtbank dan ook niet in strafmatigende zin mee.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 22 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 13 november 2025, opgemaakt door [persoon 2] . In dit rapport concludeert de reclassering dat het recidiverisico laag is en dat er te weinig aanknopingspunten zijn voor een uitvoerbaar reclasseringstraject. Om die reden adviseert de reclassering bij oplegging van een straf geen bijzondere voorwaarden op te leggen.
Voor een verkrachting met geweld of een daarmee vergelijkbare mate van dwang neemt de rechtbank als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.
Anders dan de officier van justitie oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en overweegt daartoe het volgende. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de verdachte een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als zo’n handeling te gelden. Wel moeten de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als zo’n handeling worden aangemerkt.
De rechtbank stelt vast dat verdachte niet in verzekering is gesteld en dat de dagvaarding is betekend op 10 juni 2024. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in dit geval geen redenen om het eerste verhoor van verdachte als aanvang van de redelijke termijn te laten gelden. De redelijke termijn is daarmee aangevangen op 10 juni 2024. De rechtbank wijst in deze zaak vonnis op 17 december 2025. Dit is niet langer dan twee jaar na aanvang van de redelijke termijn.
Het voorgaande neemt echter niet weg dat sprake is van een oude zaak, met een feit dat bijna vier jaar geleden gepleegd is. De rechtbank zal hiermee rekening houden bij het bepalen van de hoogte van de straf.
De rechtbank acht een voorwaardelijk strafdeel niet noodzakelijk, omdat aan verdachte een straf wordt opgelegd waarbij de regeling voor voorwaardelijke invrijheidstelling van toepassing is. Wanneer verdachte in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling, kan worden bepaald of hij vervroegd vrij kan komen en of daaraan eventueel bijzondere voorwaarden moeten worden verbonden.
De rechtbank is alles afwegende van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
9. Beslag
Uit de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen blijkt dat er een inlegkruisje in beslag is genomen. De officier van justitie heeft op de terechtzitting meegedeeld dat dit inlegkruisje niet onder verdachte in beslag genomen en daarom onterecht op de beslaglijst staat vermeld. Gelet hierop zal de rechtbank geen beslissing nemen op het inbeslaggenomen inlegkruisje.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op artikel 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
11. Beslissing
De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
De rechtbank verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Verkrachting
De rechtbank verklaart het bewezene strafbaar.
De rechtbank verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.A. Brunner, voorzitter,
mrs. Ch.A. van Dijk en J.V.L. van Well, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.D.N. Tool, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 december 2025.
De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
[…]
[…]