RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 13/073319-25
Datum uitspraak: 30 oktober 2025
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2009,
wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: verdachte.
1. Onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 oktober 2025
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.E.A. Duyvendak en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.J.R. Roethof, naar voren hebben gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door mevrouw [persoon 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), mevrouw [persoon 2] namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA) en door de moeder van verdachte naar voren is gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 8 maart 2025 te Amsterdam , in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer/benadeelde partij] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, immers heeft verdachte met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp
- meermalen althans eenmaal gestoken in het (boven)been van die [slachtoffer/benadeelde partij] en/of
- meermalen, althans eenmaal gestoken op het hoofd (net boven het oor) van die
[slachtoffer/benadeelde partij] en/of
- een of meer steekbewegingen in de richting van het lichaam van voornoemde
[slachtoffer/benadeelde partij] heeft gemaakt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 maart 2025 te Amsterdam , in elk geval in Nederland
aan [slachtoffer/benadeelde partij] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere steek en/of snijwonden in zijn been en/of zijn hoofd, in elk geval in zijn lichaam, heeft toegebracht door eenmaal of meermalen met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp in het (boven)been en/of in/tegen het hoofd te steken en/of te snijden;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 maart 2025 te Amsterdam , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer/benadeelde partij] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, naar voornoemde [slachtoffer/benadeelde partij] is toegegaan en/of vervolgens eenmaal of meermalen met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp in het (boven)been en/of in/tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer/benadeelde partij] heeft gestoken en/of gesneden en/of een of meer steekbewegingen in de richting van het lichaam van voornoemde [slachtoffer/benadeelde partij] heeft gemaakt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Inleiding
Op 8 maart 2025 bevindt verdachte zich bij station Noord in Amsterdam . Verdachte en de latere aangever komen elkaar tegen in een bus en raken daar met elkaar in gevecht. Verdachte verlaat daarop de bus en kleedt zich daarna om. Wanneer verdachte een halfuur later het metrostation verlaat, ziet hij een groep jongeren onder wie aangever. Verdachte loopt op de groep af, haalt een mes uit zijn broeksband en loopt richting aangever. Hij haalt uit met het mes en raakt de aangever in zijn been en op zijn hoofd. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld hoe het handelen van verdachte gekwalificeerd moet worden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde poging tot moord wettig en overtuigend bewezen kan worden. Een bloeding met dodelijke afloop is immers een zeer reëel gevolg van een dergelijke steek in het bovenbeen. Verdachte heeft door te steken de aanmerkelijke kans op dit gevolg aanvaard. Daarnaast is ook sprake van de voor moord vereiste voorbedachte raad. Verdachte heeft wraak willen nemen voor wat aangever hem eerder heeft aangedaan. Dit scenario vindt steun in de verklaring van getuige [getuige] , die heeft verklaard dat verdachte naar haar toe ging en haar meedeelde dat hij verdachte heeft opgezocht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde.
Daartoe heeft zij aangevoerd dat op basis van het dossier niet valt vast te stellen dat sprake is van een aanmerkelijke kans dat aangever door de steek in zijn been zou komen te overlijden. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht verdachte vrij te spreken van het bestanddeel voorbedachte raad. Verdachte handelde in een opwelling, was in paniek en vreesde ervoor zelf opnieuw slachtoffer te worden van mishandeling. De verklaring van getuige [getuige] kan niet tot het bewijs worden gerekend. Zij heeft slechts een summiere verklaring afgelegd die in een proces-verbaal van bevindingen is opgetekend en is niet als getuige bij, bijvoorbeeld, de rechter-commissaris gehoord en bevraagd. Uit haar verklaring blijkt niet hoe zij tot de conclusie is gekomen dat verdachte de aangever heeft “opgezocht”. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak poging doodslag
Voor een bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever is in ieder geval vereist dat sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood, welke aanmerkelijke kans door verdachte ook is aanvaard. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van aangever heeft gehad. Verdachte zal daarom van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag worden vrijgesproken. Uit de bewijsmiddelen in het dossier, in het bijzonder de aangifte en de letselverklaring, valt niet af te leiden dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat aangever door de steek in zijn been of bij het oor of de snee op zijn hoofd zou kunnen komen te overlijden, en evenmin dat verdachte die kans ook heeft aanvaard.
Vrijspraak zware mishandeling
Voor beantwoording van de vraag of bepaald letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, is de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel van belang.
Uit de letselverklaring volgt dat het steken bij aangever geen zenuw-, pees- of vaatletsel heeft doen ontstaan. De wond op het been is gehecht en de wond op het hoofd gelijmd. Niet is gebleken dat aangever daarnaast blijvend last ondervindt van de steekwond.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde, te weten de zware mishandeling van aangever.
Poging tot zware mishandeling
Ten aanzien van de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling komt de rechtbank tot een bewezenverklaring. Met het steken van aangever in zijn been heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
Voorbedachte raad
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De verdachte moet dus de gelegenheid hebben gehad over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te hebben gegeven (vgl. ECLI:NL:HR:2015:122)
Verdachte en aangever hebben ruzie gehad en zijn zonder hun meningsverschil op te lossen uit elkaar gegaan. Verdachte heeft zich daarna omgekleed en is rond gaan lopen op station Noord . Hij had die dag naar eigen zeggen voor het eerst een mes bij zich. Een halfuur later, bij het verlaten van station Noord , zag hij aangever in de verte. Hij is hierop in een directe lijn, in vlug tempo, in ongeveer 9 seconden tijd, naar aangever toe gelopen. Hij heeft halverwege een mes uit zijn broeksband tevoorschijn gehaald en heeft daarmee direct op aangever ingestoken toen hij dichtbij genoeg kwam. Nadat hij aangever heeft gestoken is hij in een kalm tempo weggelopen. De stelling dat verdachte in paniek was, en uit angst om opnieuw aangevallen te worden zichzelf bij voorbaat verdedigde, vindt geen steun in de bewijsmiddelen. De rechtbank acht dat scenario daarmee onaannemelijk en schuift het terzijde.
Vanwege deze uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen concludeert de rechtbank dat het niet anders kan dan dat verdachte weloverwogen en doelgericht heeft gehandeld en dat geen sprake was van enkel een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Van contra-indicaties die zouden moeten leiden tot een ander oordeel is niet gebleken. Zo is niet gebleken dat de besluitvorming en uitvoering in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling of een plots opkomende drift hebben plaatsgevonden, of dat slechts sprake is geweest van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad pas tijdens de uitvoering van het besluit ontstond.
Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade.
De rechtbank rekent de verklaring van getuige [getuige] niet tot het bewijs, zodat niet wordt toegekomen aan de toetsing van de betrouwbaarheid van de verklaring.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 8 maart 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer/benadeelde partij] opzettelijk met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, naar voornoemde [slachtoffer/benadeelde partij] is toegegaan en vervolgens met een mes in het bovenbeen van voornoemde [slachtoffer/benadeelde partij] heeft gestoken en een steekbeweging in de richting van het lichaam van voornoemde [slachtoffer/benadeelde partij] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
6. Strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot jeugddetentie van 365 dagen waarvan 297 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie een werkstraf voor de duur van 200 uur gevorderd met een proeftijd van twee jaar.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen
feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals
daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een (vrijheidsbenemende) straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig feit dat een grove inbreuk vormt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Verdachte is in het bijzijn van omstanders het slachtoffer met een mes te lijf gegaan. Hij mag van geluk spreken dat zijn handelen geen ernstiger letsel heeft veroorzaakt. Zijn aanval heeft niet alleen het slachtoffer vrees aangejaagd, het heeft ook gevoelens van onveiligheid veroorzaakt bij onschuldige omstanders. Voor een dusdanig ernstig feit is in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie passend.
De rechtbank houdt rekening met de afspraken die ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn vastgelegd in de Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting Jeugd, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging.
Persoonlijke omstandigheden en tijdsverloop
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de rapportages en berichtgeving, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt.
JBRA heeft op zitting verklaard dat verdachte zich goed aan zijn schorsingsvoorwaarden heeft gehouden. Zijn schoolexamens zijn goed verlopen. Zowel verdachte als zijn gezin hebben goed meegewerkt met het toezicht. Zijn IFA -coach helpt hem in de zoektocht naar een bijbaan. JBRA adviseert toezicht en begeleiding voor de duur van een jaar. Hierbij dient ook de IFA -coach betrokken te blijven. Verdachte moet leren omgaan met situaties zoals de onderhavige en hoe hij pro-sociale contacten aangaat.
De Raad heeft in zijn advies van 24 september 2025 geadviseerd om aan verdachte een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen in de vorm van een werkstraf, met als bijzondere voorwaarden dat verdachte meewerkt aan IFA -begeleiding en verdere hulp die nodig wordt geacht, naar school dan wel stage gaat, zinvolle vrijetijdsbesteding heeft en geen contact heeft met het slachtoffer. De Raad heeft op zitting verder toegelicht dat het goed gaat met verdachte en dat juist daarom de verdenking erg zorgelijk is. Het is belangrijk dat hij leert om in de toekomst in dit soort situaties anders te handelen en met zijn emoties om te gaan. Het is zorgelijk dat hij aangeeft geen vrienden te (willen) hebben, vriendschappen zijn immers van belang voor het welzijn van mensen.
De moeder van verdachte heeft verklaard dat zij weet dat verdachte afscheid heeft genomen van de vrienden met wie hij eerder omging en met wie hij de strafbare feiten pleegde. Zij zegt voldoende zicht te hebben op de personen met wie verdachte omgaat.
Strafoplegging
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het feit een onvoorwaardelijke jeugddetentie rechtvaardigt. Verdachte hoeft echter niet nu nog terug naar de JJI. Gelet op het advies van de Raad en JBRA zal hem een voorwaardelijke straf worden opgelegd, in de vorm van een voorwaardelijke jeugddetentie, waaraan de bijzondere voorwaarden zullen worden verbonden zoals geadviseerd door de Raad. Daarnaast dient verdachte, uit het oogpunt van vergelding voor het ernstige feit dat hij heeft gepleegd, naast de al ondergane jeugddetentie nog een werkstraf uit te voeren.
De rechtbank ziet aanleiding om bij de straftoemeting wel een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank komt immers niet tot een bewezenverklaring van een poging moord, maar tot een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling met voorbedachte rade.
Alles overwegende acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen waarvan 22 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest, en een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uur, passend en geboden.
9. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [slachtoffer/benadeelde partij] vordert € 3.530,- aan materiële schadevergoeding en € 2.800,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ten aanzien van het materiële deel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, met uitzondering van het gedeelte van de vordering dat ziet op de broek. Ten aanzien daarvan wordt verzocht om gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid. Ten aanzien van het immateriële deel heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag moet worden gematigd tot een bedrag van € 1.000,-.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht aansluiting te zoeken bij het standpunt van de officier van justitie.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Voor de stelling dat de jas, ketting en iPhone kapot zijn gegaan als gevolg van het bewezen geachte feit bevat het dossier op dit moment geen aanknopingspunten. De benadeelde partij heeft daarnaast niet duidelijk gemaakt om wat voor broek het ging en welke waarde de broek had. Omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat deze strafzaak moet worden aangehouden, levert de verdere behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot materiële schadevergoeding. Hij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezen geachte feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen. De hoogte van de vordering tot vergoeding van immateriële schade is ter terechtzitting betwist, althans verzocht is om matiging. Op grond van de door benadeelde partij gestelde omstandigheden, rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 1.000,- aan vergoeding voor de geleden immateriële schade billijk en toewijsbaar. De rechtbank zal daarom de vordering inzake de immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,- hoofdelijk toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van de benadeelde [slachtoffer/benadeelde partij] wordt de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
11. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart het primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 meer subsidiair en onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.
Het bewezen verklaarde levert op:
Poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 90 (negentig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Beveelt dat een gedeelte, groot 22 (tweeëntwintig) dagen, van deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren.
Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen.
Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaar onder de algemene voorwaarde dat veroordeelde
• zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:
• zal meewerken aan de begeleiding van IFA ;• zal meewerken aan eventuele verdere hulp die nodig wordt geacht;• naar school blijft gaan volgens het rooster;• zich inzet voor het vinden van een passende bijbaan;• op geen enkele wijze contact – direct of indirect – heeft of opneemt met het slachtoffer, [slachtoffer/benadeelde partij] , geboren op [geboortedag 2] [geboortejaar] .
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:
• ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
• zijn medewerking zal verlenen aan het door de reclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Regio Amsterdam, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer/benadeelde partij] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 maart 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer/benadeelde partij] het toegewezen bedrag te betalen. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer/benadeelde partij] , te betalen de som € 1.000,00 (duizend euro) bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 maart 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer/benadeelde partij] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. I.M. Nusselder, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. K.M. van Hassel en M. van Gemert, rechters,
in tegenwoordigheid van T. Bongenaar, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 oktober 2025.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.