RECHTBANK AMSTERDAM
Team Familie & Jeugd
Parketnummers: 13/345061-24 (A) en 16/319351-24 (B)
Datum uitspraak: 27 mei 2025
Verkort vonnis van de Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 2006,
thans gedetineerd te: [detentie-instelling] .
1. Onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 13 mei 2025.
De zaken zijn bij de pro formabehandeling ter terechtzitting van 25 april 2025 gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.L.M. van Poll en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D.G. Nagel, naar voren hebben gebracht.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [medewerker van de Raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad),
[medewerker van JBRA] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA) en door de moeder van verdachte naar voren is gebracht. Namens de benadeelde partij [aangever] is aanwezig mr. H.A.F.C. Tack, waarnemend advocaat voor mr. R.H. Bouwman.
2. Tenlasteleggingen
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
in zaak A:
1
hij op of omstreeks 11 juni 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een tas (met inhoud), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- meermalen, althans eenmaal, met een wapen op het hoofd, althans het lichaam, van
voornoemde [aangever] te slaan
- de tas (met inhoud) uit de auto van voornoemde [aangever] weg te grissen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 oktober 2024 te Marbella, in elk geval in Spanje, een rijbewijs op naam van [aangever] , althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft
gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 oktober 2024 te Marbella, in elk geval in Spanje, opzettelijk rijbewijs, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als houder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
2
hij op of omstreeks 11 juni 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een alarmpistool, in elk geval een of meerdere onderdelen van een alarmpistool, te weten een patroonhouder en/of een of meerdere knalpatronen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden
waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen;
3
hij op of omstreeks 9 oktober 2024 te Marbella, in elk geval in Spanje, een wapen van categorie III, onder 1, te weten pistool, van het merk Beretta, type Pietro Beretta, kaliber 765-1KORT, zijnde een vuurwapen voorhanden heeft gehad;
in zaak B:
1
hij op of omstreeks 8 augustus 2024 in Lelystad, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid sieraden en/of horloges, in elk geval enige goederen, die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorden, te weten aan Juwelier [naam] , weg te nemen met het oogmerk om zich deze wederrechtelijk toe te eigenen, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, en/of deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met
geweld tegen één of meer personeelsleden en/of aanwezige klanten van/bij voornoemde Juwelier [naam] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan
het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te
verzekeren,
- met gezichtsbedekkende en/of verhullende kleding en/of een vuurwapen en/of een hamer en/of een tas naar voornoemde juwelier is gegaan en/of (vervolgens) bij voornoemde juwelier naar binnen heeft gekeken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 17 augustus 2024 in Lelystad, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid horloges (met een nieuwwaarde van in totaal € 32.147,-), in elk geval enige goederen, die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorden, te weten aan Juwelier [naam] , hebben weggenomen met het oogmerk om zich deze wederrechtelijk toe te eigenen, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of van bedreiging met geweld tegen [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] , [persoon 7] en/of [persoon 8] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit het met een vuurwapen, in elk geval met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in de hand lopen in de richting van één of meer voornoemde personen en/of het richten, althans gericht houden van voornoemd vuurwapen/voorwerp, op één of meer voornoemde personen;
3. Voorvragen
De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Bewijsoverweging
Op 11 juni 2024 wordt aangever [aangever] ’s avonds in de parkeergarage, terwijl hij al in zijn auto zit, overvallen door twee mannen met maskers. Hij wordt door beide mannen meerdere keren op zijn hoofd geslagen met een vuurwapen en zijn tas met daarin een portemonnee met cashgeld en passen worden meegenomen.
Als de politie ter plaatse komt treft zij op de grond voor de auto een patroonhouder met knalpatronen aan. De patroonhouder wordt bemonsterd en er wordt een DNA-spoor van een onbekende man A aangetroffen. Op opgevraagde camerabeelden is te zien dat twee jongens aan komen rennen en in een zwarte taxi stappen, die vervolgens wegrijdt. Van de daders ontbreekt verder ieder spoor.
Een paar maanden later vindt op 17 augustus 2024 in Lelystad, in [winkelcentrum] , een overval plaats bij juwelier [naam] . Twee daders komen de winkel in, bedreigen het personeel en klanten met een vuurwapen en slaan met een moker de vitrines kapot. De daders rennen de winkel uit met een flink aantal horloges. Na de overval stappen ze in een blauwe Toyota met kenteken [kenteken 1] . De verdachten vluchten in de richting van de wijk [wijk] in Lelystad. Dezelfde dag komt er een melding bij de politie binnen dat er op een parkeerterrein in [wijk] een blauwe Toyota Yaris staat te piepen. De melder heeft ook gezien dat het portier aan de bestuurderszijde beschadigd is.
De politie neemt de auto in beslag en ziet dat over de originele kentekenplaten andere kentekenplaten bevestigd zijn. Het originele kenteken van de blauwe Toyota Yaris blijkt te zijn [kenteken 2] . Van buitenaf is zichtbaar dat er op de vloer van de auto een hamer ligt. Een andere melder, wonende op [wijk] [perceelnummer 1] in Lelystad, meldt bij de politie dat er naast zijn woning op een parkeerplaats een bivakmuts ligt.
De politie vraagt camerabeelden op uit [wijk] en aan de hand daarvan kan worden opgemaakt dat op 17 augustus 2024, omstreeks 11.13 uur een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 3] door [wijk] rijdt en dat deze Volkswagen Golf wordt gevolgd door de Toyota Yaris met kenteken [kenteken 1] . Op de beelden is te zien dat de Toyota Yaris, omstreeks 11.13 uur, wordt geparkeerd op een parkeerplaats aan [wijk] [perceelnummer 2] te Lelystad en dat de Volkswagen Golf direct hierna achter de Toyota Yaris stopt. Uit de Toyota Yaris stapt een persoon die het portier van de Volkswagen Golf opent en iets lijkt te geven aan de bestuurder van de Volkswagen Golf. Vervolgens rijdt die weg en stapt de persoon terug in de Toyota Yaris. In de wijk [wijk] , op de vluchtroute van de verdachten, vindt de politie later kleding, handschoenen en een moker.
De politie verricht nader onderzoek naar de eigenaar van de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 3] . De auto blijkt op naam te staan van [medeverdachte] .
Er wordt vervolgens een onderzoek ingesteld naar [medeverdachte] , onder andere naar de telefoonnummers die op zijn naam staan. Historische telefoongegevens wijzen uit dat de telefoon van [medeverdachte] met het nummer eindigend op ‘ [deel telefoonnummer 1] ’ op 17 augustus 2024 een reisbeweging maakt vanuit Duivendrecht richting Lelystad en weer terug naar Amsterdam. Op 17 augustus om 10:52 uur straalt zijn telefoon de mastlocatie aan op [straatnaam] te Lelystad. Dit is in de directe omgeving van [winkelcentrum] en [wijk] . Op deze telefoon worden ook diverse afbeeldingen van [naam] juweliers aangetroffen. Uit onderzoek blijkt ook dat de gsm van [medeverdachte] op 17 augustus 2024 veelvuldig contact heeft met het telefoonnummer eindigend op ‘ [deel telefoonnummer 2] ’, onder andere rondom het tijdstip van de gewapende overval bij [naam] . Naar later blijkt is dit telefoonnummer in gebruik is bij verdachte. Zijn telefoon maakt tijdens de overval eveneens gebruik van de masten rondom de plaats van het delict en daarna van die rondom [wijk] .
Op 11 december 2024 vindt een doorzoeking plaats in de woning van [medeverdachte] in [woonplaats] . Hier worden onder meer zes horloges aangetroffen waarvan de politie kan vaststellen dat deze zijn weggenomen bij de overval op 17 augustus 2024. De betrokkenheid van [medeverdachte] bij de overval kan hierdoor worden vastgesteld.
De politie verricht ook nader onderzoekt naar de blauwe Toyota Yaris. Op het achterportier (binnenzijde) wordt een bloedspoor aangetroffen, dat wordt bemonsterd. Ook een aangetroffen handschoen wordt bemonsterd en zowel bij de handschoen als bij het bloedspoor op het achterportier wordt een DNA-profiel aangetroffen van een onbekende man A.
In oktober 2024 ziet de Spaanse politie in de plaats Marbella een zwarte Golf bij een routinecontrole rechtsomkeert maken. De politie controleert de drie inzittenden van de Golf en als verdachte zijn heuptasje overhandigt wordt in het tasje een vuurwapen en munitie aangetroffen. Onder verdachte wordt zijn portemonnee in beslaggenomen waarin, naar later blijkt, het rijbewijs van aangever [aangever] wordt aangetroffen. Nadat verdachte zijn DNA heeft afgestaan, blijkt dit overeen te komen met de hierboven genoemde DNA-sporen van de onbekende man A.
Zaak A
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de in zaak A tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen worden op grond van het aangetroffen DNA van verdachte op de voor de auto van aangever aangetroffen patroonhouder, de omstandigheid dat verdachte het rijbewijs van aangever [aangever] in Spanje in zijn bezit had en het feit dat de telefoon van verdachte uitpeilt in de omgeving van de parkeergarage ten tijde van de overval. Verdachte heeft zich hierover beroepen op zijn zwijgrecht.
Zaak B
De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat de in zaak B onder feit 1 tenlastegelegde poging tot diefstal niet bewezen kan worden.
Uit het dossier kan de rechtbank vaststellen dat op 8 augustus 2024 in Lelystad twee personen uit een blauwe Toyota Yaris stappen en richting juwelier [naam] in [winkelcentrum] lopen. Ze kijken om de hoek van de straat waarin de juwelier zich bevindt, draaien zich om en lopen terug naar de auto. Uit berichten die in de telefoon van medeverdachte [medeverdachte] zijn aangetroffen kan worden afgeleid dat de verdachte en zijn mededader waarschijnlijk wel de intentie hadden om een overval te plegen maar rechtsomkeert hebben gemaakt toen zij de bewaking zagen. Naar het oordeel van de rechtbank levert dit handelen geen begin van een uitvoering op.
De rechtbank acht feit 2 wel bewezen op grond van de camerabeelden van de blauwe Toyota Yaris, de aangetroffen goederen in de wijk [wijk] , het DNA van verdachte in het bloedspoor van de vluchtauto en op de op de vluchtroute aangetroffen handschoen, de uitkomsten van het verrichte onderzoek naar medeverdachte [medeverdachte] , de telefooncontacten tussen [medeverdachte] en verdachte en het uitpeilen van de telefoon van verdachte rondom de plaats van de overval en de wijk [wijk] . Verdachte heeft ook voor dit feit geen verklaring willen geven.
De raadsvrouw heeft als alternatief scenario aangevoerd dat verdachte regelmatig in Lelystad is omdat zijn oma daar woont. De rechtbank acht deze uitleg met het oog op voornoemde bewijsmiddelen niet aannemelijk.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
in zaak A onder feit 1:
op 11 juni 2024 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander een tas met inhoud, toebehorende aan [aangever] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door:
-meermalen, met een wapen op het hoofd van voornoemde [aangever] te slaan
-een tas met inhoud uit de auto van voornoemde [aangever] weg te grissen.
In zaak A onder feit 2:
op 11 juni 2024 in Amsterdam, meerdere onderdelen van een alarmpistool, te weten een patroonhouder en knalpatronen categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, zijnde voorwerpen waarvan, gelet op de aard en de omstandigheden waaronder deze werden aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat ze bestemd waren om letsel aan personen toe te brengen en te dreigen, heeft gedragen.
In zaak A onder feit 3:
op 9 oktober 2024 te Marbella, een wapen van categorie III onder 1, te weten een pistool van het merk Beretta, type Pietro Beretta, kaliber 765-1KORT, zijnde een vuurwapen voorhanden heeft gehad.
In zaak B onder feit 2:
op 17 augustus 2024 in Lelystad, tezamen en in vereniging met anderen, een hoeveelheid horloges, met een nieuwwaarde van in totaal € 32.147,-, toebehorende aan Juwelier [naam] , hebben weggenomen met het oogmerk zich deze wederrechtelijk toe te eigenen, en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak, terwijl deze diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] , [persoon 7] en [persoon 8] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit het met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in de hand lopen in de richting van voornoemde personen en het richten van voornoemd voorwerp, op één of meer voornoemde personen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
5. Bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
6. Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de straffen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem in zaak A onder feit 1 primair, 2 en 3, en in zaak B onder de feiten 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 16 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Hierbij dienen de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden opgelegd. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een leerstraf, te weten Tact Plus van 35 uur, wordt opgelegd.
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft verzocht bij de strafoplegging mee te wegen dat verdachte als net meerderjarige bijna een maand in Spanje in detentie heeft doorgebracht, wat extra zwaar is geweest omdat hij daar verbleef zonder familie en de Spaanse taal niet spreekt. Het huidige schooljaar is verloren omdat het tot nu toe niet is gelukt het schoolwerk bij verdachte in de JJI te krijgen. Verdachte is first offender en nog maar kort in Nederland. Hij moet nog wennen aan de Nederlandse cultuur.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van onder meer een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich sinds de betrekkelijk korte tijd dat hij in Nederland woont schuldig gemaakt aan twee diefstallen in vereniging met anderen, waarbij fors geweld is gebruikt. Daarnaast heeft verdachte een alarmpistool met knalpatronen voorhanden gehad en had hij in Marbella een vuurwapen voorhanden.
Verdachte heeft in juni vorige jaar samen met zijn mededader aangever [aangever] op zeer gewelddadige wijze overvallen toen deze ’s avonds na zijn werk in de parkeergarage in zijn auto wilde stappen. Het slachtoffer is daarbij meermalen met een vuurwapen op zijn hoofd geslagen waarna zijn tas is meegenomen. In augustus vorig jaar heeft verdachte samen met een mededader een juwelier overvallen in Lelystad. Ze hebben het personeel bedreigd door een vuurwapen te tonen en hebben met een moker vitrines kapot geslagen en een grote hoeveelheid waardevolle horloges weggenomen.
De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke gewelddadige overvallen veelal een langdurige en ernstige nasleep van de gebeurtenis ondervinden. Dit blijkt ook uit de schriftelijke slachtofferverklaring van aangever [aangever] die nog steeds elke nacht het incident herbeleeft en de grootste moeite heeft om deze traumatische ervaring te verwerken. Hij twijfelt elke dag of hij zijn beroep als goudsmid moet blijven uitoefenen terwijl zijn beroep een grote passie voor hem is.
Persoonlijke omstandigheden en de persoon van verdachte
Uit het verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 maart 2025 blijkt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Hij zal dan ook worden aangemerkt als first offender.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de rapportages, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt:
De psycholoog heeft geconcludeerd dat bij verdachte geen sprake is van een psychische stoornis of een verstandelijke handicap. Wel zijn de cognitieve capaciteiten beperkt. Dit laatste maakt dat verdachte moeite heeft met het overzien van situaties en gevolgen, het inschatten van risico’s en het aanpassen van zijn handelen hierop. Dit wordt versterkt doordat hij recent in Nederland is komen wonen en nog niet goed weet of kan inschatten wat de sociale normen en gevolgen van bepaalde handelingen in dit land zijn. Indien bewezen wordt geadviseerd het tenlastegelegde in licht verminderde mate toe te rekenen.
Verdachte heeft moeite met impulsbeheersing en beschikt nog onvoldoende over een eigen en stevige identiteit. Dit maakt dat hij snel meegaat in ongewenst gedrag.
Geadviseerd wordt een jeugdreclasseringsmaatregel Toezicht en Begeleiding op te leggen met als bijzondere voorwaarden meewerken aan dagbesteding en coaching.
De Raad heeft geadviseerd verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie en een taakstraf in de vorm van een leerstraf ‘TACt Plus’ op te leggen met daarbij bijzondere voorwaarden.
De rechtbank overweegt als volgt.
Verdachte heeft ter zitting niet over de feiten willen praten waardoor het voor de rechtbank moeilijk in te schatten is in hoeverre verdachte is doordrongen van de ernst van de gepleegde feiten. De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat er veel voor hem op het spel staat, namelijk het verblijf van verdachte in Nederland, nu het verlenen van zijn verblijfsvergunning door deze strafzaken “on hold” is gezet. Hoewel de rechtbank hiervoor begrip heeft, zal hij toch de consequenties moeten ervaren van zijn daden en moeten inzien dat dit in Nederland niet de juiste weg is om te bewandelen.
De rechtbank zal rekening houden met de conclusie van de psycholoog dat de feiten verdachte in licht verminderde mate zijn toe te rekenen. De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straffen passend en geboden zijn, ook in de situatie waarbij de rechtbank verdachte heeft vrijgesproken van de poging tot diefstal met geweld op 8 augustus 2024. De rechtbank beoogt met het opleggen van de bijzondere voorwaarden en de leerstraf dat verdachte, als hij in de toekomst in Nederland mag blijven, in staat wordt gesteld zijn leven op een juiste manier op de rit te krijgen, waarbij hij het plegen van strafbare feiten achterwege laat en dat hij andere vaardigheden kan aanleren.
10. De benadeelde partij
De advocaat heeft namens de benadeelde partij [aangever] ter zitting de vordering aangepast in die zin dat de benadeelde partij aan gemiste inkomstenderving een bedrag van € 4.736,40 vordert en voor de weggenomen iPhone 13 een bedrag van € 750,-. Aan immateriële schadevergoeding vordert de benadeelde partij een bedrag van € 2.500,-. Verzocht is de bedragen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel toe te wijzen.
De officier van justitie acht de vordering hoofdelijk toewijsbaar, met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de vordering af te wijzen. Subsidiair heeft zij naar voren gebracht dat de inkomstenderving niet is onderbouwd met objectieve stukken en de telefoon een weggenomen iPhone 13 betrof die op grond van eigen onderzoek voor € 511,- inclusief BTW aangeschaft kan worden.
De raadsvrouw heeft ten slotte verzocht om de vordering, in geval van toewijzing, niet hoofdelijk, maar voor een derde deel toe te wijzen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de benadeelde partij door het gepleegde feit materiële en immateriële schade heeft geleden. Zij acht het bedrag zoals gevraagd door de advocaat voor de gederfde inkomsten redelijk. De vordering is op dat punt ook voldoende onderbouwd. Voor de weggenomen telefoon zal de rechtbank, gebruikmakende van haar schattingsbevoegdheid, een bedrag van € 500,- toewijzen. Het bedrag aan immateriële schadevergoeding is naar het oordeel van de rechtbank billijk en wordt eveneens toegewezen.
De bedragen worden hoofdelijk toegewezen, met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van die schade (11 juni 2024). De rechtbank ziet in de situatie van verdachte geen aanleiding om van het uitgangspunt van hoofdelijkheid af te wijken.
De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
In het belang van [aangever] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
11. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 27, 54, 55 van de Wet wapens en munitie.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
12. Beslissing
Verklaart het in zaak B onder feit 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder de feiten 1 primair, 2 en 3 en in zaak B onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
In zaak A
onder feit 1 primair:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
onder feit 2:
handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
onder feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
In zaak B onder feit 2:
diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 16 (zestien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:
- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door het William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste
tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Geeft opdracht de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een leerstraf TACt Plus voor de duur van 35 (vijfendertig) uren. Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 17 (zeventien) dagen.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever] hoofdelijk toe tot een bedrag van
€ 5.236,40 (vijfduizend tweehonderdzesendertig euro en veertig eurocent) aan materiële schade en
€ 2.500,- (tweeduizendvijfhonderd euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 juni 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte aan [aangever] het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever] te betalen de som van € 5.236,40 (vijfduizend tweehonderdzesendertig euro en veertig eurocent) aan materiële schade en € 2.500,- (tweeduizendvijfhonderd euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 juni 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens anderen is betaald.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.W.B. Snijders Blok, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. I.M. Nusselder en C.P. Bleeker, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Pandelitschka, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 mei 2025.