RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/777560 / KG ZA 25-868 VVV/JD
Vonnis in kort geding van 29 oktober 2025
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij bij dagvaarding van 24 oktober 2025,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R.W. Lagerwaard,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.A.K. van den Berg.
1. De procedure
Ter zitting van 28 oktober 2025 heeft [eiser] de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd.
Beide partijen hebben producties en een pleitnota ingediend.
Ter zitting waren aanwezig:
In verband met de spoedeisendheid van het gevorderde is vonnis gewezen op 29 oktober 2025 in de vorm van een ‘kopstaartvonnis’. Dit vonnis betreft de uitwerking daarvan en is aan partijen afgegeven op 12 november 2025.
2. De feiten
[gedaagde] produceert het programma ‘ [programma] ’. In dit programma stelt presentator [naam 1] met gebruik van een verborgen camera misstanden aan de kaak.
Op 17 december 2024 heeft een confrontatie plaatsgevonden tussen [naam 1] met cameraploeg en [eiser] . [naam 1] heeft [eiser] een aantal vragen gesteld over schulden die [eiser] zou hebben bij derden, over fraude en taakstraf, en over een project in Frankrijk.
Bij e-mail van 19 december 2024 heeft [eiser] (voor zover hier van belang) het volgende aan [gedaagde] geschreven.
“Geachte heer [naam 1] ,
Ik wil nog raag even terugkomen op ons gesprek van afgelopen dinsdag 17 december, omgeving [plaats] . U zult begrijpen dat ik mij "overvallen" voelde, waardoor wederhoor niet goed kon
plaats vinden.
Een volledig en professioneel wederhoor lijkt mij wel op zijn plaats en ik zou daar
graag uitvoering aan willen geven.
Zoals ik ook aangegeven heb, is het in ieder geval verstandig om uw onderzoek
volledig te maken door documenten en feiten te beschouwen, in overeenstemming
met de realiteit.
Vooruitlopend stuur ik een tweetal documenten toe, aangaande familieleden.
Uiteraard is er nog veel en veel meer feitenmateriaal ter beschikking en wat mij
betreft kunt u alles inzien. (…)”
Bij e-mail van 30 december 2024 aan [gedaagde] heeft de advocaat van [eiser] een toelichting gegeven op een gestelde vordering van [naam 3] en zijn vrouw op [eiser] , en claims van de broer van [eiser] : [naam 4] . Verder heeft de advocaat van [eiser] toegelicht dat er (vermeende) schuldeisers zijn die door tussenkomst van [eiser] in het verleden een geldlening hebben verstrekt aan een vennootschap waar [eiser] zelf geen belang in had, en dat – na opheffing van het persoonlijk faillissement van [eiser] – hij 15 ‘mensen onverplicht heeft afgelost’.
Nadat de advocaat van [eiser] de redactie van [gedaagde] op 7 januari 2025 een e-mail heeft gestuurd over de familiesituatie van [eiser] , heeft de advocaat van [gedaagde] op 10 januari 2025 bericht dat het onderzoek nog in volle gang is en dat [gedaagde] zich bij hem zal melden zodra dat in een afrondende fase belandt, minimaal 6 weken voor de voorgenomen uitzenddatum
Vervolgens heeft de advocaat van [eiser] in januari en februari 2025 meerdere e-mails gestuurd naar de advocaat van [gedaagde] , die (voor zover hier van belang) op 11 februari 2025 reageerde dat zij de goede ontvangst van de informatie zal bevestigen en zal doorgeleiden naar [gedaagde] .
Bij e-mail van 24 april 2025 heeft de advocaat van [gedaagde] een aantal vragen van de programmamakers aan [eiser] doorgestuurd aan zijn advocaat. De vragen gaan (kort gezegd) over gestelde vorderingen van natuurlijke personen en over een project “ [naam project] ”.
Bij e-mail van 2 mei 2025 heeft de advocaat van [eiser] gereageerd dat [gedaagde] ‘aanzienlijke juridische risico’s’ neemt door met deze uitzending door te gaan, waaronder een mogelijke veroordeling tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad en een uitzendverbod.
Bij e-mail van 7 mei 2025 heeft de advocaat van [gedaagde] gevraagd of [eiser] nog op de vragen van 24 april 2025 wil reageren.
Bij brief van 12 mei 2025 heeft de advocaat van [eiser] gereageerd op de vragen van [gedaagde] .
Bij e-mail van 15 mei 2025 heeft de advocaat van [gedaagde] de ontvangst van de antwoorden van [eiser] bevestigd en (voor zover hier van belang) bericht dat de uitzending zal worden verplaatst naar het najaar van 2025.
Bij brief van 8 september 2025 heeft [gedaagde] [eiser] in kennis gesteld van een voorgenomen uitzending over [eiser] in het najaar van 2025.
Bij e-mail van 15 september 2025 heeft (de advocaat van) [eiser] [gedaagde] gesommeerd om af te zien van de uitzending over [eiser] , om al het opgenomen beeldmateriaal waarin [eiser] herkenbaar in beeld komt te vernietigen, en om schriftelijk te bevestigen dat geen gebruik zal worden gemaakt van enig materiaal dat betrekking heeft op [eiser] .
Bij e-mail van 17 september 2025 heeft (de advocaat van) [gedaagde] gereageerd dat zij niet zal voldoen aan de sommatie en geschreven dat de uitzending over [eiser] op of kort na [datum] zal worden uitgezonden.
3. Het geschil
[eiser] vordert – samengevat – om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
primair
I. [gedaagde] te verbieden om de voorgenomen uitzending in het programma " [programma] " over of met betrekking tot [eiser] uit te (doen) zenden of op openbaar te maken, totdat deugdelijk wederhoor heeft plaatsgevonden waarbij [eiser] de gelegenheid heeft gehad de volgende bewijsstukken over te leggen:
een schriftelijke verklaring van [naam 2] van 19 september 2025;
e-mailcorrespondentie van 14 juni 2017 met accountantsinformatie betreffende de “financiële verhouding met [naam 4] ”;
vaststellingsovereenkomsten met circa 15 “inmiddels volledig afgeloste partijen”;
contactgegevens van personen die [eiser] kan aanreiken ter verificatie van zijn stellingen,
II. [gedaagde] te verbieden om beeldmateriaal waarin [eiser] herkenbaar in beeld komt uit de (doen) zenden of anderszins openbaar te maken,
III. [gedaagde] te verbieden om uitlatingen te (laten) doen waarin [eiser] wordt beschuldigd van financiële malversaties, oplichting of enig andere vorm van onrechtmatig handelen, voor zover deze beschuldigingen zijn gebaseerd op de door [naam 2] ingetrokken verklaringen of op de door haar als vals bestempelde aangifte,
subsidiair
IV. [gedaagde] te gebieden om vóór de uitzending in een deugdelijk wederhoor met [eiser] de volgende bewijsstukken te bespreken:
- een verklaring van [naam 2] van 19 september 2025;
- financiële stukken betreffende [naam 4] van 14 juni 2017;
- vaststellingsovereenkomsten,
dit alles (vorderingen I t/m IV) op straffe van dwangsommen,
primair en subsidiair
V. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente,
VI. [gedaagde] te veroordelen in de volledige proceskosten, zoals bedoeld in artikel 1019h Rv.
[gedaagde] voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4. De beoordeling
Toewijzing van de vorderingen zou betekenen dat het grondrecht van [gedaagde] op vrijheid van meningsuiting, zoals bepaald in artikel 10 lid 1 van het EVRM, wordt beperkt. Zoals lid 2 van artikel 10 EVRM bepaalt brengt de vrijheid van meningsuiting bepaalde plichten en verantwoordelijkheden mee, en kan deze worden beperkt als dat bij wet is voorzien, bijvoorbeeld om de goede naam en de rechten van anderen te beschermen. Zo’n beperking die bij wet is voorzien doet zich voor als een publicatie onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW. Verder dient tot uitgangspunt dat een uitzendverbod vooraf alleen in uitzonderlijke omstandigheden wordt toegewezen, als dat uit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming nodig is.
Voor het antwoord op de vraag of de publicatie onrechtmatig is, moeten de wederzijdse belangen van partijen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, tegen elkaar worden afgewogen. Het belang van [eiser] is dat hij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan verdachtmakingen. Het belang van [gedaagde] is dat zij zich in het openbaar kritisch, informerend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over zaken van publiek belang. Bij deze belangenafweging moeten alle omstandigheden van het geval aan bod komen. Nu de reportage nog niet is vertoond (en de voorzieningenrechter die ook niet heeft gezien), wordt er vanuit gegaan dat de inhoud ervan overeenkomt met wat partijen (met name [gedaagde] ) daarover naar voren hebben gebracht.
[gedaagde] heeft ter zitting toegelicht dat zij een aflevering heeft gemaakt over het handelen van [eiser] en wat voor gevolgen dit heeft gehad voor de ‘gedupeerden’ daarvan. In het bijzonder besteedt de uitzending aandacht aan de volgende personen:
[naam 4] vertelt in algemene zin dat hij weet van leningen van familie, vrienden en collega’s die nooit zijn afgelost en over een sommatie die hij ontving terwijl hij met vrienden en familie een overledene herdacht;
[naam 5] verklaart in de uitzending hoe hij door [eiser] gedupeerd is en nog geld van hem tegoed heeft.
[naam 6] vertelt in de uitzending dat hij circa € 50.000 verlies heeft geleden door een pand voor [eiser] op zijn naam te zetten in het kader van een vriendendienst.
[naam 7] en haar dochter vertellen over een lening van € 50.000 aan [eiser] , die hij zou terugbetalen binnen twee weken met 20% rendement. Zij zeggen dit geld nooit te hebben teruggezien.
De dochters van het echtpaar [geslachtsnaam 1] verklaren dat hun ouders (die inmiddels zijn overleden) voor in totaal € 62.500 gedupeerd zijn door [eiser] . Zij hadden hem geld geleend dat nooit is terugbetaald. [eiser] zou hebben toegezegd bij te springen in het bekostigen van de begrafenis, maar heeft deze toezegging volgens de dochters niet gestand gedaan.De dochters zeggen ook zelf geld te hebben geleend aan [eiser] , waarvan de een volledig is terugbetaald. De ander heeft een veroordelend vonnis ten laste van [eiser] verkregen. Van haar vordering staat nog een schuld van tussen de € 50.000 en € 60.000 open.
[naam 3] en [naam 8] verklaren in de uitzending dat zij zich opgelicht voelen door [eiser] , nadat zij hem tienduizenden euro’s zouden hebben geleend, en op aanraden van [eiser] hebben geïnvesteerd in [naam project] .
[gedaagde] stelt dat de verhalen die de ‘gedupeerden’ vertellen voldoende steun vinden in de feiten, en heeft per verhaal verwezen naar producties die de beschuldigingen onderbouwen. In dit kort geding, dat zich niet leent voor nader onderzoek naar feiten, kan niet worden vastgesteld of deze verhalen waar zijn. Dat is ook niet nodig, nu [eiser] niet gemotiveerd heeft betwist dat deze verhalen waarheidsgetrouw zijn. Daarmee is niet aannemelijk geworden dat de voorgenomen uitzending beschuldigingen bevat die in zodanige mate steun in het beschikbare feitenmateriaal ontberen, dat sprake is van onrechtmatige uitlatingen.
[eiser] stelt dat de voorgenomen uitzending niettemin onrechtmatig is om de volgende redenen.
[gedaagde] gaat voort met de uitzending terwijl kerngetuige [naam 2] alle verklaringen intrekt en verklaart dat zij op aanraden van [gedaagde] een valse aangifte heeft gedaan.
[gedaagde] negeert concrete bewijsstukken die “de onjuistheid aantonen”.
De beschuldigingen berusten op rechtspersoonverwarring.
Namen worden gebruikt van personen die [eiser] niet kent.
Ten aanzien van deze stellingen van [eiser] wordt als volgt overwogen.
[gedaagde] heeft ter zitting toegelicht dat [naam 2] de eerste persoon was die zich spontaan bij [gedaagde] meldde over [eiser] en zijn praktijken. In het kader van de bewijsgaring hebben de programmamedewerkers haar gevraagd of zij aangifte had gedaan tegen [eiser] . Dat was aanvankelijk niet het geval, maar later wel. Dat [gedaagde] haar zou hebben aangezet tot het doen van valse aangifte blijkt nergens uit. [gedaagde] heeft verder toegelicht dat zij de verklaringen van [naam 2] niet gebruikt in de uitzending. De enkele stelling dat zij haar verklaringen heeft ingetrokken en valse aangifte zou hebben gedaan kan dan ook niet tot het oordeel leiden dat de uitzending onrechtmatige uitlatingen bevat, noch dat er grond is voor een preventief uitzendverbod.
Welke concrete bewijsstukken worden genegeerd, wat die bewijsstukken precies zouden aantonen en hoe dit zich verhoudt tot de uitlatingen in de voorgenomen uitzending, heeft [eiser] niet toegelicht. Deze blote stelling is onvoldoende voor een oordeel dat sprake is van onrechtmatige uitlatingen in de voorgenomen uitzending.
Niet is gebleken dat sprake is van rechtspersoonverwarring bij [gedaagde] . Zij heeft toegelicht dat zij op de hoogte is dat [eiser] zelden persoonlijke leningen aanging, en in plaats daarvan vrijwel altijd via een of meer van zijn vennootschappen leende. Daar wordt uitdrukkelijk aandacht aan besteed in de uitzending, aldus [gedaagde] . Dit maakt de voorgenomen uitzending niet onrechtmatig.
De enkele stelling dat er namen worden gebruikt die [eiser] niet kent maakt de voorgenomen uitzending evenmin onrechtmatig.
Meer algemeen heeft [eiser] ter zitting de kern van zijn bezwaar tegen de uitzending als volgt verwoord. Omdat de uitzending zware beschuldigingen aan het adres van [eiser] bevat had [gedaagde] het fatsoen moeten hebben om met [eiser] aan tafel te gaan zitten voor wederhoor. Dit is niet gebeurd, ondanks verzoek van [eiser] daartoe. Fatsoenlijk wederhoor heeft volgens [eiser] dus niet plaatsgevonden. [gedaagde] heeft wel een paar vragen gesteld, maar er zouden nog meer vragen volgen. Die vragen zijn nooit gekomen, aldus [eiser] .
Geoordeeld wordt als volgt. [gedaagde] heeft [eiser] op 24 april 2025 inhoudelijke vragen gesteld met betrekking tot het verhaal van [naam 6] , de familie [geslachtsnaam 2] (naar de voorzieningenrechter begrijpt de dochters van het echtpaar [geslachtsnaam 1] ), het echtpaar [geslachtsnaam 1] , en meer algemene vragen over [naam project] . Pas na herhaald verzoek door [gedaagde] heeft [eiser] op die vragen gereageerd, en dan ook nog eens uiterst summier. Dat [gedaagde] niet met [eiser] om de tafel heeft willen zitten maakt niet dat hij geen kans heeft gehad op wederhoor. [gedaagde] is op zich niet gehouden om met [eiser] om tafel te zitten; de wijze waarop zij haar onderzoek vormgeeft valt immers onder de journalistieke vrijheid. De geboden mogelijkheid tot wederhoor via e-mail was dus afdoende en niet is gebleken van onzorgvuldigheid in de verwerking van de summiere antwoorden die [eiser] over de e-mail heeft verstrekt. Dat volgens (de advocaat van) [eiser] nog meer vragen van [gedaagde] zouden volgen (wat [gedaagde] overigens betwist) maakt niet dat hij gerechtvaardigd achterover heeft kunnen leunen. Het had op zijn weg gelegen om zijn kant van het verhaal met [gedaagde] te delen. Dat hij dit niet (voldoende) heeft gedaan kan hij [gedaagde] niet verwijten, nu uit de overgelegde correspondentie blijkt dat [gedaagde] daartoe steeds de gelegenheid heeft geboden.
Conclusie is dat het primair gevorderde uitzendverbod totdat [eiser] eerst stukken heeft mogen delen met [gedaagde] (vordering I.) zal worden afgewezen. Dat [eiser] die stukken kennelijk tot op heden nog niet heeft gedeeld is aan hem zelf te wijten. Nu de verklaringen van [naam 2] geen rol spelen in de voorgenomen uitzending zal ook vordering III. worden afgewezen.
Wat betreft het gevorderde verbod om beeldmateriaal uit te zenden waarin [eiser] herkenbaar in beeld is gebracht (vordering II.) wordt als volgt overwogen. [gedaagde] heeft toegelicht dat zij met de aflevering het publiek wil waarschuwen voor praktijken waarbij mensen te makkelijk geld uitlenen op basis van een verhaal van iemand als [eiser] , die betrouwbaar overkomt maar dat niet is. Zij deelt de verhalen van ‘gedupeerden’, die zij heeft geverifieerd aan de hand van journalistiek onderzoek dat voorshands zorgvuldig overkomt. Wat echter daadwerkelijk waar is van de stevige beschuldigingen aan het adres van [eiser] kan in dit kort geding niet worden vastgesteld, dit terwijl aannemelijk is dat de beschuldigingen, in combinatie met het herkenbaar in beeld brengen van [eiser] , tot een aanzienlijke schade van zijn eer en goede naam leidt. Bij deze stand van zaken weegt het belang van [gedaagde] om [eiser] herkenbaar in beeld te brengen (omdat dit bijdraagt aan de zeggingskracht van de beelden) niet op tegen het belang van [eiser] bij bescherming van zijn privésfeer.
Conclusie ten aanzien van vordering II. is dat [gedaagde] het gezicht van [eiser] in de door haar voorgenomen uitzending, evenals in andere publicaties, zoals de voorgenomen ‘promo’s’ voor die uitzending, onherkenbaar zal moeten maken. Ter zitting heeft de advocaat van [gedaagde] toegezegd dat [gedaagde] dit vrijwillig zal doen, indien de voorzieningenrechter tot dit oordeel komt, en dat zij de achternaam van [eiser] zal inkorten tot “ [Eerste letter in geslachtsnaam eiser] ”. De advocaat van [gedaagde] wordt daarin op haar woord geloofd. Bij deze stand van zaken heeft [eiser] onvoldoende (spoedeisend) belang bij toewijzing van vordering II.
Reeds omdat niet aannemelijk is geworden dat gebrekkig wederhoor heeft plaatsgevonden (zie hiervoor onder 4.7 en 4.8) zal ook de subsidiaire vordering IV. worden afgewezen.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.999,00
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
weigert de gevraagde voorzieningen,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.H. van Voorst Vader, bijgestaan door mr. J. Dekker, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025.
Coll: MV