RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
parketnummer : 81/328218-23
raadkamernummer : 24-031702
datum : 8 april 2025
beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van de artikelen 98, vierde lid, juncto 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klager] ,
geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van
mrs. S.J.C. van den Wijngaard en A.H.J. Saes, advocaten,
[adres] ,
hierna te noemen: de klager.
Feiten
Onder de naam Charlton is door de FIOD een strafrechtelijk onderzoek gestart naar niet-ambtelijke omkoping, valsheid in geschrift en witwassen in de periode 1 juni 2022 tot en met 31 december 2023. [verdachte 1] (hierna: [verdachte 1] ), met middellijk bestuurder [verdachte 2] (hierna: [verdachte 2] ) worden ervan verdacht contracten te hebben afgesloten met het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (hierna: het COA) voor het bemiddelen in tijdelijke opvanglocaties voor asielzoekers tussen het COA en de [naam] van het [verdachte 3] -concern.
Verdachte [verdachte 3] (hierna: [verdachte 3] ) zou hierbij middels zijn verdachte bedrijf [naam bedrijf] (hierna: [naam bedrijf] ), de contactpersoon namens de [naam] , zijn geweest.
Op 20 juni 2024 heeft onder leiding van de rechter-commissaris een doorzoeking plaatsgevonden in onder andere de woning van [verdachte 2] . Tijdens deze doorzoeking heeft de rechter-commissaris een stuk, te weten een samenwerkingsovereenkomst tussen [verdachte 1] en [naam bedrijf] van 4 november 2022, onder zich genomen om te beoordelen of daarop mogelijk een verschoningsrecht rust.
Procedure
Het klaagschrift is op 23 december 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De officier van jsutitie heeft op 20 februari 2025 haar standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De advocaten hebben op 24 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het standpunt van de officier van justitie.
De rechtbank heeft op 25 maart 2025 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaten van de klager, mrs. A.H.J. Saes en S.J.C. van den Wijngaard, en de officier van justitie op zitting gehoord.
De beslissing van de rechter-commissaris
De rechter-commissaris heeft bij beslissing met betrekking tot filtering van mogelijk verschoningsgerechtigde informatie van 11 december 2024 bepaald dat de inbeslaggenomen samenwerkingsovereenkomst van 4 november 2022 mag worden vrijgegeven aan het onderzoeksteam.De rechter-commissaris heeft hierbij overwogen dat de overeenkomst is afgedrukt op papier met daarop het logo van advocatenkantoor [naam advocatenkantoor] . Dit kantoor is door [verdachte 2] en zijn vennootschappen veelvuldig geraadpleegd over transacties die onderwerp zijn van dit onderzoek, zo blijkt uit andere onderzoeksresultaten. Het mag dan ook worden aangenomen dat dit kantoor een rol heeft gehad bij de totstandkoming van deze samenwerkingsovereenkomst. Dat is op zichzelf onvoldoende, ook in combinatie met het logo, om ten aanzien van de overeenkomst zelf te kunnen zeggen dat deze onder het verschoningsrecht valt. Van die overeenkomst kan immers niet worden gezegd dat deze vertrouwelijke communicatie tussen (bijvoorbeeld) [verdachte 2] en een advocaat van [naam advocatenkantoor] bevat.
Standpunt van klager
De samenwerkingsovereenkomst valt onder het verschoningsrecht van [naam advocatenkantoor] , nu deze door [naam advocatenkantoor] is opgesteld voor haar cliënten. [naam advocatenkantoor] trad op voor [verdachte 1] , maar had ook een advocaat-cliënt-relatie met [naam bedrijf] en [verdachte 3] .De door de rechter-commissaris aangelegde maatstaf bij de filtering is te beperkt.Volgens vaste jurisprudentie strekt het verschoningsrecht zich niet slechts uit tot informatie die door een cliënt aan zijn advocaat is toevertrouwd of andersom, maar beschermt het de gehele relatie tussen een advocaat en de cliënt. In de overeenkomst staan werkzaamheden beschreven die in de praktijk door advocaten van [naam advocatenkantoor] werden verricht. De inhoud van de overeenkomst raakt rechtstreeks aan die werkzaamheden. Deze werkzaamheden vallen onder de geheimhoudingsplicht van [naam advocatenkantoor] . [naam advocatenkantoor] heeft zich echter ten onrechte niet op het aan [naam advocatenkantoor] toekomende verschoningsrecht beroepen. Tegen [naam advocatenkantoor] is door de advocaten van klager inmiddels een tuchtklacht ingediend.
Primair wordt verzocht de beslissing van de rechter-commissaris te vernietigen en te bepalen dat de overeenkomst niet aan het onderzoeksteam mag worden vrijgegeven
Subsidiair wordt verzocht de beslissing op het klaagschrift aan te houden teneinde nadere informatie over het standpunt van [naam advocatenkantoor] in te winnen bij de rechter-commissaris, dan wel in afwachting van de tuchtprocedure.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren. Klager is geen verschoningsgerechtigde. Op grond van vaste jurisprudentie staat daarom geen beklag op grond van artikel 98, lid 4 Sv voor hem open.
De samenwerkingsovereenkomst is opgesteld door [naam advocatenkantoor] . [naam advocatenkantoor] heeft als verschoningsgerechtigde geen klaagschrift ingediend tegen de beslissing van de rechter-commissaris. Dan moet het ervoor worden gehouden dat door hen geen beroep wordt gedaan op het verschoningsrecht.
Beoordeling
Bij de doorzoeking in het strafrechtelijk onderzoek Charlton zijn documenten in beslag genomen. Deze doorzoeking heeft plaatsgevonden bij [verdachte 2] . Hij is de beslagene.
De rechter-commissaris heeft vervolgens de inbeslaggenomen geschriften gefilterd op geheimhoudersstukken. Hieruit kwam de onderhavige samenwerkingsovereenkomst naar voren. In deze overeenkomst staat [naam bedrijf] genoemd. [naam bedrijf] en [verdachte 3] zijn geen beslagenen maar zijn wel als verdachten in het onderzoek Charlton aangemerkt.
De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of een geschrift object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaakt, in beginsel toekomt aan de tot verschoning bevoegde persoon.
Ten aanzien van de samenwerkingsovereenkomst is de rechtbank van oordeel dat die onder het verschoningsrecht van [naam advocatenkantoor] valt, als opsteller van de overeenkomst.
[naam bedrijf] en [verdachte 3] zijn geen verschoningsgerechtigden.
Gelet op het feit dat zij wel als verdachten zijn aangemerkt in dit strafrechtelijke onderzoek zal de rechtbank klager als belanghebbende in deze procedure zien.
Bij een procedure als de onderhavige is het aan de rechtbank om, als klager niet de verschoningsgerechtigde is, te onderzoeken of de verschoningsgerechtigde zelf op de hoogte is gesteld van het voornemen van de rechter-commissaris om een stuk waar verschoningsrecht op kan rusten, aan het onderzoeksteam vrij te geven.
Uit de door klager overgelegde stukken komt naar voren dat de rechter-commissaris op 22 januari 2025 aan klager heeft bericht dat de beschikking van 11 december 2024 ook naar (de gemachtigde van) [naam advocatenkantoor] is gestuurd en dat er contact is geweest met [naam advocatenkantoor] .
[naam advocatenkantoor] heeft geen klaagschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris ingediend.
Nu niet is gebleken dat [naam advocatenkantoor] zich ten aanzien van de samenwerkingsovereenkomst op het aan [naam advocatenkantoor] toebehorende verschoningsrecht heeft beroepen, maakt dit dat verzoeker in zijn beklag niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Dat de advocaten van verzoeker inmiddels een tuchtprocedure hebben aangespannen waaruit mogelijk zou kunnen volgen dat [naam advocatenkantoor] , in het licht van een mogelijke advocaat-cliënt-relatie met klager ten onrechte geen beroep op het verschoningsrecht heeft gedaan, maakt de beslissing van de rechtbank niet anders. Immers, er is in deze procedure door de verschoningsgerechtigde zelf geen beroep op het verschoningsrecht gedaan.
De rechtbank zal de beslissing op het klaagschrift in afwachting van de uitkomst van de tuchtprocedure dan ook niet aanhouden.
Ter zitting is overigens nog naar voren gekomen dat de onderhavige overeenkomst door een vordering op grond van artikel 126nd Sv aan de ING bank reeds bij het onderzoeksteam terecht is gekomen.
De consequenties van deze constatering liggen nu niet aan de rechtbank ter beoordeling voor. De rechtbank heeft dit punt dan ook niet in deze beslissing betrokken.
Beslissing
De rechtbank verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beklag.
Deze beslissing is gegeven door de raadkamer,
mr. H.E. Hoogendijk, voorzitter,
mr. G. Oldekamp en mr. M.F.A.M. Smeets, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2025.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de beklager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.