ECLI:NL:RBAMS:2025:11470

ECLI:NL:RBAMS:2025:11470

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 19-02-2025
Datum publicatie 11-06-2026
Zaaknummer C/13/750660 / HA ZA 24-521
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Overheidsaansprakelijkheid

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/750660 / HA ZA 24-521

Vonnis van 19 februari 2025

in de zaak van

1. STICHTING MONUMENT [locatie] ,

te [vestigingsplaats] ,2. [eiser],

te [woonplaats] ,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: de Stichting c.s.

en afzonderlijk: de Stichting en [eiser] ,

advocaat: mr. T.C. Boer,

tegen

GEMEENTE AMSTERDAM,

te Amsterdam,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de gemeente,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 3 mei 2024, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- het tussenvonnis van 21 augustus 2024, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

- de mondelinge behandeling van 21 november 2024 met de daarin vermelde processtukken.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De zaak in het kort

In deze zaak is sprake van een langlopend VvE-geschil tussen de Stichting c.s. enerzijds en [naam 1] en [naam 2] (hierna tezamen: [naam 1] c.s. en afzonderlijk [naam 1] en [naam 2] ) anderzijds, waarbij zij verwikkeld zijn geraakt in meerdere gerechtelijke procedures. De Stichting c.s. stelt dat de gemeente zich hierin heeft gemengd en zich tegenover de Stichting c.s. partijdig en vooringenomen heeft opgesteld. In deze procedure vordert de Stichting c.s. een verklaring voor recht dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld en een verbod om zich in een civielrechtelijk geschil te mengen. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van onrechtmatig handelen en wijst de vorderingen af.

3. De feiten

[locatie]

Het pand [locatie] bestaat uit vier appartementen. De Stichting is eigenaar van de appartementsrechten [adres 1] en [adres 2] te [vestigingsplaats] . Het appartement met adres [adres 1] werd tot 2022 bewoond door [eiser] , die tot mei 2019 bestuurder was van de Stichting. [eiser] is [functie 1] ( [functie 1] ) van de Stichting.

[naam 1] c.s. is eigenaar van het appartementsrecht [adres 3] . Hij woont inmiddels niet meer in dit appartement.

[naam 3] (hierna: [naam 3] ) was tot 1 december 2020 eigenaar van het appartementsrecht [adres 4] . Inmiddels heeft hij het appartementsrecht verkocht, waarbij hij de economische eigendom heeft geleverd aan Onroerendgoed Maatschappij Maaskroon B.V., gelieerd aan [eiser] , en de juridische eigendom aan de Stichting.

De Stichting en [naam 1] c.s. (en voorheen [naam 3] ) zijn lid van de Vereniging van Eigenaars [locatie] (hierna: de VvE). Binnen de VvE is onenigheid ontstaan over allerlei zaken waaronder de overkapping van een lichthof en de vraag of funderingsherstel nodig is. Dit heeft tot meerdere gerechtelijke procedures geleid.

De overkapping

[naam 1] c.s. heeft op 18 oktober 2018 het college van burgemeester en wethouders van de gemeente verzocht om handhavend op treden tegen de verbouwing van het appartement [adres 1] . In dit verzoek heeft [naam 1] c.s. met betrekking tot het lichthof aan de gemeente geschreven:

“Navraag bij uw inspecteur de heer [naam 4] leert dat de actuele situatie inderdaad niet is vergund en hij heeft ons verzocht dit handhavingsverzoek aan u te richten.

Het blijkt dat het overkappen van de buitenruimte (patio) niet conform een vergunning heeft plaatsgevonden. ”

[naam 1] c.s. heeft het handhavingsverzoek op 1 maart 2019 weer ingetrokken.

Bij brief van 5 maart 2019 heeft [naam 4] (hierna: [naam 4] ), inspecteur Bouwtoezicht [stadsdeel] , de Stichting bericht dat de aangetroffen situatie niet legaal is. In de brief staat:

“Er is naar aanleiding van een handhavingsverzoek geconstateerd dat de patio van uw woning, een origineel lichthof, is overdekt. U heeft aangegeven dat u de woning in de huidige staat, met overkapping, heeft aangekocht. Op de vergunning in het bouwarchief is de laatst vergunde toestand een patio die niet is overdekt. Wij wijzen u er op dat de huidige toestand niet de legale situatie is en u dient dit ofwel trachten te legaliseren met een aanvraag of terug te brengen in de oude staat. Aangezien het handhavingsverzoek is ingetrokken hebben wij besloten hier verder niet onze handhavingsmiddelen toe te passen. Wij wijzen u er echter op dat bij verkoop van het pand of een nieuw handhavingsverzoek u opnieuw wordt gewezen op de huidige illegale situatie indien u hier niets aan veranderd.”

De Stichting heeft de gemeente gesommeerd om deze brief in te trekken. In reactie daarop heeft de gemeente per brief van 23 april 2020 aan de Stichting het volgende bericht:

“Onze brief van d.d. 5 maart 2019 is slechts informatief en geen besluit dat gericht is op enig rechtsgevolg. Wij hebben uw cliënt er enkel op gewezen dat wij ons het recht voorbehouden om op een nader te bepalen tijdstip handhavend op te treden als uw cliënt de overtreding niet zelf ongedaan maakt. Oftewel, de brief kunt u zien als een wrakingsbrief.

Nader onderzoek

U heeft aangegeven dat de overdekte lichthof legaal is en dat dit onder andere blijkt uit de in 1976 afgegeven beschikking inzake bouwwerkzaamheden aan het pand aan de [locatie] en uit de in 1997 afgegeven splitsingsvergunning. Naar aanleiding van de door u aangegeven informatie zullen wij, als wij besluiten alsnog over te gaan tot handhavend optreden, eerst nader onderzoek uitvoeren.

Wij merken daarbij expliciet op dat het nadere onderzoek ook betrekking zal hebben op de vraag wie als overtreder aangemerkt moet worden. Het onderzoek hiernaar hebben wij in een eerder stadium gestaakt, gezien de intrekking van het verzoek om handhaving.”

De Stichting c.s. is een procedure bij deze rechtbank gestart tegen de gemeente. In deze procedure heeft zij onder meer schadeloosstelling gevorderd voor het volgens haar onzorgvuldige en onjuist ingenomen standpunt in de brief van 5 maart 2019 over de status van de overkapping. De rechtbank heeft bij vonnis van 16 december 2020 de Stichting c.s. niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadeloosstelling. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

“5.2. Voor de door de Stichting c.s. gewenste schadeloosstelling (het verkrijgen van een goed gemotiveerd en juist standpunt van het College, althans een rechterlijk oordeel) staat een bestuursrechtelijke rechtsgang open. Door middel van een handhavingsverzoek kunnen de Stichting c.s. immers van het College verlangen dat het een besluit neemt over de status van de Overkapping en, automatisch, de in dat kader aan te spreken vergunningsplichtige belanghebbende. (…)

De gang naar de bestuursrechter staat op dit moment nog niet voor de Stichting c.s. open, omdat de rechtsgang bij het College als bestuursorgaan nog niet is doorlopen. Van de Stichting c.s. mag echter in beginsel worden verlangd dat zij de deur naar de bestuursrechter zelf openen door middel van een handhavingsverzoek. (…)

Het voorgaande betekent dat de Stichting c.s. in beginsel niet-ontvankelijk moeten worden verklaard (…). Dit beginsel kan slechts uitzondering lijden indien moet worden geoordeeld dat het door het College ingenomen standpunt onmiskenbaar onjuist of zonder grond is (…). Van die uitzondering is echter geen sprake: om de (on)juistheid van het door het College in de Brief ingenomen standpunt te beoordelen, is nader onderzoek vereist.”

Het funderingsherstel

Duyts Bouwconstructies (hierna: Duyts) heeft een onderzoek verricht naar de fundering van het pand [locatie] . In september 2018 heeft zij een rapport uitgebracht. Duyts heeft onder meer in het rapport geschreven dat de kwaliteit van de fundering van de achteruitbouw onvoldoende is en dat de fundering moet worden hersteld.

Op 25 april 2019 heeft de vergadering van eigenaars van de VvE het besluit genomen om een omgevingsvergunning aan te vragen voor funderingsherstel. Op 1 mei 2019 is de vergunning aangevraagd.

In mei 2019 heeft [naam 1] zich gemeld op het inloopspreekuur van de burgemeester van de gemeente.

Bij e-mail van 7 mei 2019 heeft [naam 5] (hierna: [naam 5] ), medewerker vergunningen van de gemeente, aan [naam 1] geschreven:

“Beste [naam 1] ,

Zojuist de stukken gemaild die op 1 mei zijn ontvangen. (…) Ik heb de zaak op mijn naam. (…)

Er is geen beoordeling van de fundering waaruit blijkt dat vervanging/herstel noodzakelijk is. Ik mag niet meteen afwijzen, ik moet eerst vragen om dit alsnog aan te tonen.”

[naam 3] heeft naar aanleiding van deze e-mail een klacht ingediend bij de gemeente over [naam 5] . De gemeente heeft daarop [naam 5] van de zaak afgehaald en de behandeling van de aanvraag op naam gezet van een andere ambtenaar.

[naam 1] c.s. heeft de kantonrechter verzocht het besluit van 25 april 2019 (zie 3.11) te vernietigen. In een e-mail van 10 september 2019 heeft de advocaat van [naam 1] c.s. aan de kantonrechter onder meer het volgende geschreven:

“Voorts deel ik u mee dat de heer [naam 6] (werkzaam bij de gemeente Amsterdam) bij de mondelinge behandeling d.d. 18 september 2019 aanwezig zal zijn. Indien U E.A. hem daartoe in de gelegenheid stelt, kan hij vanuit zijn hoedanigheid namens de gemeente verklaren dat de toegezonden informatie gewoonweg onjuist is, in die zin dat de informatie niet correspondeert met het daadwerkelijke standpunt van de gemeente in deze.”

De Stichting c.s. heeft bezwaar gemaakt tegen de aanwezigheid van [naam 6] op de mondelinge behandeling.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft op 18 september 2019 plaatsgevonden. Bij beschikking van 3 oktober 2019 heeft de kantonrechter het verzoek van [naam 1] c.s. tot vernietiging van het besluit van de VvE toegewezen. Daartoe heeft de kantonrechter het volgende overwogen:

“5. De kantonrechter is er niet van overtuigd geraakt dat het op grond van de op 25 april 2019 bekende feiten noodzakelijk was om funderingsherstel te doen plaatsvinden en daarvoor een omgevingsvergunning aan te vragen. Zolang de noodzaak van dat herstel niet objectief is vastgesteld, is er geen goede reden dat de VvE kosten zou maken ter voorbereiding daarvan.

6. Uit de overgelegde bewijsstukken blijkt dat aan de zijde van de overheid naast de gemeentelijke afdeling Bouw- en Woningtoezicht ook het Bureau Monumenten Amsterdam en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied bij het onderhavige pand zijn betrokken. Er heeft ná de ALV van 25 april 2019 nader onderzoek plaatsgevonden waarbij deze diensten vertegenwoordigd waren. Dat heeft niet geleid tot een afkeuring van de fundering. (…) De gemeente adviseert dan ook niet dat voor het gehele pand funderingherstel zal plaatsvinden. De Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied heeft negatief geadviseerd met betrekking tot eventueel funderingsherstel van het pand.

7. Weliswaar heeft Duyts op 23 april 2019 aan [eiser] (…) geadviseerd de fundering te herstellen, maar de noodzaak daartoe wordt gemotiveerd weersproken in de rapportage van Fugro NL Land B.V. Alles bij elkaar was er op 25 april 2019 geen gegronde reden voor de VvE om te besluiten Duyts opdracht te geven om een omgevingsvergunning aan te vragen.”

Tegen deze beschikking is geen hoger beroep ingesteld.

Op enig moment heeft de Stichting c.s. de kantonrechter gevraagd om het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 september 2019 te verstrekken. Dat proces-verbaal is op 2 juni 2020 verzonden. Daarin staat:

“Aan de zijde van verzoekers is verschenen de heer [naam 6] , die op vragen van de kantonrechter naar zijn betrokkenheid bij het onderhavige geschil heeft geantwoord:

Deze zaak is door de burgemeester onder de aandacht gebracht. Mogelijk zijn nog andere zaken aan de orde. Ik ben deelgenoot van het geschil gemaakt, maar ik ben zelf nergens bij aanwezig geweest.(…)

Van de zijde van verzoekers is aangevoerd: [naam 6] mag praten namens de gemeente en hij is hier in die hoedanigheid.

[naam 6] heeft daarop gezegd: Gemeente heeft kennisgenomen van onderzoeken en vervolgvragen. Nu geen uitspraak over funderingsherstel. Omdat er rapporten ontbreken kunnen wij niet zeggen of het wel of niet nodig is.”

Op 8 mei 2020 heeft [naam 6] [eiser] gebeld met het verzoek om in overleg te treden.

Op 13 mei 2020 heeft de advocaat van de Stichting c.s. aan [naam 6] geschreven:

“Geachte heer [naam 6] , zoals al vele malen duidelijk gemaakt (…) zijn er meerdere redenen waarom cliënten er bezwaar tegen hebben om met u het gesprek aan te gaan. Het heeft dus ook geen zin om daar maar op terug te blijven komen. Ik (…) verzoek u ook geen rechtstreeks contact meer met cliënten op te nemen.”

Op 3 juni 2020 heeft een telefonisch gesprek plaatsgevonden tussen de advocaat van de Stichting c.s. en mevrouw [naam 7] , [functie 2] van de burgemeester (hierna: [naam 7] ). [naam 7] heeft tijdens dat telefoongesprek onder meer de betrokkenheid van [naam 6] bij de zaak toegelicht. Per e-mailbericht van 3 juni 2020 heeft [naam 7] het volgende aan de advocaat van de Stichting c.s. geschreven:

“Kort samengevat: de burgemeester heeft dhr [naam 1] in 2019 ontvangen bij een spreekuur voor [bewoners] , waar hij vertelde dat hij in de knel zat, zich geïntimideerd voelde in een conflict met zijn buren, en hij vroeg om hulp. Burgemeester Halsema heeft daarop dhr [naam 6] gevraagd of hij contact op wilde nemen om te bezien of er vanuit de gemeente iets gedaan kon worden om hem te helpen. (…)

[naam 6] is gevraagd om in dit geval te kijken of we als gemeente kunnen helpen deze kwestie op te lossen omdat hij daar als ambtenaar ervaring mee heeft. (…)

De gemeente Amsterdam, in persoon van de heer [naam 6] heeft geen bemoeienis met het juridische conflict dat gaande is binnen de VvE [locatie] . De heer [naam 6] heeft geprobeerd in contact te treden, omdat er is aangegeven door de heer [naam 1] dat hij zich al meerdere jaren geïntimideerd voelt. Dit probleem wil de gemeente Amsterdam graag helpen oplossen. Telefonisch contact is wat mij betreft een gebruikelijke, en normale manier van

contact zoeken, zeker als er geen sprake is van juridische of formele betrokkenheid, maar van zorgen n.a.v. een hulpvraag”.

[naam 1] c.s. heeft de VvE en de Stichting gedagvaard voor deze rechtbank en onder meer gevorderd dat het de VvE en de Stichting wordt verboden de fundering van [locatie] te herstellen, danwel een besluit daarover te nemen voordat bepaalde onderzoeken zijn gedaan. Bij tussenvonnis van 30 december 2020 heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheden ten opzichte van de situatie op 3 oktober 2019 (het vonnis van de kantonrechter, zie 3.16) niet zijn gewijzigd en dat niet kan worden geconcludeerd dat funderingsherstel op dit moment noodzakelijk is. In een eindvonnis van 21 april 2021 heeft de rechtbank de VvE en de Stichting verboden zonder unanimiteit van stemmen besluiten te nemen over het funderingsherstel, zolang de gemeente geen vergunning heeft verleend.

Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 16 mei 2023 de vonnissen van 30 december 2020 en 21 april 2021 vernietigd. Het gerechtshof heeft onder meer overwogen dat het aan de VvE door rechtbank opgelegd verbod om zonder unanimiteit van stemmen besluiten te nemen over het funderingsherstel van het pand is in strijd met de systematiek van het VvE-recht.

overige procedures

De Stichting c.s. heeft de rechtbank in juli 2020 verzocht om [naam 7] , [naam 6] en [naam 4] te horen over hun betrokkenheid bij het handhavingsverzoek tegen de overkapping van het lichthof en het funderingsherstel. Bij beschikking van 17 december 2020 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen. Het gerechtshof Amsterdam heeft deze beschikking op 1 maart 2022 bekrachtigd.

De Stichting c.s. heeft verder verschillende Wob-verzoeken aan de gemeente gedaan.

4. Het geschil

De Stichting c.s. vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat de gemeente onrechtmatig jegens de Stichting c.s. heeft gehandeld en de gemeente veroordeelt tot vergoeding van de daardoor geleden schade, nader op te maken bij staat;

II. de gemeente verbiedt om zich op onrechtmatige wijze in het civielrechtelijke geschil over het pand [locatie] in [vestigingsplaats] te mengen, op straffe van een dwangsom;

III. de gemeente veroordeelt in de proceskosten, inclusief de nakosten.

Volgens de Stichting c.s. heeft de gemeente in strijd gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod op vooringenomenheid. De Stichting c.s. haalt drie onrechtmatige gedragingen van de gemeente aan, namelijk:

de gemeente heeft vooringenomen en onzorgvuldig gehandeld bij haar (handhavend) optreden over de overkapping van het lichthof; de gemeente heeft namelijk geen deugdelijk onderzoek gedaan en ten onrechte aan de Stichting de verplichting opgelegd om bij een eventuele verkoop van het appartement de koper te informeren over het handhavingsrisico;

[naam 5] heeft zich bij de behandeling van de aanvraag van de omgevingsvergunning niet neutraal en objectief opgesteld; en

de burgemeester en [naam 6] hebben vooringenomen en zonder wettelijke grondslag gehandeld.

Als gevolg van het handelen van de gemeente heeft de Stichting c.s. schade geleden. Zo kan het funderingsherstel door de handelswijze van de gemeente pas later plaatsvinden waardoor de kosten voor funderingsherstel oplopen en is in het geval van verkoop sprake van een drukkend effect op de verkoopprijs. Ook heeft de Stichting c.s. kosten voor juridische bijstand moeten maken omdat zij door de gemeente is aangeschreven en heeft zij juridische kosten gemaakt om de onderste steen boven te krijgen.

De gemeente voert verweer.

5. De beoordeling

De Stichting c.s. is ontvankelijk in haar vorderingen

De gemeente voert als meest verstrekkende verweer aan dat de Stichting c.s. niet-ontvankelijk is in haar vorderingen. Ten eerste voert de gemeente aan dat niet de Stichting c.s., maar de VvE de vorderingen had moeten instellen. Volgens haar is alleen de VvE bevoegd om hierover te procederen dan wel is zij de enige partij die daarbij belang heeft. Ten tweede is niet de civiele, maar de bestuursrechter bevoegd te beslissen over de rechtmatigheid van de overkapping van het lichthof.

Over de vraag wie de vorderingen bij de civiele rechter kan instellen, de Stichting c.s. of de VvE, overweegt de rechtbank als volgt. De Stichting is eigenaar van de appartementen [adres 1] , [adres 2] en [adres 4] . [eiser] is [functie 1] van de Stichting. De VvE is geen eigenaar van de overkapping, de fundering of de appartementen en kan, gelet daarop, ook geen schade lijden. Een vereniging van eigenaars staat naast de gemeenschap van appartementseigenaren. Zij komt daar niet voor in de plaats en valt daarmee ook niet samen. Anders dan de gemeente stelt, is niet van belang dat de VvE nog niet heeft besloten om kosten te maken voor het funderingsherstel. De Stichting c.s. stelt zich immers op het standpunt dat het funderingsherstel is vertraagd door de inmenging van [naam 6] in de procedure bij de kantonrechter.

Over de ontvankelijkheid van de vorderingen met betrekking tot de overkapping van het lichthof overweegt de rechtbank als volgt. In het vonnis van 16 december 2020 (zie 3.9) heeft de rechtbank geoordeeld dat niet de civiele rechter, maar de bestuursrechter moet oordelen over de rechtmatigheid van de overkapping. In de huidige procedure gaat het de Stichting c.s. echter niet zozeer om de rechtmatigheid van de overkapping van het lichthof, maar specifiek over de rechtmatigheid van de brief van 5 maart 2019 (zie 3.7). Die brief is geen besluit. Tegen deze feitelijke handeling van de gemeente staat dus geen administratieve rechtsgang open, zodat de Stichting c.s. ontvankelijk is in haar vorderingen.

Toetsingskader onrechtmatig handelen door de gemeente

Het handelen van de gemeente wordt beoordeeld in het kader van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van artikel 3:14 BW mag een bevoegdheid die krachtens het burgerlijk recht aan een overheidslichaam toekomt, niet worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht. Tot de regels van publiekrecht behoren de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In artikel 2:4 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is vastgelegd dat een bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid vervult. Artikel 2:4 lid 2 Awb bepaalt dat het bestuursorgaan ertegen waakt dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden. De gemeente moet zich dus in haar contact met burgers onbevooroordeeld en onpartijdig opstellen en daarbij moet ook iedere indruk van vooringenomenheid worden vermeden. De rechtbank volgt de gemeente dan ook niet in haar betoog dat artikel 2:4 Awb beperkt dient te worden opgevat, in die zin dat dit artikel alleen aan de orde kan zijn als het gaat om bij handelingen ter voorbereiding van een bestuursrechtelijk besluit. Dit betekent dat de gemeente bij haar privaatrechtelijke handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en daarmee het verbod op vooringenomenheid in acht moet nemen.

De verwijten die de Stichting c.s. de gemeente maakt, vallen in drieën uiteen (zie 4.2). Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Stichting c.s. echter toegelicht dat het met name gaat om het handelen van de gemeente met betrekking tot het lichthof en om het optreden van [naam 6] . De betrokkenheid van [naam 5] maakt daar onderdeel van uit, het gaat om het feitencomplex tezamen.

De gemeente heeft niet onrechtmatig gehandeld met betrekking tot het lichthof

De rechtbank is van oordeel dat de gemeente met de door haar gedane mededelingen in de brief van 5 maart 2019 (zie 3.7) niet onrechtmatig heeft gehandeld. Uit de brief blijkt dat de gemeente naar aanleiding van het handhavingsverzoek in haar eigen archieven kennelijk geen stukken heeft aangetroffen waaruit blijkt dat de overkapping van het lichthof legaal is gebouwd. Na het stopzetten van het handhavingstraject is deze brief aan de Stichting gestuurd. De daarin gedane mededeling dat: “bij verkoop van het pand (…) u opnieuw wordt gewezen op de huidige illegale situatie indien u hier niets aan veranderd” is een waarschuwing en leidt niet tot een juridisch bindende verplichting. De gemeente heeft daarmee dan ook niet onzorgvuldig of onrechtmatig gehandeld, integendeel. Als de gemeente zou hebben medegedeeld dat het handhavingstraject was gestaakt zonder toe te lichten waarom, zou de Stichting daaraan de conclusie hebben kunnen verbinden dat de overkapping dus legaal was. Dat was volgens de gemeente, op grond van haar voorlopig onderzoek, echter niet het geval. Tegen die achtergrond is het logisch dat de gemeente erop heeft gewezen dat het handhavingstraject in de toekomst alsnog kan worden voortgezet. Dat zij daarbij ook haar (voorlopige) conclusie heeft medegedeeld dat uit haar eigen archieven niet blijkt dat de huidige situatie vergund is, was niet noodzakelijk, maar maakt haar handelen ook niet onrechtmatig. Voor zover de Stichting c.s. zich niet kon vinden in deze voorlopige conclusie had het op haar weg gelegen om de bestuursrechtelijke route te bewandelen (zie 3.9 en 5.3 hiervoor).

De gemeente heeft niet onrechtmatig gehandeld door het optreden van [naam 6] en [naam 5]

Specifiek met betrekking tot het handelen van [naam 6] maakt de Stichting c.s. aan de gemeente de volgende verwijten:

[naam 6] heeft geen hoor en wederhoor toegepast,

[naam 6] heeft kant gekozen en opgetreden ten gunste van [naam 1] c.s. op basis van een eenzijdig verhaal,

[naam 6] is aanwezig geweest tijdens een mondelinge behandeling in een civiele procedure waarbij de gemeente geen partij is, terwijl een wettelijke grondslag voor die aanwezigheid ontbreekt,

[naam 6] heeft uitlatingen gedaan over funderingsherstel zonder daartoe te zijn gemachtigd,

de gemeente heeft [naam 6] ingezet voor bemiddeling in het kader van de zogenoemde Treiteraanpak, zonder wettelijke grondslag.

De rechtbank volgt de Stichting c.s. niet in haar stelling dat voor elk handelen van een ambtenaar van de gemeente een wettelijke grondslag is vereist. Voor zover de vordering van onrechtmatig handelen daarop is gebaseerd kan de vordering dan ook niet slagen. De rechtbank voegt daaraan toe dat de gemeente, in dit geval de burgemeester, wanneer zij een klacht van een burger ontvangt, een rol mag spelen bij het oplossen daarvan. Die rol kon in dit geval bestaan uit het inschakelen van [naam 6] om te bemiddelen. De Stichting c.s. heeft op internet gevonden dat [naam 6] bij de afdeling [naam afdeling] ook werkzaam was als medewerker van de zogenoemde Treiteraanpak. De gemeente heeft echter gemotiveerd betwist dat [naam 6] in het kader van die Treiteraanpak is ingeschakeld, zodat dat niet vast staat. Ook in die zin is dus niet gebleken dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld.

De rechtbank onderkent dat het verstandiger was geweest als [naam 6] voorafgaande aan de mondelinge behandeling contact zou hebben opgenomen met de VvE en/of de Stichting c.s., ook als de rol van [naam 6] beperkt was tot toehoorder, zoals de gemeente stelt. Dit geldt te meer gelet op de aankondiging van advocaat van [naam 1] c.s. voorafgaande aan de mondelinge behandeling. De gemeente heeft er echter terecht op gewezen dat die aankondiging, waarbij ten onrechte de indruk wordt gewekt dat [naam 6] het standpunt van [naam 1] c.s. steunt, niet aan haar kan worden toegerekend. De gemeente stelt dat zij niet op de hoogte was van deze wijze van aankondiging. De Stichting c.s. heeft dit niet betwist. Dat [naam 6] in de procedure in 2019 kant heeft gekozen voor [naam 1] c.s. is dan ook niet gebleken.

Ook is het niet handig geweest dat [naam 6] een lange tijd heeft laten verstrijken na de mondelinge behandeling in september 2019 voordat hij in mei 2020 contact heeft opgenomen met [eiser] . Het is al met al denkbaar dat het handelen van [naam 6] bij de Stichting c.s. vragen heeft opgeroepen. Dat hij het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, is echter niet gebleken; hij heeft in het voorjaar van 2020 juist contact gezocht met [eiser] , maar daar geen gehoor gevonden.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de gemeente op deze punten niet onrechtmatig heeft gehandeld. Uit het optreden van [naam 6] valt geen vooringenomenheid of schijn daarvan te ontdekken.

Met betrekking tot de uitspraken van [naam 6] op de mondelinge behandeling van 18 september 2019 is niet gebleken dat er causaal verband bestaat tussen zijn optreden en de door de Stichting c.s. gestelde schade. Dat de aanwezigheid van [naam 6] enige invloed heeft gehad op de beslissing van de kantonrechter is namelijk niet gebleken. In het proces-verbaal staat opgenomen dat [naam 6] heeft gezegd: “Nu geen uitspraak over funderingsherstel. Omdat er rapporten ontbreken kunnen wij niet zeggen of het wel of niet nodig is.” (zie 3.18). Uit de motivering van de beslissing van de kantonrechter van 3 oktober 2019 blijkt dat zij zelf kennis heeft genomen van de rapporten en dat zij heeft geconcludeerd dat het niet noodzakelijk was om funderingsherstel te doen plaatsvinden en daarvoor een omgevingsvergunning aan te vragen (zie 3.16). Bovendien is meermaals (voor en na 3 oktober 2019) in gerechtelijke procedures waar [naam 6] niet bij betrokken was het oordeel geveld dat de noodzaak van funderingsherstel niet is aangetoond (zie 3.15 en 3.22).

Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op. Het verwijt van de Stichting c.s. aan [naam 5] ziet op een niet neutrale en partijdige opstelling, die zou blijken uit de toon en inhoud van zijn e-mail aan [naam 1] van 7 mei 2019 (zie 3.13). Wat hiervan ook zij, [naam 5] heeft geen enkele inhoudelijke beslissing genomen die het verloop van het geschil heeft beïnvloed. Bovendien heeft de gemeente hem na een klacht van [naam 3] meteen van de zaak gehaald en heeft zij de zaak door een andere ambtenaar laten behandelen. Dat laat juist zien dat de gemeente elke schijn van belangenverstrengeling heeft willen vermijden.

Conclusie: de vorderingen worden afgewezen, de Stichting c.s. moet de proceskosten van de gemeente betalen

Omdat niet is komen vast te staan dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld, en ook niet is gebleken dat de gemeente onrechtmatig dreigt te gaan handelen jegens de Stichting c.s., worden de vorderingen afgewezen.

De Stichting c.s. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:

- griffierecht

688,00

- salaris advocaat

1.228,00

(2 punten × € 614,00)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.094,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

6. De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen van de Stichting c.s. af,

veroordeelt de Stichting c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 2.094,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de Stichting c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt de Stichting c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schaberg, rechter, bijgestaan door mr. E.C. Kleverlaan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2025.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H.J. Schaberg

Griffier

  • mr. E.C. Kleverlaan

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJFCZ 2026/337
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand