RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
raadkamernummer : 25-008610
datum : 16 september 2025
beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van de artikelen 98, vierde lid, juncto 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
geboren op [geboortedatum] 1962,
woonplaats kiezende op zijn kantooradres
[adres] ,
hierna te noemen: klager.
Inleiding
Door de FIOD is onder de naam Chalton een strafrechtelijk onderzoek gestart naar niet-ambtelijke omkoping, valsheid in geschrift en witwassen in de periode 1 juni 2022 tot en met 31 december 2023.
De verdenking is onder meer gericht op [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ), met middellijk bestuurder [naam] (hierna: [naam] ) en komt (kort samengevat) neer op het volgende. [bedrijf 1] en [naam] zouden contracten hebben afgesloten met het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (hierna: het COA) voor het bemiddelen in tijdelijke opvanglocaties voor asielzoekers tussen het COA en de [tak] van het [concern] . Medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) zou hierbij middels zijn bedrijf [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ), de contactpersoon namens de [tak] zijn geweest.Het vermoeden is dat [bedrijf 1] / [naam] gemiddeld € 95,- meer per hotelkamer per nacht aan het COA in rekening bracht, dan dat de [tak] bij [bedrijf 1] / [naam] in rekening bracht en dat dit verschil van € 95,- gelijkelijk is verdeeld tussen [bedrijf 1] / [naam] en [bedrijf 2] / [medeverdachte] . Daarnaast is het vermoeden dat [bedrijf 1] / [naam] in sommige gevallen een commissie bedong van 7% op de overeenkomsten met [medeverdachte] -hotels, waarbij 2% bestemd was voor [bedrijf 2] / [medeverdachte] .
Zowel de hiervoor genoemde gelijkelijke verdeling van het bedrag van € 95,- per hotelkamer als de commissie die [bedrijf 2] / [medeverdachte] ontving, zou hebben plaatsgevonden zonder dat het bestuur en de medeaandeelhouders van de [tak] hier wetenschap van hadden. Op 22 juli 2024 heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechter-commissaris beoordeelt of tussen de, bij een derde - door het OM - gevorderde stukken geheimhoudersstukken zaten. Dit betreft stukken die zijn ingebracht in een civielrechtelijke procedure waarin klager namens [medeverdachte] en [bedrijf 2] een verzoekschrift met producties, en door mr. P.S.
Jonker namens verweerder [verweerder] een verweerschrift met producties is ingediend. Na indiening van het verweerschrift is het verzoekschrift ingetrokken.
Bij beslissing van 11 december 2024 heeft de rechter-commissaris ten aanzien van de stukken uit die civielrechtelijke procedure – te weten het door klager opgestelde verzoekschrift met bijgevoegde producties en een aantal bij verweerschrift gevoegde producties (producties 2, 3, 45 en 49 (alleen wat betreft de daarin gevoegde brief van klager van 9 juni 2023) – de opdracht gegeven om die vanwege geheimhoudersinformatie ontoegankelijk te maken. Ten aanzien van het door mr. P.S. Jonker namens [tak] opgestelde verweerschrift met de overige daarbij gevoegde producties, heeft de rechter-commissaris besloten dat deze kunnen worden vrijgegeven aan het onderzoeksteam.
Procedure
Het klaagschrift is op 23 december 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De officier van justitie heeft op 20 februari 2025 haar standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
Klager heeft bij email van 24 maart 2025 gereageerd op het standpunt van de officier van justitie.
De rechtbank heeft op 25 maart 2025 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld, en bij tussenbeslissing van 8 april 2025 de behandeling van het klaagschrift heropend.
De rechter-commissaris heeft in een proces-verbaal van 9 april 2025 vragen van de rechtbank beantwoord.
Op 16 september 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het klaagschrift in openbare raadkamer hervat.
De rechtbank heeft klager en de officier van justitie op zitting gehoord.
De rechtbank heeft het door mr. Jonker opgestelde verweerschrift met de bijbehorende 51 producties ingezien.
Beklag
Het beklag strekt tot vernietiging van de beslissing van de rechter-commissaris, gedateerd 11 december 2024, en tot beslissing dat het verweerschrift van mr. P.S. Jonker en de daarbij gevoegde producties niet mogen worden vrijgegeven aan het onderzoeksteam.
Door klager is aangevoerd dat de civielrechtelijke procedure is geëindigd met de intrekking van het verzoekschrift vóór de inhoudelijke behandeling en nadat partijen een minnelijke regeling overeengekomen waren. Deze minnelijke regeling is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst van 30 oktober 2023.
Bij deze vaststellingsovereenkomst zijn partijen strikte geheimhouding overeengekomen. De beëindiging van de arbeidsrelatie tussen de heer [medeverdachte] en [tak] maakte onderdeel uit van een bredere schikking die is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst van eerdere datum, namelijk van 4 augustus 2023 (productie 1 bij het verweerschrift). Ook die overeenkomst bevat een geheimhoudingsbepaling.
Een advocaat heeft zich bij de hantering van zijn verschoningsrecht te richten naar de instructies en belangen van zijn cliënten. De geheimhoudingsverplichting die [medeverdachte] met [tak] is overeengekomen brengt daarom mee dat klager niet anders kan dan zich ten aanzien van de processtukken op zijn verschoningsrecht te beroepen.
Voor mr. Jonker geldt, als raadsman van [tak] , hetzelfde. Mr. Jonker heeft zich niet op zijn verschoningsrecht beroepen. De rechter-commissaris heeft overwogen dat het niet aan hem is te beoordelen of mr. Jonker met zijn standpunt tuchtrechtelijk verwijtbaar handelt. Door aldus te overwegen is de rechter-commissaris ten onrechte voorbijgegaan aan het gegeven dat het standpunt van mr. Jonker onjuist is en dat de onjuiste opstelling van mr. Jonker leidt tot een omzeiling van het verschoningsrecht van klager.
Gezien de betrokken belangen, de aard van het verschoningsrecht en de bijzondere
verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris bij de waarborging van dat recht, had het op de weg van de rechter commissaris gelegen een en ander nader te onderzoeken. Dat hij dat heeft nagelaten maakt zijn beslissing onjuist.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
In het klaagschrift wordt het verschoningsrecht van andere advocaten opgeworpen. Op grond van de jurisprudentie is duidelijk dat het aan de betrokken verschoningsgerechtigde is om daarover te klagen.
Voor wat betreft het verweerschrift van mr. Jonker valt niet alles wat hij daarin heeft opgenomen onder het verschoningsrecht van klager, maar van de concept-samenwerkingsovereenkomst (onderdeel van productie 49) is dat wel voorstelbaar.
Het klaagschrift moet voor het overige ongegrond worden verklaard.
Beoordeling
Vast staat dat klager niet de beslagene is, maar dat hij een verschoningsrecht heeft en dat hij dit verschoningsrecht ook tijdig heeft ingeroepen.
In een proces-verbaal van 9 april 2025 en daaropvolgende e-mails heeft de rechter-commissaris antwoord gegeven op vragen van de rechtbank, zoals verwoord in de tussenbeslissing van 8 april 2025, over de door hem vrijgegeven stukken. In het verlengde daarvan heeft JPR Advocaten in een e-mail van 2 juni 2025 laten weten zich met betrekking tot de concept-samenwerkingsovereenkomst (onderdeel van productie 49 bij het verweerschrift) op het verschoningsrecht te beroepen, met de toevoeging dat zij niet konden overzien of er zich in de overige stukken en producties nog ander mogelijk verschoningsgerechtigde stukken bevinden.
De rechtbank heeft inzage gehad in het verweerschrift en de bijbehorende 51 producties, en komt op basis daarvan tot de volgende conclusies.
Verweerschrift
De rechtbank is van oordeel dat het verweerschrift niet onder het verschoningsrecht van klager valt, maar onder het verschoningsrecht van mr. Jonker, als de opsteller van het verweerschrift. In het verweerschrift wordt gereageerd op het door klager opgestelde verzoekschrift, maar niet op zodanige wijze dat dit de relatie van klager met zijn cliënten raakt, en daardoor het verschoningsrecht van klager denkbeeldig zou maken. Het enkele noemen van de naam van een advocaat of advocatenkantoor (zoals in de onderdelen 60 en 61 van het verweerschrift) brengt op zich nog geen verschoningsrecht voor de betreffende advocaat of het betreffende advocatenkantoor met zich.
Producties
Wat betreft de producties bij het verweerschrift die door de rechter-commissaris niet als verschoningsgerechtigde stukken zijn aangemerkt komt de rechtbank, behoudens een drietal hierna te noemen stukken, tot een gelijke beoordeling als de rechter-commissaris.
Productie 15 betreft een getekende versie van de samenwerkingsovereenkomst met bijlagen waarvan JPR Advocaten zich met betrekking tot de conceptversie (onderdeel van productie 49) op het verschoningsrecht heeft beroepen. Hoewel JPR advocaten zich hierover niet expliciet heeft uitgelaten, gaat de rechtbank er voorzichtigheidshalve van uit dat dit beroep op het verschoningsrecht ook geldt met betrekking tot de getekende versie van deze overeenkomst. Het gaat hier immers om hetzelfde onderwerp en dezelfde cliënt van JPR. De rechtbank zal daarom bepalen dat productie 15 (de samenwerkingsovereenkomst met bijlagen) en de conceptversie van de samenwerkingsovereenkomst (als onderdeel van productie 49) niet mogen worden vrijgegeven.
Als onderdeel van productie 49 is een stuk met de titel ‘ [titel] ’ opgenomen. Dit stuk maakt ook onderdeel uit van productie 45 die door de rechter-commissaris in zijn beslissing van 11 december 2024 als verschoningsgerechtigd stuk is aangemerkt. De rechtbank zal daarom bepalen dat dit stuk niet mag worden vrijgegeven.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag gegrond voor zover gericht tegen de vrijgave van:
De rechtbank verklaart het beklag voor het overige ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door de raadkamer,
mr. J. Thomas, voorzitter,
mr. H.E. Hoogendijk en mr. P.K. Oosterling - van der Maarel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2025.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na dagtekening van deze beslissing.