RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 24/2437 en 24/2449
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] h.od.n. [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , uit Weesp, eiser
(gemachtigde: mr. A.G.B. Bergenhenegouwen),
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser over de terugbetalingen van de voorschotten die hij heeft ontvangen voor de vijfde aanvraagperiode op grond van de Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-3).
Met de besluiten van 4 oktober 2023 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eiser voor een definitieve berekening van de tegemoetkoming NOW-3 afgewezen.
Met de besluiten van 28 maart 2024 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2025. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook was zijn echtgenote [naam 1] aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Totstandkoming van de besluiten
1. Eiser is in 2015 een eenmanszaak begonnen en baatte in die hoedanigheid twee restaurants in Weesp uit onder de namen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Vanaf begin 2020 heeft deze eenmanszaak ook een vestiging in Amersfoort die [bedrijf 3] wordt genoemd. De vestiging [bedrijf 2] is inmiddels gesloten.
2. Op 7 mei 2021 heeft eiser een tegemoetkoming in de loonkosten voor de vijfde aanvraagperiode op grond van de NOW-3 aangevraagd, in verband met een verwacht omzetverlies van 52% over de maanden april, mei en juni 2021. Verweerder heeft met de besluiten van 10 mei 2021 tegemoetkomingen voor [bedrijf 1] en [bedrijf 2] van respectievelijk € 17.478,- en € 15.700,- aan eiser toegekend, waarvan € 13.983,- en € 12.561,- als voorschotten zijn betaald. Bij deze tegemoetkomingen is verweerder uitgegaan van de loonsom zoals eiser die verschuldigd was in juni 2020 en van een te verwachten omzetdaling van 52%. Op 1 augustus 2022 heeft eiser de definitieve berekeningen van de tegemoetkomingen op grond van de NOW-3 aangevraagd.
3. Met de primaire besluiten heeft verweerder de aanvragen van eiser afgewezen. Volgens verweerder blijkt na beoordeling van de gegevens dat eiser een omzetverlies van minder dan 20% heeft. Op basis van openbare bronnen heeft verweerder vastgesteld dat naast de twee vestigingen in Weesp een derde vestiging actief was: [bedrijf 3] . Volgens verweerder moet de omzet van deze vestiging worden meegeteld bij de gerealiseerde omzet van de eenmanszaak. Hierdoor is geen sprake van omzetdaling maar een omzetstijging ten opzichte van 2019 (de referentieperiode). De NOW-3 regeling voorziet niet in uitzonderingsgevallen voor de situatie dat een nieuwe vestiging is geopend na de referentieperiode. De voorschotten die eiser heeft ontvangen, dient hij terug te betalen, te weten twee bedragen van respectievelijk € 13.983,- en € 12.561,-. Met de bestreden besluiten is verweerder bij dit standpunt gebleven.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de tegemoetkoming in de loonkosten van eiser op grond van de NOW-3 juist heeft vastgesteld. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden.
5. Eiser betoogt kort gezegd dat verweerder maatwerk had moeten leveren door [bedrijf 3] bij de berekening van de winst buiten beschouwing te laten. Eiser heeft voor deze vestiging bewust geen tegemoetkoming aangevraagd, omdat de vestiging in de referentieperiode nog niet bestond. Volgens eiser heeft verweerder aan zijn boekhouder ook telefonisch laten weten dat de vestiging apart kon worden behandeld. Eiser stelt dat een onevenredig nadeel ontstaat door de vestiging in Amersfoort toch te betrekken bij de gerealiseerde omzet, omdat dan appels met peren worden vergeleken.
6. Verweerder heeft daarentegen gewezen op het belang van de zorgvuldige besteding van publieke middelen. Eiser heeft op grond van de NOW-3 geen recht op een tegemoetkoming. De regeling voorziet niet in een uitzondering voor de situatie dat een eenmanszaak na de referentieperiode een nieuwe vestiging opent. Hoewel verweerder op de zitting heeft aangegeven niet te twijfelen aan de integriteit van eiser, wijst verweerder op het risico dat bedrijven creatief gaan boekhouden als uitzonderingen op de NOW-3 worden toegestaan. Verder betwist verweerder dat de accountant van eiser vooraf contact heeft gehad met verweerder. Volgens verweerder is daarnaast niet gebleken dat in dit geval de belangenafweging onevenwichtig uitpakt.
7. In NOW-3 is bepaald dat voor de omzetdaling wordt uitgegaan van de omzetdaling van de natuurlijke of rechtspersoon (artikel 5, zesde lid, van de NOW-3). De eenmanszaak van eiser is een natuurlijke persoon. De rechtbank overweegt dat verweerder de drie vestigingen dus terecht heeft beschouwd als één. Verweerder was dan ook bevoegd om de subsidie lager vast te stellen op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb); eiser wist of behoorde immers te weten dat de daadwerkelijke omzetdaling in de subsidieperiode lager was dan hij bij de aanvraag van de tegemoetkoming had geschat. Voor een telefoongesprek waarin verweerder andersluidende informatie zou hebben verstrekt, zijn geen aanknopingspunten. .
8. Bij de toepassing van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb moet verweerder een afweging maken tussen het belang van een juiste vaststelling van de NOW-3 enerzijds en de gevolgen van een lagere vaststelling voor eiser anderzijds. Op grond van het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel mogen de voor eiser nadelige gevolgen van de lagere vaststellingen en de terugvorderingen niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.
9. Naar het oordeel van de rechtbank zijn in dit geval de nadelige gevolgen van de bestreden besluiten voor eiser onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Daarvoor is het volgende redengevend. De situatie van eiser is bijzonder, in die zin dat hij eind januari 2020 een nieuwe vestiging had gekocht, enkele weken voordat in Nederland de pandemie uitbrak. Deze nieuwe vestiging ligt ruim 40 kilometer van de vestigingen in Weesp en heeft een eigen administratie, klantenbestand, personeel en loonheffingsnummer. In de referentieperiode (2019) had deze nieuwe vestiging nog geen omzet, maar in de meetperiode (april, mei en juni 2021) wel. De omzet van deze vestiging is dus met 100% gestegen, hetgeen grote invloed heeft op het omzetverlies van de vestigingen in Weesp. Dit terwijl de omzet van de vestiging in Amersfoort ook beperkt was vanwege de pandemie.
10. Het doel van de NOW-regelingen was behoud van werkgelegenheid tijdens de coronacrisis. Door de verleende voorschotten werd dat doel bereikt; zonder de voorschotten had eiser, zo heeft hij onweersproken aangevoerd, zijn werknemers in de vestigingen in Weesp niet kunnen doorbetalen, ook niet als de omzet van de vestiging in Amersfoort daarbij wordt betrokken. Ondanks dat het verlenen van de subsidie dus dienstig zou zijn aan het doel van de regeling, leidt strikte toepassing van de regeling in dit geval tot een nihilstelling van de NOW-3. Daarbij heeft de rechtbank, net als verweerder, geen aanleiding te betwijfelen dat eiser te goeder trouw was toen hij de subsidie alleen heeft aangevraagd voor de vestigingen in Weesp en voor de meetperiode dus ook niet de omzet van de vestiging in Amersfoort heeft opgegeven. Tegelijk betreft het hier een eenmanszaak, waardoor eiser met zijn privévermogen aansprakelijk is voor alle schulden van de drie restaurants. Naast de bestaande belastingschulden uit de coronaperiode leidt ook de nihilstelling van de NOW-3 tot grote financiële zorgen, wat doorwerkt in het privéleven van eiser en zijn hele gezin. Eiser heeft dus een zwaarwegend belang bij de nihilstelling van de NOW-3. Naar het oordeel van de rechtbank legt het door verweerder bepleite algemene belang – in het licht van al het voorgaande – onvoldoende gewicht in de schaal om de belangenafweging in het nadeel van eiser te laten uitvallen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het betrekken van de omzet van [bedrijf 3] in de meetperiode bij de definitieve vaststelling van de NOW-3 in dit geval voor een onevenredige uitkomst zorgt. De beroepsgrond van eiser slaagt dus.
11. Gelet op het voorgaande is de belangenafweging van verweerder onvolledig en onjuist. Verweerder heeft in dit geval ten onrechte het algemeen belang zwaarder laten wegen dan de belangen van eiser. Verweerder zal in een nieuw besluit nogmaals de NOW-3 definitief moeten vaststellen en daarbij de omzet van [bedrijf 3] in de meetperiode buiten beschouwing moeten laten. Ter voorkoming van verkeerde verwachtingen bij eiser wijst de rechtbank erop dat deze uitspraak niet betekent dat verweerder de tegemoetkoming voor de NOW-3 niet lager mag vaststellen en ook niet dat verweerder niet (een gedeelte van) het voorschot mag terugvorderen. Eiser heeft namelijk het omzetverlies voor de vestigingen in Weesp over deze periode geschat op 52%, maar dit is volgens eiser daadwerkelijk uitgekomen op 25%.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding een bestuurlijke lus toe te passen of zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal daarom de bestreden besluiten vernietigen en verweerder opdragen twee nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van eiser met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder in de kosten van het beroep. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een bedrag van € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 907,- per punt). Daarbij moeten de beroepen van eiser worden aangemerkt als samenhangende zaken, omdat in deze zaken de rechtsbijstand is verleend door dezelfde gemachtigde, de zaken door de rechtbank gelijktijdig zijn behandeld en het verzoek gelijktijdig in alle zaken is gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Zaagsma, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen.