RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11293347 \ CV EXPL 24-11422
Vonnis van 18 maart 2025
inzake
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. S. Yadegari,
tegen
de besloten vennootschap,
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: dhr. [gemachtigde] .
Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 26 augustus 2024, met producties 1 tot en met 11,
de conclusie van antwoord met producties.
Op 12 februari 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiser] was aanwezig met zijn gemachtigde mr. Yadegari. Namens [gedaagde] is niemand verschenen. [eiser] heeft ter zitting zijn standpunt toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt tijdens de zitting.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.
2. De kern van de zaak
[eiser] heeft een tweedehands auto gekocht bij [gedaagde] . [eiser] stelt dat de auto gebreken heeft en daarom non-conform is. Hij vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden danwel dat deze alsnog wordt ontbonden. Indien de kantonrechter niet beslist tot ontbinding van de koopovereenkomst vordert [eiser] kosteloos herstel van de gebreken van de auto. Daarnaast vordert [eiser] terugbetaling van de volledige koopsom van € 2.900,00, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Ook vordert [eiser] verschillende kostenposten en een veroordeling tot vrijwaring van de auto. Tot slot vordert [eiser] een veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure. [gedaagde] voert aan dat zij heeft aangeboden om de auto te onderzoeken en eventueel te repareren, maar [eiser] heeft dit aanbod, volgens [gedaagde] , afgewezen. Ook voert [gedaagde] aan dat de gevorderde kosten voor autobelasting en verzekering onredelijk zijn en dat de auto niet meer in dezelfde staat verkeerd zoals deze is aangekocht bij haar. Tot slot voert zij aan dat de correspondentie van gemachtigde van [eiser] naar een oud adres is gestuurd en dat zij door een onverwachte verhuizing niet heeft kunnen reageren hierop. De kantonrechter zal de vorderingen van [eiser] grotendeels toewijzen en licht dit hierna toe.
3. De feiten
Op 17 januari 2024 heeft [eiser] een tweedehands auto van het merk Dodge Avenger (hierna: de auto) gekocht en geleverd gekregen van [gedaagde] voor een bedrag van € 2.900,00. Voor deze koop betaalde [eiser] een bedrag van € 2.700,00 aan [gedaagde] en ruilde tevens zijn oude auto in voor een bedrag van € 200,00.
Voorafgaande aan de koop heeft [eiser] een proefrit gemaakt met de auto en is de auto APK gekeurd.
Op 31 januari 2024 heeft [eiser] problemen ervaren met de auto.
Op 27 februari 2024 heeft [eiser] de auto afgeleverd bij een garage voor het verrichten van onderzoek. De autogarage heeft de auto onderzocht en hierover als volgt bericht. Hieruit volgt, voor zover relevant: “Kans op spontane brand ontwikkeling tijdens het rijden of niet controle over het voertuig kunnen behouden door het spontaan afslaan van de motor en zo ook het verlies van de stuurbekrachtiging. (…) Is de auto zonder reparatie normaal te gebruiken? Nee, is (ernstig) onveilig.”
Op 15 maart 2024 heeft [eiser] een ingebrekestelling aan [gedaagde] verstuurd. De ingebrekestelling is zowel per post als per e-mailbericht aan [gedaagde] verzonden.
[eiser] heeft op 3 mei 2024 een e-mailbericht aan [gedaagde] gestuurd ter herinnering aan de eerder verstuurde ingebrekestelling. Een reactie van [gedaagde] bleef uit.
Op 18 juni 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] een brief gestuurd waarin de koopovereenkomst buitengerechtelijk wordt ontbonden.
4. De beoordeling
Consumentenkoop
Vast staat dat [eiser] de auto als consument heeft aangeschaft en dat sprake is van een consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Non-conformiteit
De kern van het geschil tussen partijen is de vraag of [eiser] de overeenkomst mocht ontbinden omdat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordde (artikel 7:22 BW). Daar is sprake van indien de auto niet de eigenschappen bezit die [eiser] op grond van de overeenkomst mocht verwachten. [eiser] mocht verwachten dat de auto de eigenschappen zou bezitten die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefte te betwijfelen. Bij een consumentenkoop geldt daarbij het rechtsvermoeden van artikel 7:18a BW, waarin is bepaald dat als zich binnen twaalf maanden na de aflevering een gebrek openbaart, de zaak wordt vermoed als bij aflevering niet aan de overeenkomst te hebben beantwoord.
[eiser] stelt dat de auto sinds 31 januari 2024 gebreken vertoont. De auto valt tijdens het rijden uit, waarbij ook de stuurbekrachtiging van de auto niet werkt. Hierdoor is het volgens hem onveilig om door te blijven rijden met de auto. [eiser] heeft de auto laten onderzoeken en hieruit blijkt dat er een stevige smeuïge brandlucht in de auto waarneembaar is door kortsluiting in de teller klok. Ter onderbouwing van deze standpunten legt [eiser] twee rapportages over van de onderzoeken van de auto. [eiser] heeft [gedaagde] hiervan op de hoogte gesteld, onder meer bij ingebrekestelling van 15 maart 2024. [gedaagde] voert aan dat er tijdens de proefrit van 45 minuten geen problemen met de auto zijn gerapporteerd door [eiser] . Ook voert [gedaagde] aan zij de auto heeft aangeschaft bij een erkende dealer en dat zij de genoemde gebreken niet herkent.
Volgens vaste rechtspraak wordt in beginsel aangenomen dat een tweedehands auto, die bestemd is om aan het verkeer deel te nemen, niet aan de overeenkomst beantwoordt, als het gebruik ervan een gevaar voor de verkeersveiligheid oplevert. Gelet op de gebreken (zie r.o. 3.4) heeft [eiser] voldoende onderbouwd dat het rijden in de auto een gevaar voor de verkeersveiligheid oplevert. Het uitvallen van de motor en daarbij ook het niet werken van de stuurbekrachtiging kan tot gevaarlijke situaties leiden voor [eiser] en andere verkeersdeelnemers. Daarbij heeft [eiser] binnen een jaar na de koop van de auto een ingebrekestelling gestuurd, waardoor daarnaast ook het wettelijke vermoeden van non-conformiteit geldt. Het is daarom aan [gedaagde] om te stellen en te bewijzen dat de auto bij aflevering wel aan de overeenkomst heeft beantwoord. Slechts het ontzenuwen van het bewijsvermoeden is niet voldoende. Gelet op de summiere betwisting van [gedaagde] , is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] er niet in is geslaagd om te stellen en bewijzen dat de auto wel aan de overeenkomst beantwoord. Dit betekent dat het wettelijke vermoeden van non-conformiteit overeind blijft.
Rechtsgeldige ontbinding koopovereenkomst
Nu vast staat dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt, ligt de vraag voor of [eiser] tot buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst mocht overgaan. De koper heeft de bevoegdheid tot ontbinding als de verkoper niet binnen een redelijke termijn tot herstel van de zaak is overgegaan (artikel 7:22 BW). [eiser] heeft 15 maart 2024 een ingebrekestelling verstuurd waarin de gebreken worden omschreven en verzocht wordt tot herstel van deze gebreken. Op 3 mei 2024 wordt nogmaals contact met [gedaagde] gezocht ter herinnering aan de ingebrekestelling, ook op deze correspondentie reageert [gedaagde] niet. [gedaagde] voert aan dat er in maart 2024 telefonisch contact is geweest over de gebreken. [gedaagde] zou in dat gesprek hebben voorgesteld dat [eiser] de auto bij [gedaagde] brengt zodat zij onderzoek naar de auto kan doen en eventueel reparaties kan uitvoeren. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] dit aanbod afgeslagen en wilde [eiser] gelijk zijn geld terug. [eiser] stelt daarentegen dat er op 19 februari 2024 telefonisch contact is geweest waarin de gebreken zijn gemeld. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] op zijn verzoeken afwijzend gereageerd.
Doordat partijen verschillend verklaren over het telefonisch contact en er geen nadere schriftelijke onderbouwing is gegeven, kan de kantonrechter niet vaststellen wat partijen destijds met elkaar besproken hebben. Wat wel vaststaat is dat [eiser] op 15 maart 2024 een ingebrekestelling aan [gedaagde] heeft gestuurd en dat hierop geen reactie is gekomen. Ook op de herinnering van 3 mei 2024 heeft [gedaagde] niet gereageerd. [gedaagde] stelt dat correspondentie van [eiser] naar een oud adres van [gedaagde] is gestuurd. Vanwege een onverwachtse verhuizing heeft [gedaagde] niet kunnen reageren op de brieven. Niet alleen ligt het eventueel niet ontvangen van correspondentie door een verhuizing in de risicosfeer van [gedaagde] , ook heeft [eiser] dezelfde correspondentie per mail aan [gedaagde] toegezonden. Hoewel [gedaagde] op de hoogte is geweest van de ingebrekestelling, dan wel had kunnen zijn gezien de correspondentie per post en aan het e-mailadres van [gedaagde] is verzonden, is [gedaagde] niet overgegaan tot herstel van de gebreken van de auto. Doordat [gedaagde] niet van de mogelijkheid gebruik heeft gemaakt om de gebreken te herstellen, is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] in verzuim verkeerd en dat [eiser] de overeenkomst op 18 juni 2024 buitengerechtelijk mocht ontbinden. De kantonrechter zal daarom de primair gevorderde verklaring voor recht toewijzen.
Terugbetaling koopsom
[eiser] mocht de overeenkomst buitengerechtelijk ontbinden. Het gevolg hiervan is dat [gedaagde] de betaalde koopsom moet terugbetalen en de auto terug moet naar [gedaagde] . [eiser] heeft de koopsom voldaan door een bedrag van € 2.700,00 te betalen aan [gedaagde] en daarnaast zijn oude auto in te ruilen voor een bedrag van € 200,00. [gedaagde] zal daardoor een bedrag van € 2.900,00 aan [eiser] moet terugbetalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2024.
De auto zal terug moeten naar [gedaagde] . Nu dit gelet op artikel 7:22 lid 7 BW door [gedaagde] moet worden betaald, is het aan hem om de auto te komen ophalen, dan wel de verzendkosten te betalen.
[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De vordering van € 502,15 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief van € 415,00 passend bij een hoofdsom van € 2.900,00. De kantonrechter wijst daarom € 415,00 toe.
Onderzoekskosten, motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremies
[eiser] vordert aanvullende schade bestaande uit onderzoekskosten en kosten voor motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremies. Ook heeft [eiser] kosten gemaakt om het kenteken van de auto te laten schorsen. De totale kosten beraamt [eiser] op € 442,11.
Op grond van artikel 6:96 lid 2 BW komen redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor vergoeding in aanmerking. Voor wat betreft de onderzoekskosten is duidelijk gebleken dat [eiser] deze kosten heeft moeten maken ter vaststelling van de gebreken van de auto. Gezien de problemen die [eiser] ervaarde met de auto en de houding van [gedaagde] komen deze kosten de kantonrechter niet onredelijk voor. Om vast te stellen wat de gebreken van de auto waren, was [eiser] immers aangewezen op een autogarage. De onderzoekskosten komen daardoor voor vergoeding in aanmerking.
Wat betreft de motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremies oordeelt de kantonrechter als volgt. [eiser] heeft over de periode van 17 januari 2024 tot 2 april 2024 wegenbelasting en verzekeringspremies betaald, terwijl hij de auto niet heeft kunnen gebruiken. [gedaagde] voert aan dat deze kosten standaard zijn en behoren bij het bezit van een voertuig in Nederland. Echter, deze kosten worden over het algemeen gemaakt ten behoeve van een voertuig waarvan daadwerkelijk gebruik kan worden gemaakt. Gelet op de forse gebreken is de auto een gevaar voor de verkeersveiligheid en heeft [eiser] geen gebruik meer kunnen maken van de auto terwijl deze kosten wel doorliepen. Deze kosten zijn daarmee aan te merken als schade. [eiser] heeft het kenteken per 2 april 2024 geschorst waardoor hij de hoogte van de schade heeft beperkt. De kantonrechter zal daarom de schadevordering van in totaal € 442,11 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 26 augustus 2024 (datum dagvaarding).
[eiser] vordert € 80,24 aan buitengerechtelijke incassokosten over voornoemde schade. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat incassowerkzaamheden ten aanzien van deze kosten zijn verricht. Deze gevorderde incassokosten zullen daarom worden afgewezen.
Vrijwaren auto
[eiser] vordert een veroordeling tot onmiddellijke vrijwaring van de auto, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag. [eiser] heeft ter zitting aandacht gevraagd voor de praktijk van sommige autoverkopers om een auto door middel van brandstichting te vernietigen om aldus ongedaanmakingsverplichtingen van de koper te doorkruisen. Om dit risico te beperken wordt uitdrukkelijk gevraagd om de dwangsom toe te wijzen. De kantonrechter kan, temeer nu [gedaagde] niet bij de mondelinge behandeling is verschenen, niet inschatten of dit risico zich ook hier voordoet. Er is geen verweer tegen deze specifieke vordering gevoerd. Gelet op dit alles zal de kantonrechter een dwangsom koppelen aan de veroordeling tot vrijwaring van de auto, maar zal wel de omvang daarvan matigen. De kantonrechter zal [gedaagde] veroordelen om binnen 5 dagen na betekening van het vonnis een deugdelijk vrijwaringsbewijs te verstrekken op straffe van een dwangsom van € 50,00 euro per dag (een deel van een dag daaronder begrepen) dat [gedaagde] dat niet doet, met een maximum van € 5.000,00.
De proceskosten
[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. [eiser] vordert een integrale proceskostenveroordeling van [gedaagde] , in plaats van het liquidatietarief, zonder daarvoor een grond op te voeren, laat staan te onderbouwen. Uitgangspunt is het liquidatietarief en slechts in uitzonderingsgevallen, zoals bij misbruik van procesrecht, kan aanleiding bestaan om daarvan af te wijken. De kantonrechter zal daarom aansluiten bij het liquidatietarief. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de kant van [eiser] als volgt vastgesteld:
- griffierecht
€
87,00
- salaris gemachtigde
€
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
€
135,00
Totaal
€
764,00
Uitvoerbaar bij voorraad
De veroordeling in dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit betekent dat deze uitspraak geldt, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist.
5. De beslissing
De kantonrechter
verklaart voor recht dat de koopovereenkomst tussen partijen op 18 juni 2024 rechtsgeldig is ontbonden;
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] de volledige koopsom van € 2.900,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2024 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een bedrag van € 442,11 te betalen, bestaande uit onderzoekskosten, motorrijtuigenbelasting, verzekeringspremies en schorsingskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] de buitengerechtelijke incassokosten van € 415,00 te betalen;
veroordeelt [gedaagde] om binnen 5 dagen na betekening van het vonnis een deugdelijk vrijwaringsbewijs te verstrekken op straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag met een maximum van € 5.000,00;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de kant van [eiser] tot dit vonnis vastgesteld op € 764,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T. Beuving, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.