[eiseres] , uit Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. M.P. Harten),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder,
hierna: het college,
(gemachtigde: mr. F.M.E. Schuttenhelm).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing haar aanvraag voor een urgentieverklaring.
Het college heeft de aanvraag voor een urgentieverklaring van 28 september 2023 (het primaire besluit) afgewezen omdat eiseres het huisvestingsprobleem volgens de regels in de Huisvestingsverordening 2020 (Hvv) redelijkerwijs kon voorkomen. Ook is het probleem ontstaan als gevolg van verwijtbaar handelen.
Eiseres is tegen dit besluit in bezwaar gegaan. Op 28 december 2023 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard (het bestreden besluit I). Eiseres heeft beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat aan haar een urgentieverklaring wordt verstrekt.
Op 23 februari 2024 oordeelde de voorzieningenrechter dat het besluit van het college met betrekking tot de belangen van de kinderen onvoldoende was gemotiveerd. Tegelijkertijd oordeelde de voorzieningenrechter dat het college de algemene weigeringsgrond dat eiseres het huisvestingsprobleem kon voorkomen in redelijkheid aan eiseres heeft mogen tegenwerpen. De voorzieningenrechter wees dus de voorlopige voorziening af en besloot direct op het samenhangende beroep.
Het college heeft naar aanleiding van deze uitspraak op 8 april 2024 een nieuwe beslissing genomen (het bestreden besluit II). Met dit besluit heeft het college het bezwaarschrift van eiseres (opnieuw) ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld, en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening is op 6 juni 2024 afgewezen.
De behandeling van het beroep tegen het bestreden besluit II ligt nu bij de rechtbank voor. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank beoordeelt of het college de urgentieaanvraag van eiseres mocht afwijzen op grond van de Hvv. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is er sprake van algemene weigeringsgronden?
In de nieuwe beslissing op bezwaar wordt niet meer aan eiseres tegengeworpen dat zij verwijtbaar heeft gehandeld (de e-grond). In plaats daarvan stelt het college zich op het standpunt dat urgentieverklaring alleen nog maar moet worden afgewezen omdat zij haar huisvestingsprobleem redelijkerwijs kon voorkomen (de c-grond). Eiseres heeft namelijk een kind gekregen terwijl zij dakloos was. Met deze keuze heeft zij een gezin gestart zonder over zelfstandige woonruimte te hebben.
Omdat het college in de nieuwe beslissing op bezwaar de e-grond niet meer aan eiseres tegenwerpt, is alleen de c-grond nog van toepassing is in deze zaak. De rechtbank constateert dat de voorzieningenrechter op 23 februari 2024 het volgende over de c-grond heeft geoordeeld.
“De voorzieningenrechter is met het college van oordeel dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2.10.5, eerste lid, onder c, van de Verordening omdat verzoekster het huisvestingsprobleem redelijkerwijs kon voorkomen. Verzoekster is namelijk een gezin gestart zonder te beschikken over daartoe passende woonruimte. Verzoekster heeft immers verklaard dat zij en haar echtgenoot sinds december 2022 dakloos zijn. Haar kind is geboren op 31 december 2023. Dat betekent dat zij zwanger is geraakt terwijl zij dakloos was.”
Nu de voorzieningenrechter op 23 februari 2024 ook direct op het beroep heeft beslist (en eiseres geen hoger beroep tegen deze beslissing heeft ingesteld) betekent dit dat het vaststaat dat de algemene weigerginsgrond onder c aan eiseres in redelijkheid kon worden tegengeworpen.
De rechtbank sluit zich aan bij het standpunt van de voorzieningenrechter. Eiseres woonde tot december 2022 bij haar ouders. Op 31 december 2023 is zij bevallen van haar kind. Zoals de voorzieningenrechter al eerder terecht heeft overwogen, is zij dus zwanger geraakt zonder over een passende woonruimte te beschikken. De rechtbank overweegt dat het geen verwijtbare handeling is om een gezin te stichten. Het college werpt dit eiseres ook niet meer tegen in de nieuwe besluitvorming. Maar uit vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat onwenselijk inwoonsituaties geen grond vormen voor het verlenen van een urgentieverklaring. Dit geldt ook wanneer de aanvrager zwanger is raakt terwijl diegene dakloos is. De situatie dat inwonende kinderen en/of daklozen een gezin stichten, doet zich vaak voor in Amsterdam. Vanwege het zeer beperkte aantal beschikbare sociale huurwoningen in samenhang met het grote aantal woningzoekende, heeft het college haar urgentiebeleid op deze strikte manier ingericht. En omdat uit dit beleid volgt dat de omstandigheid (dat zij zwanger is geworden terwijl zij dakloos was) van eiseres geen grond is om een urgentieaanvraag te verlenen, heeft het college deze weigeringsgrond terecht aan eiseres mogen tegenwerpen.
Had het college de hardheidsclausule moeten toepassen?
Eiseres doet een beroep op de hardheidsclausule. Zij voert aan dat de hardheidsclausule bij uitstek bestaat om een pasgeboren baby en haar moeder onderdak te verlenen. Volgens haar is een urgentieverklaring juist bedoeld om dergelijk schrijnend geval op te lossen.
Vanwege het beroep op de hardheidsclausule moet het college beoordelen of zich in deze zaak zich, los van de algemene weigeringsgronden, feiten en omstandigheden voordoen die ertoe leiden om alsnog een urgentieverklaring toe te kennen. Dit geldt bij sociale aanvragen wanneer de weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie en sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn. Bij een beroep op medische hardheid moet het gaan om acuut levensbedreigende situaties.
Het staat niet ter discussie dat eiseres in woningnood verkeert. Maar de hardheidsclausule wordt alleen toegepast in zeer bijzondere situaties. De rechtbank is van oordeel dat eisers niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een acuut levensbedreigende situatie. De medische stukken die zij heeft overlegd, geven geen aanleiding voor dit oordeel.
Eiseres heeft echter ook een aanvraag gedaan op sociale gronden, waarbij de hardheidsclausule een ander criterium kent. Op dit punt is het besluit gebrekkig gemotiveerd.
Het college hanteert namelijk bij een beroep op de hardheidsclausule bij niet-medische aanvragen de verdisconteringsbeperking. In een geval als dit, waarin het gaat om een gebonden beslissing op grond van een algemeen verbindend voorschrift, kan het college bij de evenredigheidstoets de verdisconteringsbeperking niet toepassen. Het college dient te toetsen of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in het geval van eiser toepassing van de Huisvestingsverordening voor hem zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. De belangenafweging in algemene zin heeft al plaatsgevonden bij het vaststellen van de Huisvestingsverordening. Maar het college moet “onder de streep” nog wel beoordelen of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van de regels uiteindelijk onevenredig uitpakt voor eiser.
De rechtbank passeert dit motiveringsgebrek op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De omstandigheden die eiseres naar voren heeft gebracht, namelijk de manier waarop zij bij haar ouders vertrok, en de omstandigheden waaronder zij zwanger raakte, zijn wel kenbaar meegewogen in het bestreden besluit II. Daarbij mocht het college ook meewegen dat eiseres een plek in de noodopvang weigerde. Ondanks het onjuiste toetsingskader volgt naar het oordeel van de rechtbank uit het bestreden besluit II dat de weigering van een urgentieverklaring geen onevenredige gevolgen heeft voor eiseres
Zijn de belangen van het kind voldoende meegewogen?
Ten slotte doet eiseres een beroep op artikel 3 van het IVRK. Zij vindt dat de belangen van haar kind worden geschonden omdat het college haar en haar baby geen onderdak bieden.
De rechtbank kan zich niet vinden in dit standpunt van eiseres. Uit de stukken komt naar voren dat eiseres een plek in de noodopvang is aangeboden maar dat zij deze plek heeft afgewezen. Wanneer er een plek in de noodopvang wordt aangeboden, is dit voldoende waarborg is in het licht van artikel 3 van het IVRK. Het college erkent hiermee de noodzaak om te zorgen dat kinderen niet op straat verblijven. Het college biedt eiseres en haar dochter een voorziening aan om niet dakloos te hoeven zijn. Dat eiseres de noodopvang niet passend vindt maakt de zaak niet anders. Noodopvang is buitenwettelijk begunstigend beleid. Dat betekent dat de gemeente Amsterdam ervoor kiest om dit beleid te voeren, terwijl daar geen wettelijke grondslag voor is. Als de noodopvang dusdanig ongeschikt is voor eiseres, zal zij dat ofwel aannemelijk moeten maken of zelf voor passend onderdak moeten zorgen. Zij kan zich ten alle tijden opnieuw bij de noodopvang melden. Omdat het college eiseres en haar dochter onderdak aanbieden in de noodopvang, is artikel 3 van het IVRK niet geschonden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Omdat de rechtbank artikel 6:22 van de Awb toepast, heeft eiseres wel recht op vergoeding proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Eiseres krijgt ook het griffierecht terug van het college.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.