[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R. Meinen),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (het college)
(gemachtigde: mr. F.M.E. Schuttenhelm).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een urgentieverklaring.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 31 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 31 juli 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de urgentieaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Eiser woont met zijn gezin vanaf 6 juli 2011 op het adres [adres] te [woonplaats] in een tweekamerwoning van 44m2 . Eiser heeft sinds 2018/2019 last van schimmelvorming in de woning. Een recente lekkage in een waterleiding in een aangrenzende ruimte heeft de schimmelvorming verergerd. De woningbouwcorporatie heeft de lekkage verholpen en eiser en de woningbouwcorporatie zijn in gesprek over het plaatsen van bouwdrogers om het overtollig vocht af te voeren. Uit de onderliggende stukken en hetgeen op de zitting is besproken blijkt er echter sprake te zijn van een structureel probleem. In de afgelopen jaren heeft de woningcorporatie verschillende pogingen gedaan om de problemen op te lossen maar zonder succes. Op de zitting is gesproken over een steeds uitgestelde grootschalige renovatie waardoor eiser op termijn mogelijk in aanmerking komt voor urgentie op basis van stadsvernieuwing. Wegens de gebrekkige staat van de woning heeft de eiser een korting van 60% op zijn huur gekregen.
4. Eiser heeft het college in de afgelopen jaren al meerdere malen benaderd
voor een urgentie vanwege de vocht- en schimmelproblematiek in zijn woning. Eiser heeft op 5 november 2023 een urgentieaanvraag gedaan op medische gronden omdat zijn echtgenote longklachten heeft. De zoon van eiser krijgt ook medicatie tegen longklachten. Eiser heeft de medische situatie van zijn vrouw en zoon onderbouwd met medische stukken. Tussen partijen is niet in geschil dat de echtgenote van eiser een longaandoening heeft en dat de luchtkwaliteit in de woning een negatief effect heeft op haar gezondheid. Eiser heeft ook uitdrukkelijk om hulp en steun van het college gevraagd om op minnelijke wijze uit de situatie te geraken. Zo heeft hij als voorbeeld genoemd dat het college een tijdelijke oplossing zou bieden door hem en zijn gezin tijdens de werkzaamheden op te vangen in een tijdelijke onderkomen.
5. Het college heeft de urgentie afwezen omdat er sprake is van een aantal algemene weigeringsgronden. In dat geval wordt er geen medisch advies gevraagd van de GGD. Dat is alleen anders indien er sprake is van toepassing van de hardheidsclausule. De criteria voor het toepassen van de hardheidsclausule zijn erg streng, omdat in Amsterdam een groot tekort is aan woningen. Alleen als er sprake is van een acuut levensbedreigende situatie of iets vergelijkbaars is er aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen.
6. Eiser vindt dat zijn situatie aanleiding geeft om de hardheidsclausule toe te passen. Eiser heeft ter zitting onder meer verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 oktober 2023 waarbij de besluitvorming in een soortgelijke situatie is vernietigd wegens een motiveringsgebrek. In die zaak was ook sprake van terugkerende schimmelvorming in de woning en luchtwegklachten van de bewoners. Die zaak lijkt op deze zaak omdat in beide zaken de problemen met de woning al lange tijd spelen en dat er ook sprake is van langdurige medische problematiek. Ook vergelijkbaar is de omstandigheid dat de bewoner op alle mogelijke manieren bezig is geweest om met de verhuurder tot een oplossing te komen. Eiser heeft in deze zaak bovendien afgedwongen dat de verhuurder hem een korting op zijn huur geeft en er wordt gesproken over een stadsvernieuwingstraject dat steeds vooruit wordt geschoven. Dit maakt echter volgens de rechtbank nog steeds niet dat voldaan is aan de vereisten voor het toepassen van de hardheidsclausule. Het college mag ervoor kiezen om alleen in het geval van acuut levensbedreigende problematiek een onderzoek te starten.
7. Ook bij eisers gezin is niet gebleken van acute medische problematiek, maar het college heeft niet betwist dat sprake is van een groot en langdurig huisvestingsprobleem dat eiser op allerlei manieren maar zonder succes heeft geprobeerd om op te lossen. Onder die omstandigheden ontslaat een te verwachten weigering van een urgentieverklaring het college niet van zijn verplichting als gemeentelijke overheid om (bijvoorbeeld ook in samenspraak met de verhuurder) te trachten op afzienbare termijn te helpen komen tot een verbetering van de woonsituatie, zoals door eiser ook uitdrukkelijk is verzocht. Het college heeft daarvan tot dusver onvoldoende blijk gegeven. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen en het college opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Voor een inhoudelijk vervolgdictum bestaat op dit moment geen aanleiding.
8. Het beroep is gegrond en het college zal in overleg met eiser moeten treden om (mogelijk met behulp van een andere gemeentelijke dienst) te trachten binnen afzienbare termijn te komen tot een oplossing,
9. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank;
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van mr.N. van der Kroft, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.