ECLI:NL:RBAMS:2025:3942

ECLI:NL:RBAMS:2025:3942, Rechtbank Amsterdam, 05-06-2025, 9062650 \ CV EXPL 21-3522

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 05-06-2025
Datum publicatie 04-07-2025
Zaaknummer 9062650 \ CV EXPL 21-3522
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827

Samenvatting

Consumentenrecht. Voornemen tot stellen van prejudiciële vragen over de bestelknop aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Eisende partij mag zich hierover uitlaten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 9062650 \ CV EXPL 21-3522

Vonnis van 5 juni 2025

in de zaak van

HUURGEMAK B.V.,

gevestigd te Steenwijk,

eisende partij,

gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

niet verschenen.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 juli 2024,- de akte van eisende partij.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de voorgenomen gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst, in die zin dat de betalingsverplichting van gedaagde partij wordt verminderd tot nihil, omdat de bestelknop niet voldoet aan de eisen van artikel 6:230v lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Eisende partij heeft hierover in haar akte aangevoerd, kort gezegd, dat het de kantonrechter vrij staat om geen, dan wel een lichtere sanctie toe te passen dan volledige vernietiging van de betalingsverplichting van gedaagde partij. Dat gedaagde partij niets meer zou hoeven betalen staat niet in verhouding tot de minimale ernst van de schending. Eisende partij verzoekt de kantonrechter daarom geen sanctie toe te passen, dan wel een sanctie bestaande uit een korting op de hoofdsom van maximaal 25%.

Na het tussenvonnis en na de akte van eisende partij, heeft de Hoge Raad in het kader van de bestelknopverplichting van artikel 6:230v lid 3 BW prejudiciële vragen beantwoord in zijn arrest van 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1355.

In zijn arrest heeft de Hoge Raad beslist, kort gezegd, dat als gebruik is gemaakt van een bestelknop die niet voldoet aan het bepaalde in artikel 6:230v lid 3 BW, een sanctie moet worden opgelegd bestaande uit een korting op de betalingsverplichting van de consument, waarbij het aanbeveling verdient om voor het bepalen van die korting aansluiting te zoeken bij niet-bindende richtlijnen. De Hoge Raad geeft in dat verband mee dat een korting van een derde op de betalingsverplichting van de consument in beginsel redelijk is te achten. De Hoge Raad maakt onderscheid tussen procedures waarbij de consument niet en wel is verschenen. In het laatste geval moet de overeenkomst volledig vernietigd worden, tenzij de consument zich daartegen verzet. Bij volledige vernietiging ontstaan op grond van het nationale recht ongedaanmakingsverplichtingen. De consument moet het ontvangen product of de dienst dan teruggeven aan de handelaar en als hij dat niet kan of doet, de vervangingswaarde vergoeden. Bij het bepalen van de vervangingswaarde moet dan rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de bestelknop niet voldoet. De consument moet in dat geval dus nog steeds betalen.

Kennelijk is de Hoge Raad in zijn arrest teruggekomen van zijn eerdere arrest van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677. Uit dat arrest volgt dat vernietiging van de overeenkomst (bij verschijning van de consument) of volledige vernietiging van de betalingsverplichting van de consument (bij niet verschijning van de consument) de aangewezen sanctie is als de bestelknop niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Dat blijkt uit de volgende tabel die in het arrest van 12 november 2021 staat (vgl. de onderste rij met de rijen daarboven, waarin staat dat vernietiging de aangewezen sanctie is, dus geen gedeeltelijke vernietiging).

Informatieplicht

wetsbepaling BW

Sanctie

voornaamste kenmerken zaken of diensten

art. 6:230m lid 1 onder a

(gedeeltelijke) vernietiging

identiteit en adresgegevens van de handelaar

art. 6:230m lid 1 onder b en c

(gedeeltelijke) vernietiging

totale prijs

art. 6:230m lid 1 onder e

(gedeeltelijke) vernietiging

bijkomende kosten

art. 6:230m lid 1 onder e en onder i

kosten niet verschuldigd (art. 6:230n lid 3)

afwijkende kosten communicatiemiddel

art. 6:230m lid 1 onder f

geen kosten boven basistarief (art. 6:230k lid 2); eventueel: (gedeeltelijke) vernietiging

wijze van betaling, levering, uitvoering, leveringstermijn

art. 6:230m lid 1 onder g

(gedeeltelijke) vernietiging

ontbindingsrecht

art. 6:230m lid 1 onder h

verlenging ontbindingstermijn (art. 6:230o lid 2), kosten niet verschuldigd (art. 6:230s lid 5), consument niet aansprakelijk voor waardevermindering (art. 6:230s lid 3); eventueel: (gedeeltelijke) vernietiging

kosten terugzending

art. 6:230m lid 1 onder i

kosten niet verschuldigd (art. 6:230s lid 2)

verschuldigdheid redelijke kosten in bepaalde gevallen

art. 6:230m lid 1 onder j

kosten niet verschuldigd (art. 6:230s lid 5)

duur overeenkomst of opzeggingsvoorwaarden

art. 6:230m lid 1 onder o

(gedeeltelijke) vernietiging

minimumduur overeenkomst voor de consument

art. 6:230m lid 1 onder p

(gedeeltelijke) vernietiging

betalingsverplichting

art. 6:230v lid 3

vernietiging overeenkomst (art. 6:230v lid 3)

Artikel 8 lid 2 van Richtlijn 2011/83/EU (hierna: de richtlijn) bepaalt:

De handelaar ziet erop toe dat de consument bij het plaatsen van zijn bestelling, uitdrukkelijk erkent dat de bestelling een betalingsverplichting inhoudt. Indien het plaatsen van een bestelling inhoudt dat een knop of een soortgelijke functie moet worden aangeklikt, wordt de knop of soortgelijke functie op een goed leesbare wijze aangemerkt met alleen de woorden „bestelling met betalingsverplichting” of een overeenkomstige ondubbelzinnige formulering waaruit blijkt dat het plaatsen van de bestelling een verplichting inhoudt om de handelaar te betalen. Indien aan de bepalingen van deze alinea niet is voldaan is de consument niet door de overeenkomst of de bestelling gebonden.

In artikel 8 lid 2 van de richtlijn staat dat als een bestelknop niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, de consument niet door de overeenkomst of bestelling is gebonden. Toepassing van het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 4 oktober 2024 in de onderhavige zaak leidt ertoe dat de consument toch grotendeels aan de overeenkomst of bestelling is gebonden. De vraag rijst of die uitleg van de Hoge Raad verenigbaar is met de waarborg om het Unierecht op uniforme wijze uit te leggen en toe te passen.

De kantonrechter licht dit toe.

Geconstateerd wordt dat in de richtlijn regelmatig wordt gerefereerd aan ‘de consument’, ‘partijen’ of ‘de handelaar’. Hieruit wordt afgeleid dat de EU-wetgever hierin bewuste keuzes maakt. In artikel 8 lid 2 is ervoor gekozen om uitsluitend ‘de consument’ niet aan de overeenkomst of bestelling gebonden te laten zijn. Als dat niet de bedoeling was geweest, zou de EU-wetgever hebben gekozen voor een andere formulering, zoals ‘zijn partijen niet aan de overeenkomst of bestelling gebonden’. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het herroepingsrecht in artikel 12 van de richtlijn, waar is bepaald dat bij de uitoefening van dit recht ‘partijen’ niet meer hoeven te presteren.

Met niet-gebondenheid van de consument, zoals bepaald in artikel 8 lid 2 van de richtlijn, lijkt niet te zijn beoogd afbreuk te willen doen aan (de totstandkoming van) de overeenkomst. De Hoge Raad gaat er in zijn arresten over de bestelknop overigens ook vanuit dat bij gebruikmaking van een bestelknop die niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen een overeenkomst tot stand komt, maar dat deze vervolgens vernietigbaar is.

Artikel 8 lid 2 van de richtlijn schrijft een specifiek rechtsgevolg voor, namelijk dat de consument niet door de overeenkomst of bestelling is gebonden. Niet alleen ter minimale bescherming van de consument, maar ook ter bevordering van eerlijke concurrentie (doelstelling 4 van de richtlijn). Dat de consument niet aan de overeenkomst of bestelling is gebonden, zal daarom moeten leiden tot algehele ontheffing van zijn prestaties. Als dat anders zou zijn, is de consument namelijk toch (gedeeltelijk) gebonden.

Dat gevolg blijkt niet alleen uit artikel 8 lid 2 van de richtlijn, maar ook uit de doelstellingen van de richtlijn. De richtlijn heeft tot doel het bereiken van een hoog niveau van consumentenbescherming (doelstelling 5) en volledige harmonisatie van regelgeving en rechtszekerheid in de gehele Europese Unie (doelstelling 7). In de richtlijn is verder bepaald dat afwijking ten nadele van de consument niet is toegestaan (artikel 25 van de richtlijn) en dat lidstaten in hun nationale wetgeving geen bepalingen mogen behouden die afwijken van de bepalingen opgenomen in de richtlijn, met inbegrip van meer of minder strikte bepalingen die een ander niveau van consumentenbescherming waarborgen (artikel 4 van de richtlijn).

De sanctie op het niet nakomen van de bestelknopverplichting is niet een doeltreffende, evenredige en afschrikkende sanctie die is overgelaten aan de lidstaten, maar is in artikel 8 lid 2 van de richtlijn gegeven.

Toepassing van het arrest van de Hoge Raad van 4 oktober 2024 leidt ertoe dat de consument toch grotendeels voor de bestelling moet betalen, met als gevolg dat hij aan de bestelling of overeenkomst is gebonden, waardoor het door de EU-wetgever beoogde en voorgeschreven minimale niveau van consumentenbescherming op dit specifieke punt niet wordt gewaarborgd.

In de uitspraken van het HvJ EU over de bestelknop (Fuhrmann, ECLI:EU:C:2022:269 en Conny, ECLI:EU:C:2024:436) wordt de hiervoor beschreven uitleg van de kantonrechter bevestigd, althans hieruit volgt niet dat de consument toch (gedeeltelijk) aan de overeenkomst of bestelling is gebonden of daarvoor op andere grond alsnog moet betalen.

Nu de beslissing in deze zaak afhankelijk is van de uitlegging van het recht van de Unie en de beslissing niet vatbaar is voor hoger beroep, is de kantonrechter ingevolge het bepaalde in artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) verplicht om een verzoek tot een prejudiciële beslissing bij het HvJ EU in te dienen.

Artikel 8 lid 2 van de richtlijn is in het nationale recht in Nederland geïmplementeerd in artikel 6:230v lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW), dat luidt:

“De handelaar richt zijn elektronische bestelproces op zodanige wijze in dat de consument een aanbod niet kan aanvaarden dan nadat hem op niet voor misverstand vatbare wijze duidelijk is gemaakt dat de bestelling een betalingsverplichting inhoudt. Indien de aanvaarding geschiedt door gebruik van een knop of soortgelijke functie, is aan de vorige zin voldaan indien bij het plaatsen van de bestelling in niet voor misverstand vatbare termen en op goed leesbare wijze blijkt dat de aanvaarding een betalingsverplichting jegens de handelaar inhoudt. Een knop of soortgelijke functie wordt daartoe op een goed leesbare wijze aangemerkt met een ondubbelzinnige formulering waaruit blijkt dat het plaatsen van de bestelling een betalingsverplichting jegens de handelaar inhoudt. De enkele zinsnede ‘bestelling met betalingsverplichting’ wordt aangemerkt als een dergelijke ondubbelzinnige verklaring. Een overeenkomst die in strijd met dit lid tot stand komt, is vernietigbaar.”

In deze bepaling staat niet dat de consument niet aan de overeenkomst of bestelling is gebonden, zoals de richtlijn voorschrijft, maar dat een overeenkomst die in strijd met die bepaling tot stand komt vernietigbaar is. Vernietiging impliceert een rechtshandeling die door de consument moet worden verricht. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat de nationale rechter op grond van het effectiviteitsbeginsel gehouden is om artikel 6:230v lid 3 BW ambtshalve toe te passen.

Echter, anders dan de Hoge Raad ziet de kantonrechter, gelet op het voorgaande, geen ruimte om artikel 6:230v lid 3 BW uit te leggen zoals de Hoge Raad dat doet. De Hoge Raad heeft het volgende overwogen.

Op de voet van art. 6:230v lid 3 BW kan de overeenkomst hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk worden vernietigd. Gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst kan bestaan in een vermindering van de verplichtingen, met name de betalingsverplichtingen, van de consument.

4.8.6

De rechter die overweegt een overeenkomst ambtshalve te vernietigen, dient op grond van de beginselen van hoor en wederhoor de verschenen partij(en) in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten.

Indien de consument in de procedure is verschenen, heeft hij aldus gelegenheid zich tegen vernietiging van de overeenkomst te verzetten, hetgeen de rechter dan heeft te respecteren.

Indien de consument niet in de procedure is verschenen, kan de rechter slechts overgaan tot gedeeltelijke vernietiging, die de rechten van de consument uit de overeenkomst onverlet laat. De in de procedure niet verschenen consument zal immers geen rekening behoeven te houden met de mogelijkheid dat de rechter hem die rechten ontneemt, wanneer die mogelijkheid niet tijdig aan hem is kenbaar gemaakt en hij geen gelegenheid heeft gehad zich daarover uit te laten (vgl. art. 130 lid 3 Rv). Deze begrenzing van de rechterlijke bevoegdheden berust op beginselen van het Nederlandse procesrecht en valt daarmee binnen de door het Unierecht geëerbiedigde procedurele autonomie van de lidstaten, zolang daarmee niet wordt afgedaan aan de beschikbaarheid van passende en doeltreffende middelen om de richtlijn te doen naleven. Tot die middelen behoort de in art. 6:230v lid 3 BW voorziene sanctie van vernietigbaarheid.

4.8.7

Een gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst waarbij enerzijds de rechten van de consument geheel in stand blijven maar anderzijds de verplichtingen, met name de betalingsverplichtingen, van de consument geheel wegvallen, zou stroken met de bepaling in art. 8 lid 2, tweede alinea, Richtlijn consumentenrechten dat de consument niet door de overeenkomst of de bestelling is gebonden. Een zodanige vernietiging zou echter weliswaar een doeltreffende sanctie zijn, maar in veel gevallen klaarblijkelijk niet beantwoorden aan de eis dat sancties ook voor de handelaar evenredig moeten zijn.

4.8.8

Op grond van hetgeen hiervoor in 4.8.7 is overwogen, mag de rechter, als de consument niet in het geding is verschenen, de overeenkomst op de voet van art. 6:230v lid 3 BW slechts gedeeltelijk vernietigen, in die zin dat de vernietiging de rechten van de consument niet aantast en de verplichtingen van de consument in stand blijven voor zover nodig is om te voorkomen dat de sanctie voor de handelaar onevenredig zou zijn. Die gedeeltelijke vernietiging in een verstekvonnis ontneemt aan de consument niet de mogelijkheid om op grond van art. 6:230v lid 3 BW alsnog de overeenkomst geheel te (doen) vernietigen. De consument kan de overeenkomst niet meer (doen) vernietigen als de handelaar de consument, bijvoorbeeld ter gelegenheid van de betekening van het verstekvonnis, op deze mogelijkheid heeft gewezen en een redelijke termijn heeft gesteld om te kiezen tussen bevestiging en vernietiging, en de consument binnen deze termijn geen keuze heeft gedaan (art. 3:55 lid 2 BW).

4.8.9

Doordat de consument na een beslissing van de rechter als hiervoor in 4.8.8 bedoeld – behoudens bijvoorbeeld de werking van art. 3:55 lid 2 BW, zie hiervoor in 4.8.8, slot – de mogelijkheid heeft om alsnog tot volledige vernietiging van de overeenkomst te komen, wordt een resultaat bereikt dat strookt met de bepaling in art. 8 lid 2 Richtlijn consumentenrechten dat de consument niet door de overeenkomst is gebonden. Het resultaat van een gedeeltelijke vernietiging als hiervoor in 4.8.8 bedoeld zal veelal materieel niet wezenlijk verschillen van het resultaat in het geval van algehele vernietiging van de overeenkomst. In beide gevallen vindt een aanpassing van het contractuele evenwicht plaats ten gunste van de consument. Bij algehele vernietiging is die aanpassing gelegen in het volgende.

Partijen hebben dan over en weer recht op ongedaanmaking van de verrichte prestaties.

Als de consument een door hem van de handelaar gekocht goed moet teruggeven en van zijn kant gedane betalingen terugkrijgt, zal de handelaar per saldo veelal nadeel ondervinden doordat het goed, reeds als gevolg van de levering, een deel van zijn waarde voor hem heeft verloren. Dit verlies kan de handelaar in beginsel niet voor rekening van de consument brengen (vgl. art. 6:204 lid 1 BW).

Heeft de handelaar op grond van de overeenkomst niet een goed gegeven maar een andere prestatie verricht, die naar zijn aard niet ongedaan kan worden gemaakt, dan zal de handelaar slechts aanspraak kunnen maken op een vergoeding van de waarde van de prestatie op het ogenblik van ontvangst door de consument binnen de door art. 6:210 lid 2 BW omschreven grenzen; tot die grenzen behoort dat aanspraak op vergoeding alleen bestaat ‘voor zover dit redelijk is’. Omdat de handelaar niet heeft voldaan aan art. 6:230v lid 3 BW, is het gezien de vereiste doeltreffendheid en afschrikkendheid van de sanctie niet redelijk dat de handelaar voor die waarde zonder enige korting vergoeding zou ontvangen. Bij de beoordeling in hoeverre een vergoeding redelijk is, kan ook van belang zijn of de consument is gewezen op zijn recht de overeenkomst binnen de bedenktijd te ontbinden (art. 6:230o BW) en daarvan vervolgens geen gebruik heeft gemaakt.

4.8.10

Een beslissing als hiervoor in 4.8.8 bedoeld, waarbij de rechter de verplichtingen van de consument vooralsnog gedeeltelijk in stand laat en aldus bij wijze van evenredige sanctie een korting op de betalingsverplichting van de consument toepast, doet voorts recht aan het belang voor de rechtspraktijk van eenvoudig te hanteren regels.

Met het oog op het grote aantal procedures waarin betaling wordt gevorderd uit hoofde van overeenkomsten op afstand waarbij de handelaar gebruik heeft gemaakt van een bestelknop die niet voldoet aan art. 6:230v lid 3 BW, verdient het aanbeveling dat de rechter zich bij de toepassing van de korting richt naar niet-bindende richtlijnen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in 4.8.9, is een korting van één derde op de betalingsverplichting van de consument in beginsel redelijk te achten.

4.8.11

Uit hetgeen hiervoor in 4.8.1-4.8.8 is overwogen, volgt dat het antwoord op de tweede prejudiciële vraag luidt dat als de bestelknop niet voldoet aan art. 6:230v lid 3 BW, de rechter in verstekzaken niet ambtshalve de overeenkomst volledig mag vernietigen.

4.8.12

Uit hetgeen hiervoor in 4.8.8-4.8.10 is overwogen, volgt dat het antwoord op de derde prejudiciële vraag voor verstekzaken inhoudt dat als de bestelknop niet voldoet aan art. 6:230v lid 3 BW, de rechter de overeenkomst ambtshalve gedeeltelijk moet vernietigen, in die zin dat de vernietiging de rechten van de consument niet aantast en de verplichtingen van de consument vooralsnog in stand laat voor een zodanig gedeelte als nodig is om te voorkomen dat de sanctie voor de handelaar onevenredig zou zijn.

In zaken waar de consument in rechte is verschenen, vernietigt de rechter de overeenkomst volledig als de consument in de gelegenheid is gesteld zich daarover uit te laten en zich daartegen niet heeft verzet. Als de consument zich in die zaken verzet tegen vernietiging van de overeenkomst, ziet de rechter af van vernietiging op de voet van art. 6:230v lid 3 BW.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan een richtlijnconforme uitleg van de term ‘vernietigbaar’ niet tot een voor de consument ongunstigere uitkomst leiden dan (minimaal) is voorgeschreven door de richtlijn. Als de consument niet gebonden is aan de overeenkomst, impliceert dat dat er geen betalingsverplichting kan zijn. Nationaal recht dat het mogelijk maakt dat de consument uiteindelijk toch (een deel) moet betalen, staat in de weg aan het in de richtlijn voorgeschreven rechtsgevolg, het beschermingsniveau en de doelstellingen.

Dat dit mogelijk als onevenredig voor de handelaar in de specifieke zaak is op te vatten kan geen legitieme reden zijn om hiervan af te wijken. Naar de evenredigheid zal vanuit zaak-overstijgend perspectief moeten worden gekeken, teneinde de doelstellingen van de richtlijn te kunnen bereiken. Een (calculerende) handelaar die met een foute bestelknop 1.000 consumenten verleidt om een overeenkomst aan te gaan die zij anders niet zouden zijn aangegaan en waarvan misschien een handvol zaken bij de rechter belanden, profiteert aanzienlijk van een bestelproces dat in strijd is met de uniform voorgeschreven Europeesrechtelijke regels. Bovendien is het oneerlijk tegenover de handelaren die hun bestelproces wel conform die regels inrichten en daardoor minder overeenkomsten sluiten, omdat consumenten minder snel op een knop drukken waarop is vermeld dat zij een betalingsverplichting aangaan. Het beoogde evenwicht tussen het hoge beschermingsniveau voor de consument en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven, een van de doelen van de richtlijn, wordt hiermee niet bereikt.

Nu toepassing van het nationale recht als uitgelegd door de Hoge Raad tot gevolg heeft dat de consument minder bescherming geniet dan minimaal is voorgeschreven door het Unierecht, is de kantonrechter voornemens hierover vragen te stellen aan het HvJ EU.

De vragen die de kantonrechter voornemens is te stellen zijn:

Als een bestelknop als bedoeld in artikel 8 lid 2 van de richtlijn niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, staat dat artikel er dan aan in de weg dat de consument op grond van nationaal recht toch voor een deel van de bestelling moet betalen, als het hoogste rechtscollege heeft overwogen dat het niet evenredig wordt gevonden als de consument niets meer aan de handelaar hoeft te voldoen en het product wel mag behouden?

Als de bestelknop als bedoeld in artikel 8 lid 2 van de richtlijn niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, moet de consument het ontvangen product dan retourneren aan de handelaar? En als het diensten betreft, moet de consument dan voor die diensten een vergoeding betalen als hij van die diensten (deels) heeft geprofiteerd?

Als de bestelknop als bedoeld in artikel 8 lid 2 van de richtlijn niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen en het recht van de lidstaat bepaalt dat de overeenkomst dan in zijn geheel vernietigbaar is, moet dan de hele overeenkomst worden vernietigd en kan de handelaar dan alsnog op grond van ongedaanmaking een vergoeding vragen voor de geleverde prestatie? Zo ja, komt op deze vergoeding dan een bedrag in mindering, als sanctie?

Voordat de vragen worden gesteld, krijgt eisende partij de gelegenheid zich hierover bij akte uit te laten.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3. De beslissing

De kantonrechter:

verwijst de zaak naar de rol van donderdag 3 juli 2025 om 10.00 uur voor akte uitlating door eisende partij over het voornemen tot het stellen van vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in aanwezigheid van mr. S. Homringhausen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2025.

991

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E. Pennink

Griffier

  • mr. S. Homringhausen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJF 2025/364
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?