RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/230322-21
Datum uitspraak: 18 maart 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres 1] .
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 maart 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel en van wat verdachte en haar raadsvrouw mr. M.J.R. Roethof naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd en na wijziging ter zitting – ten laste gelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van valsheid in geschrift en/of medeplegen van het gebruiken en voorhanden hebben van valse geschriften in de periode van 1 juli 2018 tot en met 22 september 2020 in Nederland.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.
3. Waardering van het bewijs
Inleiding
In het onderzoek APRIL zijn telefoons van anderen in beslag genomen. Deze telefoons zijn door de politie uitgelezen, waarna de verdenking is ontstaan dat verdachte als makelaar betrokken is geweest bij het verstrekken van valse documenten voor het verkrijgen van (huur)woningen voor anderen. Naar aanleiding van deze bevindingen is het onderzoek ALSDORF gestart, waarbij onderzoek is verricht naar verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . In dit kader zijn de bankgegevens van verdachte opgevraagd, waarin adressen en overboekingen staan vermeld die aanwijzingen bieden voor woningbemiddeling door verdachte. Vervolgens zijn negen woningen doorzocht, waarvan de politie vermoedde dat deze woningen zijn verkregen door middel van valse geschriften opgemaakt of verstrekt door verdachte. De verdenking van valse documenten betreft arbeidsovereenkomsten, werkgeversverklaringen en salarisspecificaties van [naam bedrijf 1] B.V. (hierna: [naam bedrijf 1] ), [naam bedrijf 2] B.V. (hierna: [naam bedrijf 2] ), [naam bedrijf 3] , [naam bedrijf 4] B.V. (hierna [naam bedrijf 4] ) en [naam bedrijf 5] B.V. (hierna: [naam bedrijf 5] ).
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt dat niet kan worden bewezen dat verdachte de valse geschriften heeft opgemaakt of gebruikt waaruit volgt dat [medeverdachte] in dienst was van [naam bedrijf 1] en die zijn gebruikt bij de bemiddeling van de woning aan de [adres 2] . Van dit ten laste gelegde onderdeel dient verdachte te worden vrijgesproken (nr. 1, ad 1, 1e koppelteken).
Daarentegen vindt de officier van justitie wel bewezen dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het laten opmaken en gebruiken van valse geschriften, waaruit volgt dat [persoon 1] werkzaam was bij [naam bedrijf 1] om de woning aan de [adres 3] te verkrijgen (nr. 1, ad 1, 2e koppelteken e.v.).
De officier van justitie vindt eveneens bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het laten opmaken en gebruiken van valse geschriften, waaruit volgt dat [persoon 2] in dienst was bij [naam bedrijf 2] , ten behoeve van het bemiddelen bij de woning aan de [adres 4] (nr. 2, ad 2).
Verder vindt de officier van justitie bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het laten opmaken en gebruiken van valse geschriften, waaruit volgt dat [persoon 3] werkzaam was bij [naam bedrijf 3] en [persoon 4] bij [naam bedrijf 4] , ten behoeve van het bemiddelen bij de woning aan de [adres 5] voor [persoon 3] en de woning aan de [adres 6] voor [persoon 4] (nr. 3, ad 3).
Daarnaast heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte de valse geschriften heeft opgemaakt of gebruikt waarmee de woning aan de [adres 7] is verkregen (nr. 4, ad 4). Van dit ten laste gelegde onderdeel moetverdachte worden vrijgesproken. Wel kan worden bewezen dat verdachte de valse geschriften over [naam bedrijf 5] voorhanden heeft gehad, omdat deze geschriften zijn aangetroffen in de woning waar verdachte regelmatig verbleef.
Verder kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het samen met anderen laten opmaken en gebruiken van valse geschriften ten behoeve van het bemiddelen bij de woning aan de [adres 8] (nr. 4, ad 4). Dat de geschriften vals zijn en verdachte daarvan wetenschap had volgt uit chatberichten tussen [persoon 4] en verdachte.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het valselijk laten opmaken dan wel gebruiken van valse geschriften, waaruit blijkt dat [medeverdachte] in dienst was bij [naam bedrijf 1] , die zijn gebruikt bij de bemiddeling van de woning aan de [adres 2] (nr. 1, ad 1, 1e koppelteken).
Daarnaast refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het samen met anderen laten opmaken en gebruiken van valse geschriften, waaruit blijkt dat [persoon 1] werkzaam was bij [naam bedrijf 1] , die zijn gebruikt bij bemiddeling van de woning aan de [adres 3] (nr. 1, ad 1, 2e koppelteken e.v.).
Verder heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het laten opmaken en gebruiken van valse geschriften, waaruit volgt dat [persoon 2] in dienst was bij [naam bedrijf 2] , die zijn gebruikt bij de bemiddeling van de woning aan de [adres 4] . Enkel [persoon 2] zelf heeft verklaard dat verdachte deze geschriften opzettelijk vals heeft opgemaakt. De verdediging heeft geen mogelijkheid gehad [persoon 2] te horen. De getuigenverklaring kan daarom niet worden gebruikt als bewijsmiddel. Daardoor is er onvoldoende bewijs aanwezig om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Bovendien kan niet worden bewezen dat verdachte wetenschap had van de valsheid van de geschriften (nr. 2, ad 2).
De raadsvrouw heeft daarnaast betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het opmaken en gebruiken van valse geschriften met betrekking tot de bedrijven [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 4] . Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij het valselijk opmaken van die geschriften. Ook kan niet worden bewezen dat verdachte wetenschap had van de valsheid van de geschriften (nr. 3, ad 3).
Verder refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het laten opmaken en gebruiken van de valse geschriften waaruit blijkt dat [persoon 4] werkzaam was bij [naam bedrijf 5] . Echter kan niet worden bewezen dat verdachte de valse geschriften over [naam bedrijf 5] , die zijn gebruikt voor het bemiddelen bij de woning aan de [adres 7] , heeft opgemaakt, doen laten opmaken of heeft gebruikt (nr. 4, ad 4).
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is op basis van de bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich - samen met anderen- schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift en het gebruik maken van en voorhanden hebben van die geschriften. Van andere onderdelen van de tenlastelegging wordt zij vrijgesproken. Daartoe overweegt zij als volgt.
Ten aanzien van nummer 1 ad 1
[medeverdachte] / [naam bedrijf 1] – [adres 2] – vrijspraak
De rechtbank acht, net zoals de officier van justitie en de raadsvrouw, niet bewezen dat verdachte de geschriften, waaruit blijkt dat [medeverdachte] in dienst was als manager bij [naam bedrijf 1] , valselijk heeft laten opmaken en/of gebruiken en/of die voorhanden heeft gehad en spreekt verdachte daarvan vrij (nr. 1, ad 1, 1e koppelteken). Op grond van het dossier kan namelijk niet worden vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij het opmaken en gebruiken van die geschriften.
[persoon 1] / [naam bedrijf 1] – [adres 3] – bewezenverklaring
Daarentegen acht de rechtbank wel bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het samen met anderen valselijk laten opmaken en gebruiken van geschriften, waaruit blijkt dat [persoon 1] werkzaam was bij [naam bedrijf 1] , en het voorhanden hebben van deze valse geschriften, mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter zitting (nr. 1, ad 1, 2e koppelteken e.v.).
Ten aanzien van nummer 2 en ad 2
[persoon 2] / [naam bedrijf 2] – [adres 4] – bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het laten opmaken, gebruiken en voorhanden hebben van valse geschriften voor [persoon 2] ten behoeve van het verkrijgen van de woning aan de [adres 4] .
Voor die bewezenverklaring gebruikt de rechtbank de verklaring van [persoon 2] bij de politie. De rechtbank onderkent dat de verdediging [persoon 2] niet bij de rechter-commissaris heeft kunnen (laten) horen. Omdat de verdediging verweer heeft gevoerd tegen het niettemin gebruiken van de verklaring van [persoon 2] , stelt de rechtbank het volgende voorop.
In een geval als dit, moet de rechtbank beoordelen of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend van de getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het onderzoek, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen.
Over (i) merkt de rechtbank op dat het getuigenverhoor weliswaar als onderzoekswens was toegewezen, maar omdat [persoon 2] vooraf had aangekondigd zich op zijn verschoningsrecht te beroepen, dat verhoor niet heeft plaatsgevonden. De reden voor het niet kunnen horen lag dus niet aan de beoordeling door een rechter, maar in de procespositie van de getuige. Over (ii) oordeelt de rechtbank dat de verklaring van [persoon 2] dat de door verdachte namens hem bij de makelaar ingediende werkgeversverklaring vals is, dat verdachte dat heeft geregeld en dat hij daarvoor een vergoeding heeft betaald, wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Uit het onderzoek van de politie blijkt dat namelijk dat [persoon 2] op 12 december 2019 een betaling heeft gedaan aan [verdachte] onder vermelding van een klant- en factuurnummer, terwijl bekend is dat [verdachte] als makelaar bemiddelde in huurwoningen en dat [persoon 2] de woning aan de [adres 4] huurt per 15 december 2019. Bovendien is gebleken dat de bij de verhuurder ASR gevorderde stukken die gaan over de verwerving van de woning, vals zijn. Dat deze vals zijn bleek omdat [naam bedrijf 2] de vijf jaren voor het onderzoek geen personeel in dienst te hebben gehad. Dat alles samen maakt dat de bewezenverklaring niet in beslissende mate steunt op de verklaring van [persoon 2] . Ten aanzien van (iii) heeft de rechtbank om de deugdelijkheid van deze bewijsbeslissing te waarborgen de betrouwbaarheid van de verklaring van [persoon 2] zorgvuldig onderzocht en naast de andere bewijsmiddelen in het dossier gelegd. De rechtbank is op basis daarvan oordeel dat de getuigenverklaring van [persoon 2] die hij bij de politie heeft afgelegd betrouwbaar is en voor het bewijs kan worden gebruikt. Het verweer van de raadsvrouw wordt daarom verworpen (nr. 2, ad. 2).
Ten aanzien van nummer 4
[adres 7] – vrijspraak
De rechtbank acht, net zoals de officier van justitie en de raadsvrouw, niet bewezen dat verdachte valsheid in geschriften heeft gepleegd bij de woning aan de [adres 7] en spreekt verdachte daarvan vrij.
Ten aanzien van nummer 4 en ad 4
[persoon 4] / [naam bedrijf 5] – [adres 8] – bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het laten opmaken, gebruiken en voorhanden hebben van valse geschriften, waaruit blijkt dat [persoon 4] in dienst was van [naam bedrijf 5] , om de woning aan de [adres 8] te verkrijgen, mede gelet de bekennende verklaring van verdachte ter zitting (nr. 4, ad 4).
Ten aanzien van nummer 3 en ad 3
[persoon 4] / [naam bedrijf 4] – [adres 6] – bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het laten opmaken, gebruiken en voorhanden hebben van valse geschriften voor [persoon 4] met betrekking tot [naam bedrijf 4] . De rechtbank overweegt ten aanzien van [naam bedrijf 4] dat de geschriften vals zijn op basis van het volgende. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat zij de arbeidsovereenkomst tussen [naam bedrijf 5] en [persoon 4] , die is ingediend ter verkrijging van de huurwoning aan de [adres 8] , valselijk heeft laten opmaken.
De rechtbank heeft de bij [naam bedrijf 6] B.V. ingediende arbeidsovereenkomst van [persoon 4] met [naam bedrijf 4] ter verkrijging van de [adres 6] vergeleken met de valse arbeidsovereenkomst met [naam bedrijf 5] die een jaar later voor [persoon 4] in verband met de huurwoning aan de [adres 8] is ingediend. De arbeidsovereenkomsten zijn nagenoeg identiek en vertonen eenzelfde extra witregel op dezelfde plaats in het document. Er is aldus sprake van dezelfde opmaak en dezelfde onjuistheden in de arbeidsovereenkomsten. Gezien deze omstandigheden oordeelt de rechtbank dat verdachte op het moment dat zij de stukken van [persoon 4] inzake [naam bedrijf 4] indiende bij [naam bedrijf 6] B.V ook wist dat de documenten vals waren en die op dezelfde wijze heeft doen/laten opmaken, gebruiken en voorhanden hebben als het jaar daarna inzake [naam bedrijf 5] . De rechtbank acht wetenschap dan ook bewezen (nr. 3, ad 3).
[persoon 3] / [naam bedrijf 3] – [adres 5] - bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het laten opmaken, gebruiken en voorhanden hebben van valse geschriften voor [persoon 3] met betrekking tot [naam bedrijf 3] . Uit de inkomensgegevens van [naam bedrijf 3] die bij de belastingdienst bekend zijn, blijkt dat deze niet overeen komen met de gebruikte inkomensverklaring van [persoon 3] . Daaruit volgt dat deze geschriften vals zijn.
Daarnaast stelt de rechtbank in verband met de wetenschap van verdachte vast dat de lay-out van de salarisspecificaties van [persoon 3] gelijkenis vertoont met de salarisspecificaties van [persoon 2] . Dat de salarisspecificatie van [persoon 2] vals is en dat verdachte daarvan wetenschap had, volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen onder nummer 2, ad 2. Bovendien betreft het in het geval van de [adres 5] twee panden naast elkaar, zijn [persoon 3] en [persoon 4] zussen van elkaar en heeft verdachte kort na elkaar bij dezelfde makelaar deze stukken ingediend. Al deze omstandigheden samen maken dat de rechtbank wetenschap van de valsheid wel bewezen vindt.
Medeplegen
De rechtbank acht ook het medeplegen bewezen. Verdachte heeft de valse documenten met het oog op het aangaan van een huurovereenkomst voor [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] aan makelaars verstrekt. Uit de chatberichten tussen verdachte en [persoon 1] en [persoon 4] en de verklaring van [persoon 2] volgt expliciet dat de huurders wisten dat er gebruik werd gemaakt van valse stukken om de huurwoningen te verkrijgen. Ten aanzien van [persoon 3] geldt dat de rechtbank bewezen vindt dat zij in ieder geval voorwaardelijk opzet heeft gehad op het gebruik maken van valse stukken, omdat het een feit van algemene bekendheid is dat zij zonder dit valse, hogere inkomen nooit een huurwoning met deze huurprijs toegewezen zou hebben gekregen. Dit maakt dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
in de periode van 1 juli 2018 tot en met 22 september 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk geschriften, te weten:
1. Een of meerdere inkomensverklaringen en/of arbeidsovereenkomsten van het bedrijf [naam bedrijf 1] B.V. ( [adres 3] ),
2. Een of meerdere inkomensverklaringen en/of werkgeversverklaringen van het bedrijf [naam bedrijf 2] B.V. ( [adres 4] ),
3. Een of meerdere werkgeversklaringen, arbeidsovereenkomsten en loonstroken van [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 4] B.V. en
4. Een of meerdere loonstroken en/of werkgeversklaringen en/of een jaaropgaaf van [naam bedrijf 5] B.V. ( [adres 8] )
zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft doen opmaken en/of laten opmaken zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen en/of laten gebruiken,
en
zij in de periode van 1 juli 2018 tot en met 22 september 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk geschriften, te weten: valse geschriften (te weten de hiervoor genoemde onder 1 tot en met 4) opzettelijk voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat deze geschriften bestemd waren om als echt en onvervalst te gebruiken.
Voornoemde valsheid/valsheden bestaat/bestaan hieruit dat in dat/die geschrift(en) valselijk en/of in strijd met de waarheid is voorgewend en/of opgenomen, dat
* ad 1 [naam bedrijf 1] B.V.
- te vermelden dat [persoon 1] werkzaam was als supervisor bij [naam bedrijf 1] B.V. en/of te vermelden een bruto jaarsalaris van € 61.440 bruto en/of
- een firma-stempel te plaatsen en/of
- te ondertekenen (als zijnde naar waarheid ingevuld)
*ad 2 [naam bedrijf 2] B.V.
- te vermelden dat [persoon 2] in dienst was als sales manager bij [naam bedrijf 2] B.V. en/of te vermelden een netto jaarsalaris (de rechtbank leest maandsalaris) € 3.109,77 en/of
- een firma-stempel te plaatsen en/of
- te ondertekenen (als zijnde naar waarheid ingevuld)
* ad 3 [naam bedrijf 3] en/of [naam bedrijf 4] B.V.
- te vermelden dat [persoon 3] werkzaam was als sales manager bij [naam bedrijf 3] en/of dat [persoon 4] werkzaam was als office manager bij [naam bedrijf 4] B.V. en/of
- loonstroken van een dienstverband van [persoon 3] bij [naam bedrijf 3] te verstrekken, althans te doen toekomen, aan [naam bedrijf 6] als inkomenstoets voor de huur van een woning, bestaande die valsheid hierin - zakelijk weergegeven - dat op die loonstroken vermeld is dat loon uit dienstbetrekking is ontvangen terwijl in werkelijkheid geen sprake was van een dienstverband en/of
- een firma-stempel te plaatsen en/of
- te ondertekenen (als zijnde naar waarheid ingevuld)
* ad 4 [naam bedrijf 5] B.V.
- te vermelden dat [persoon 4] werkzaam was als accountmanager bij de firma [naam bedrijf 5] B.V. en/of te vermelden een netto maandsalaris van €3.627,08 en/of
- loonstroken van een dienstverband van [persoon 4] bij [naam bedrijf 5] B.V. te verstrekken, althans te doen toekomen, aan [naam bedrijf 7] als inkomenstoets voor de huur van een woning, bestaande die valsheid hierin - zakelijk weergegeven - dat op die loonstroken vermeld is dat loon uit dienstbetrekking is ontvangen terwijl in werkelijkheid geen sprake was van een dienstverband en/of
- te ondertekenen (als zijnde naar waarheid ingevuld).
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. Strafbaarheid van het feit
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straf
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 180 uren met aftrek van het voorarrest wordt opgelegd en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoon van verdachte. Zij is niet eerder met justitie in aanraking gekomen. Ook moet er rekening worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn met twee jaar en vijf maanden. Daarnaast dient de media-aandacht tot strafvermindering te leiden, omdat verdachte hiervan veel last heeft ondervonden. Gelet op het voorgaande is een geheel voorwaardelijke taakstraf een passende sanctie. Een (voorwaardelijke) gevangenisstraf is niet aangewezen.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft meermalen als makelaar bij de bemiddeling van huurwoningen opzettelijk valse documenten ingediend. Zij heeft verhuurders doelbewust bewogen huurovereenkomsten te sluiten met huurders die hiervoor op basis van hun legale inkomen niet in aanmerking zouden komen. Iemand met criminele inkomsten kon op deze manier toch gebruik maken van een huurwoning. Dit zijn ernstige feiten. Verhuurders en makelaars moeten erop kunnen vertrouwen dat de door een (andere) makelaar aan hen verstrekte informatie juist is. Door zo te handelen heeft verdachte dit vertrouwen - dat makelaars en verhuurders ook, of juist, onderling zullen hebben - ernstig geschaad. Bovendien is de woningmarkt krap en zijn andere mensen die op een legale manier een woning zoeken hierdoor benadeeld.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 20 januari 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Strafoplegging
Voor het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Ter zitting heeft verdachte ook te kennen gegeven spijt te hebben van haar handelen en in de toekomst geen strafbare feiten meer te zullen plegen. Verdachte heeft moeite gehad om haar leven na haar aanhouding in 2020 opnieuw op de rit te krijgen en de onzekerheid over de lange strafprocedure heeft tot veel stress geleid.
In beginsel is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van 200 uur gerechtvaardigd is. Echter dient er rekening te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Verdachte is eind september 2020 aangehouden en in verzekering gesteld en vervolgens door de officier van justitie heengezonden. De zaak is op zitting van 4 maart 2025, vier en half jaar later, inhoudelijk behandeld. De redelijke termijn is dan ook overschreden met ruim twee jaar. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de rechtbank bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan één jaar, te handelen naar bevind van zaken. De rechtbank zal voor deze overschrijding een matiging van 10% toepassen.
Gelet op het tijdsverloop sinds de aanhouding van verdachte en omdat verdachte in die periode ook niet meer in aanraking is geweest met justitie, ziet de rechtbank nu geen aanleiding meer om nog een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Alles overwegende acht de rechtbank een taakstraf van 180 uren met aftrek van het voorarrest passend en geboden.
8. Beslag
Onder verdachte is, blijkens de beslaglijst van 20 januari 2025, het volgende voorwerp in beslag genomen:
1. 13 STK Papier (Omschrijving: G5972376).
De rechtbank gelast de teruggave aan verdachte van dit voorwerp.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd
en
medeplegen van opzettelijk gebruik maken en voorhanden hebben van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, terwijl hij weet dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.
Gelast de teruggave aan verdachte van:
13 STK Papier (Omschrijving: G5972376).
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Bruil, voorzitter,
mrs. C.A.E. Wijnker en M.C.H. Broesterhuizen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.S. Eisses, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 maart 2025.
[...]