RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/392899-24
Datum uitspraak: 4 april 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 2006 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres 1] .
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 maart 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. E. Stein, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.S.F. ten Kortenaar, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 7 december 2024 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal van een telefoon van [persoon 1] met of onder dreiging van geweld (feit 1)en het medeplegen van poging tot afpersing van [persoon 1] tot afgifte van zijn pasjeshouder en/of kluis (feit 2).
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.
3. Waardering van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt dat beide feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Op basis van de verklaring van verdachte kan worden vastgesteld dat hij opzet had op de diefstal en afpersing. Het was de verdachte bekend dat hij naar de woning ging om geld uit een kluis te halen. Uit het dossier blijkt ook dat verdachte geweld heeft gebruikt.
Standpunt van de verdediging
De raadsman vindt dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken voor beide feiten. De raadsman benadrukt daarbij dat verdachte geen wetenschap en dus geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de diefstal noch de afpersing. Verder blijkt niet onomstotelijk uit het dossier dat verdachte geweld heeft gebruikt. Daarnaast kan het ten laste gelegde medeplegen niet worden bewezen, omdat er onder meer geen nauwe samenwerking was tussen verdachte en medeverdachte.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal vergezeld van geweld (feit 1) en een poging tot afpersing (feit 2). De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden:
Op basis van de aangifte van [persoon 1] staat voor de rechtbank vast dat op 7 december 2024 om half 6 ’s ochtends twee jongens de woning van [persoon 1] binnenkomen. [persoon 1] herkent één van de jongens als [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) op basis van diens stem en ondanks de gezichtsbedekking die [persoon 2] draagt. De andere jongen blijkt later verdachte te zijn. Na binnenkomst van de jongens, wordt [persoon 1] omgeduwd. Op basis van de tweede verklaring van [persoon 1] van 8 december 2024 staat voor de rechtbank vast dat verdachte degene is geweest die [persoon 1] geduwd heeft. Dat wordt bevestigd door het tapgesprek tussen [persoon 2] en zijn moeder, waarin [persoon 2] zegt dat verdachte heeft geduwd.
Vervolgens vraagt [persoon 2] aan [persoon 1] “waar is de pasjeshouder?” en verdachte vraagt “waar is de kluis?”. De telefoon van [persoon 1] wordt die middag nog teruggevonden in een nabijgelegen straat. Gelet op de aangifte en deze vondst gaat de rechtbank ervan uit dat de telefoon door verdachte en/of [persoon 2] uit de woning is meegenomen.
Uit het proces-verbaal van het tapgesprek tussen [persoon 2] en verdachte blijkt verder dat verdachte heeft gezegd dat hij de straat heeft gecontroleerd op camera’s. Ook dat verdachte heeft gezegd dat “ze geen bewijs gaan vinden dat wij daar zijn geweest”. Ter terechtzitting heeft verdachte bevestigd dat hij dit gesprek met [persoon 2] heeft gevoerd.
De rechtbank is van oordeel dat uit de uiterlijke verschijningsvorm volgt dat verdachte opzet had op de woningoverval en de poging afpersing. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte en [persoon 2] op een zeer vroeg tijdstip, wanneer bewoners gewoonlijk slapen, naar de woning zijn gegaan om een kluis leeg te halen, waarbij [persoon 2] gezichtsbedekking droeg. Verder volgt uit het tapgesprek tussen verdachte en [persoon 2] dat zij nauw en bewust hebben samengewerkt waardoor sprake is van medeplegen.
Uit bovenstaande feiten en omstandigheden blijkt ook dat verdachte geweld tegen [persoon 1] heeft gebruikt. Het verweer van de raadsman op dit punt wordt verworpen.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Feit 1
op 7 december 2024 te Amsterdam, uit een woning ( [adres 2] ), tezamen en in vereniging met een ander, een telefoon die aan [persoon 1] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld tegen voornoemde [persoon 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door
- zich met de huissleutel de toegang tot de woning van voornoemde [persoon 1] te verschaffen en
- voornoemde [persoon 1] omver te duwen en
- voornoemde [persoon 1] de woorden toe te voegen: “waar is je pasjeshouder?” en “waar is de kluis?” en
- de telefoon van voornoemde [persoon 1] vervolgens weg te nemen;
Feit 2
op 7 december 2024 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [persoon 1] te dwingen tot de afgifte van zijn pasjeshouder en kluis, althans de inhoud van die kluis, die aan die [persoon 1] toebehoorde
- voornoemde [persoon 1] heeft geduwd en
- voornoemde [persoon 1] heeft gevraagd naar zijn pasjeshouder en kluis,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
5. Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht het volwassenstrafrecht toe passen. De officier van justitie heeft daarbij wel verzocht rekening te houden met de jonge leeftijd van verdachte en andere straf verminderende factoren zoals het feit dat verdachte naar school gaat, thuiswonend is en open staat voor begeleiding. In dat licht heeft de officier van justitie gevorderd om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen van 181 dagen, waarvan 150 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. Conform het advies van de reclassering dienen aan de proeftijd bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld, te weten een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en dagbesteding. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 180 uren wordt opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast. Verder verzoekt de raadsman om geen voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Ook moet er in strafverminderende zin rekening worden gehouden met de deels bekennende verklaring van verdachte en het feit dat verdachte meewerkt aan hulpverlening.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld in vereniging en poging tot afpersing. Verdachte en medeverdachte hebben voorafgaand aan het feit afgesproken om geld uit een kluis weg te nemen die zich in de woning van [persoon 1] bevond. Vervolgens hebben zij vroeg in de ochtend de woning van [persoon 1] overvallen en heeft verdachte daar geweld bij gebruikt. Een woningoverval maakt een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Daarnaast veroorzaakt het ook gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 12 maart 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor onder meer bedreiging. Dit gegeven neemt de rechtbank mee bij het bepalen van de straf in deze zaak.
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsrapport van 11 maart 2025. Hieruit blijkt dat verdachte ogenschijnlijk zijn leven op orde had: hij bevond zich in een stabiele thuissituatie, hij deed een opleiding, er was geen sprake van middelenmisbruik en hij had geen financiële problemen. Tegen deze achtergrond vindt de reclassering het opmerkelijk dat hij betrokken is geraakt bij de ten laste gelegde ernstige feiten. De reclassering maakt de inschatting dat zijn keuze om te participeren samenhangt met het sociale netwerk waarin hij zich ten tijde van het tenlastegelegde begaf. Daarmee heeft hij nu gebroken, omdat hij inzicht zou hebben gekregen in de negatieve invloed die er van hen uitgaat. Gezien de ernst van het feit en de jonge leeftijd van verdachte vindt de reclassering bemoeienis geïndiceerd. Op dit moment is er sprake van een schorsingstoezicht in de gestructureerde setting van Elektronisch Monitoring. Dit verloopt goed. Daarnaast is verdachte aangemeld bij De Waag om te onderzoeken of hij behandeling nodig heeft om toekomstig delict gedrag te voorkomen. Positief is dat verdachte samenwerkt met de reclassering.
Toepassing van het jeugdstrafrecht?
Verdachte was ten tijde van het plegen van het feit achttien jaar oud en dus meerderjarig. Op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog onder de 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd die daartoe aanleiding geven.
Uit het voornoemde reclasseringsrapport blijkt dat verdachte gedrag vertoont behorende bij zijn leeftijd, hij organiseert zijn eigen leven en hij is in staat het risico van zijn eigen gedrag te kunnen inschatten. Er zijn daarnaast geen aanwijzingen voor impulsief handelen en gezinsgerichte ondersteuning lijkt niet noodzakelijk. Ook heeft verdachte geen interventies of begeleiding nodig die enkel beschikbaar zijn via jeugdstrafrecht. De reclassering adviseert om het volwassenstrafrecht toe te passen.
In tegenstelling tot het voornoemde reclasseringsadvies, ziet de rechtbank wel aanleiding voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Voor de rechtbank is daarbij van belang dat verdachte nog thuis woont en onderwijs volgt. Daarnaast zijn er naar het oordeel van de rechtbank aanknopingspunten in het dossier dat sprake is van jongeren die onder wederzijdse invloed van elkaar hebben gehandeld. In dat licht oordeelt de rechtbank dat het toepassen van het jeugdstrafrecht van belang is voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte, om hem er in de toekomst van te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten. De toepassing van het jeugdstrafrecht is ook in het belang van de maatschappij.
Strafoplegging
Om te bevorderen dat landelijk door rechtbanken voor dezelfde feiten ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf voor de bewezen verklaarde feiten gekeken naar deze oriëntatiepunten. Er is sprake van eendaadse samenloop tussen de woningoverval en de poging afpersing en daarom zal de rechtbank uitgaan van de oriëntatiepunten van een woningoverval. Voor een woningoverval is het uitgangspunt jeugddetentie vanaf zes maanden. De rechtbank houdt in strafverminderende zin rekening met het feit dat verdachte meewerkt aan begeleiding en de rechtbank acht het van belang dat verdachte dit kan blijven voortzetten. Om deze reden ziet de rechtbank aanleiding om deels af te wijken van de oriëntatiepunten en zal aan verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf worden opgelegd.
De rechtbank vindt daarbij een flinke stok achter de deur wenselijk, zodat verdachte ervan wordt weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een werkstraf van 120 uren en jeugddetentie van 120 dagen waarvan 89 voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest passend. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel naast de algemene ook de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden, te weten een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en dagbesteding. Daarnaast legt de rechtbank, als bijzondere voorwaarde, op een contactverbod met medeverdachte.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 45, 55, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek vier is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Eendaadse samenloop van
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
en
poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen.
Veroordeelt verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Beveelt dat een gedeelte, groot 89 (negenentachtig) dagen, van deze jeugddetentie niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later iets anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich op bij Reclassering Nederland op het adres [adres 3] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig acht.
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich behandelen door De Waag. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig acht. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van een dagopleiding en of werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Contactverbod
Veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [persoon 2] , geboren op [geboortedag 2] 2008, wonende op het [adres 4] .
Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn verder dat de verdachte gedurende de proeftijd
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.S. Dogan, voorzitter,
mrs. W.M.C. van den Berg en J. Langer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.S. Eisses, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 april 2025.
[...]
[...] [...]