RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/176188-24
Datum uitspraak: 4 april 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 2005 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres 1] .
1. Onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. G. Palanciyan, naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij, [persoon 1] , en van wat de benadeelde partij en zijn advocaat, mr. I.D. Degenaar-Kuijpers, hierover ter terechtzitting naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich primair heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging, in vereniging met een ander persoon, tegen [persoon 1] , met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge op 11 februari 2024 in Amsterdam. Subsidiair is dit tenlastegelegd als het medeplegen van zware mishandeling.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.
3. Waardering van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Volgens de officier van justitie is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging. De officier wijst in dat verband naar de bekennende verklaring van verdachte, de aangifte, de camerabeelden, de getuigenverklaringen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] , en het letselrapport. Uit deze bewijsmiddelen volgt volgens de officier van justitie dat verdachte samen met een ander heeft gehandeld door [persoon 1] vast te houden, te duwen, te schoppen en vervolgens gelijktijdig met een ander in het gezicht te slaan, met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. Volgens de raadsman is geen sprake van handelen dat in vereniging heeft plaatsgevonden, omdat verdachte voorafgaand aan het geweld geen afspraken daarover heeft gemaakt met anderen. Bovendien is er volgens de raadsman sprake van culpa in causa, onder meer nu aangever als eerste in de richting van verdachte liep. Wat betreft het subsidiair ten laste gelegde feit refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.
4. Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Feiten en omstandigheden
Op de camerabeelden van 11 februari 2024 is te zien dat een groep van zes personen zich bevindt bij een bankje in het Leidsebosje te Amsterdam. Op deze beelden zijn onder andere NN1 en NN2 zichtbaar. In het strafdossier wordt NN2 geïdentificeerd als verdachte en NN1 als [medeverdachte] , de broer van verdachte, die als medeverdachte is aangemerkt.
Op de camerabeelden is te zien dat aangever [persoon 1] met vrienden [getuige 2] en [getuige 1] langs voornoemde groep loopt. Vervolgens is te zien dat [persoon 1] zijn hoofd in de richting van verdachte en de groep draait en naar hen toeloopt. Wat daarna exact bij het bankje gebeurt, is op de camerabeelden niet te zien. De getuigenverklaringen zijn op dit punt tegenstrijdig.
De camerabeelden tonen vervolgens dat [persoon 1] en verdachte elkaar duwen en trekken. Te zien is dat verdachte met zijn linkerhand [persoon 1] vasthoudt en met zijn rechterhand slaat naar het hoofd van [persoon 1] . Tegelijkertijd wordt [getuige 2] om zijn middel vastgehouden door een ander persoon uit de groep (NN5). Vervolgens verschijnt medeverdachte in beeld en schopt in de richting van [persoon 1] . De camerabeelden tonen vervolgens dat [persoon 1] een afwerend gebaar maakt door zijn handen voor zich uit te strekken. [getuige 2] wordt daarbij nog steeds vastgehouden door een van de andere personen van de groep van zes personen. Verdachte en medeverdachte lopen dan in de richting [persoon 1] en positioneren zich aan weerszijden van hem. Verdachte slaat in de richting van het hoofd van [persoon 1] en op hetzelfde moment slaat medeverdachte eveneens richting het hoofd van [persoon 1] . Hierop valt [persoon 1] op de grond.
Uit het letselrapport van de GGD blijkt dat [persoon 1] als gevolg van het incident onder andere een verbrijzelde oogkas, gedeeltelijk verlies van het zicht aan zijn linkeroog, een gebroken neus en een afgebroken tand heeft opgelopen.
Verdachte heeft ter terechtzitting van 21 maart 2025 verklaard dat er werd geduwd en getrokken en dat hij met zijn vuist een klap tegen het hoofd van [persoon 1] heeft gegeven.
Openlijke geweldpleging
Van openlijke geweldpleging is sprake bij geweld, gepleegd in vereniging in de openbare ruimte, welk geweld voor publiek zichtbaar was of had kunnen zijn. Geweld wordt in vereniging gepleegd indien sprake is van een (voldoende) bewuste en nauwe samenwerking van minimaal twee personen (ECLI:NL:HR:2014:3474) én een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan dat geweld. Daarbij is van belang dat openlijke geweldpleging in vereniging zich, gelet op de aard van het delict, in verschillende verschijningsvormen kan voordoen (ECLI:NL:HR:2016:1320). Er kan sprake zijn van evident nauw en bewust samenwerken, maar openlijk geweld kan ook bestaan uit een meer diffuus samenstel van uiteenlopende tegen personen gerichte geweldshandelingen dat plaatsvindt binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan samenwerkingsverband met een eigen - soms moeilijk doorzichtige - dynamiek. Zo kan een bijdrage van voldoende gewicht onder omstandigheden ook geheel of ten dele bestaan uit het verrichten van op zichzelf niet-gewelddadige handelingen.
Tegen deze achtergrond beoordeelt de rechtbank in onderhavige zaak of sprake is van nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het openlijk plegen van geweld tegen [persoon 1] .
Bewijsoverweging
Gelet op de hiervoor benoemde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat sprake is van het in vereniging plegen van geweldshandelingen tegen [persoon 1] . Verdachte en medeverdachte maakten onderdeel uit van een groep van zes personen en hebben beiden geweld gepleegd tegen aangever. De verschillende geweldshandelingen hebben zich in tijd en plaats vrijwel aaneengesloten voorgedaan. Dit geweld vond plaats op de openbare weg, te weten het Leidsebosje, midden in het centrum van Amsterdam en vlakbij een druk uitgaansgebied. Daarmee is sprake van openlijke geweldpleging. Zoals onder meer uit de camerabeelden blijkt, heeft verdachte een bijdrage van voldoende gewicht geleverd aan het in groepsverband gepleegde geweld. Als gevolg van de openlijke geweldpleging heeft [persoon 1] zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
Anders dan de raadsman heeft betoogd, is voor een bewezenverklaring niet vereist dat verdachte en medeverdachte voorafgaand aan het handelen afspraken hierover hebben gemaakt. Bij de beoordeling van openlijke geweldpleging is immers niet van belang of er sprake was van een voorafgaande afspraak, maar is van belang of sprake is van een gezamenlijke uitvoering waaraan een significante bijdrage wordt geleverd. De rechtbank oordeelt dat hieraan is voldaan in onderhavige zaak. Het verweer van de raadsman wordt op dit punt verworpen.
De raadsman heeft ook aangevoerd dat het letsel van [persoon 1] is verergerd doordat hij niet gelijk met een ambulance is meegenomen. De rechtbank verwerpt deze stelling van de raadsman. Het letselrapport van de GGD biedt hiervoor geen aanknopingspunten. Ook in de rest van het dossier vindt deze stelling van de raadsman geen enkele ondersteuning.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
op 11 februari 2024 te Amsterdam openlijk, te weten bij het Leidsebosje, in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [persoon 1] , door die [persoon 1] vast te houden en te duwen en te schoppen en met zijn vuist tegen het hoofd van die [persoon 1] te slaan, ten gevolge waarvan die [persoon 1] op de grond viel, terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, te weten
- een verbrijzelde oogkas en
-
- enig verlies van zicht aan het linkeroog en
- een gebroken neus en
- een afgebroken tand
voor [persoon 1] ten gevolge heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6. Strafbaarheid van de feiten
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. Strafbaarheid van verdachte
De raadsman heeft aangevoerd dat het handelen van [persoon 1] te kwalificeren zou zijn als culpa in causa. De verdachte heeft aangevoerd dat hij vanwege een als traumatisch ervaren ernstige mishandeling in zijn vroege tienertijd het feit dat [persoon 1] op hem af liep als bedreigend heeft ervaren.
Hoewel dit verweer verder niet is onderbouwd zou dit opgevat kunnen worden als een beroep op putatief noodweer. Dit verweer kan echter niet slagen nu verdachte zich aan de situatie had kunnen en moeten onttrekken door weg te lopen.
Er is dus geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de straffen
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 90 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 86 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd, te weten een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contactverbod. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 240 uren moet worden opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich na een avond uitgaan schuldig gemaakt aan het openlijk en in vereniging plegen van heftig geweld. Voor de rechtbank is het handelen van verdachte een triest voorbeeld van zinloos geweld. Aangever [persoon 1] is dusdanig toegetakeld dat hij onder andere botbreuken en een verbrijzelde oogkas opliep en geopereerd moest worden. De gevolgen hiervan voor [persoon 1] blijken uit het dossier en zijn ter terechtzitting afgelegde verklaring.
Ook neemt de rechtbank verdachte kwalijk dat hij door zijn handelen heeft bijgedragen aan het plegen van geweld op een door uitgaanspubliek en toeristen druk bezocht plein, hetgeen tot gevoelens van onveiligheid en onbehagen moet hebben geleid. Bovendien heeft dit soort uitgaansgeweld niet alleen een enorme invloed op de slachtoffers en toeschouwers, maar ook op de samenleving. Het gevoel van onveiligheid wordt door dit soort incidenten negatief beïnvloed.
Persoon van verachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 12 februari 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit door een strafrechter is veroordeeld.
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsrapport van 19 maart 2025. Hieruit blijkt dat het psychosociaal functioneren van verdachte als voornaamste risicofactor voor herhaling in delictgedrag naar voren komt. Vanwege het hem ten laste gelegde en de eerdere politiemutaties zijn er aanwijzingen voor het bestaan van emotieregulatie- respectievelijk impulsproblemen naar voren gekomen. Verdachte is in het verleden zelf slachtoffer geweest van ernstige mishandeling waardoor hij mogelijk eerder ‘getriggerd’ wordt wanneer hij zich in het nauw gedreven voelt. Uit het contact met zijn behandelaar van De Waag komt eveneens naar voren dat impulsbeheersing aandacht
behoeft. Het alcoholgebruik van verdachte is delictgerelateerd, maar lijkt op dit moment niet voor problematisch gedrag te zorgen.
Toepassing van het volwassenstrafrecht
Verdachte was ten tijde van het plegen van het feit 18 jaar oud en dus meerderjarig. Op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog onder de 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd die daartoe aanleiding geven.
Uit het voornoemde reclasseringsrapport blijkt dat vanuit de handelingsvaardigheden naar voren komt dat verdachte niet kampt met een cognitieve beperking en zijn eigen leven goed kan organiseren. Verdachte gaat al enige tijd niet naar school. Schoolgang is niet nodig om recidive te voorkomen en er wordt geen interventie vanuit het jeugdstrafrecht passend geacht. Hij werkt fulltime en hij is voldoende zelfredzaam in het dagelijks leven. Sinds juni 2024 is er sprake van een lopend schorsingstoezicht en verdachte houdt zich voldoende aan de opgelegde bijzondere voorwaarden van een meldplicht en (recent opgestarte) ambulante behandeling. Hij is afspraaktrouw en er wordt intrinsieke motivatie voor gedragsverandering bij hem waargenomen. Vanuit de pedagogische mogelijkheden komt naar voren dat er geen gezinshulpverlening nodig is en dat de problemen van verdachte niet verankerd zijn in het gezin. De reclassering adviseert om het volwassenstrafrecht toe te passen.
Verdachte en zijn raadsman hebben ter terechtzitting ook niet naar voren gebracht dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast.
De rechtbank ziet op grond van het bovenstaande geen aanknopingspunten om het jeugdstrafrecht toe te passen en zal dan ook het volwassenstrafrecht toepassen.
Strafoplegging
Om te bevorderen dat landelijk door rechtbanken voor dezelfde feiten ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf voor het bewezen verklaarde feit gekeken naar deze oriëntatiepunten. Het uitgangspunt voor openlijke geweldpleging met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg is in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. De rechtbank houdt in strafverminderende zin rekening met de jeugdige leeftijd van de verdachte. Daarnaast acht de rechtbank het van belang dat de verdachte zijn behandeling bij De Waag kan voortzetten.
Om deze redenen ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de oriëntatiepunten en zal aan verdachte een taakstraf worden opgelegd. De rechtbank vindt daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. .
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een taakstraf van 240 uren en een gevangenisstraf van 90 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 76 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend. De rechtbank wijkt daarmee niet af van de vordering van de officier van justitie nu de rechtbank heeft begrepen dat het niet de bedoeling is van de officier van justitie dat verdachte weer gedetineerd wordt. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden.
9. Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [persoon 1] vordert € 6.148,48 aan materiële schadevergoeding en € 7.500,- aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ter zitting heeft mr. I.D. Degenaar-Kuijpers de vordering nader toegelicht.
Standpunt officier van justitie en verdediging
De officier van justitie heeft verzocht de vordering met betrekking tot de telefoon en de toekomstige schade ten aanzien van het eigen risico niet-ontvankelijk te verklaren en voor het overige toe te wijzen.
De raadsman heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen.
Oordeel van de rechtbank
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het primair bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De rechtbank wijst de materiële schadevordering toe tot een bedrag van € 4.473,48.
Dit bedrag bestaat uit € 35,- kosten voor opname in het ziekenhuis, € 134,46 factuur tandarts, € 385,- kosten eigen risico zorgverzekering, € 2.120,- hulp door derden, € 400,- kleding, € 723,06 reiskosten en € 675,96 kosten zonder nut.
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het overige deel van zijn vordering tot materiële schadevergoeding, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Op basis van de onderbouwing kan niet worden vastgesteld dat de aanschaf van een nieuwe telefoon, bijna één jaar na het strafbare feit, in causaal verband staat met het bewezenverklaarde. De toekomstige medische kosten zijn op dit moment nog niet komen vast te staan en daardoor onvoldoende onderbouwd.
De benadeelde partij kan het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk wordt verklaard bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Verder staat vast dat aan de benadeelde partij door het primair bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 7.500,-.
De rechtbank wijst de immateriële schadevordering toe tot een bedrag van € 7.500,-.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [persoon 1] wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63, 141 van het Wetboek van Strafrecht.
11. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek vijf is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 (negentig) dagen met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Beveelt dat een gedeelte, groot 76 (zesenzeventig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later iets anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet naleeft.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van het vonnis bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich behandelen door Forensische Polikliniek de Waag of een soortgelijke
zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling is reeds gestart. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Contactverbod
Veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [persoon 1] geboren op [geboortedag 2] 1999.
Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn verder dat de verdachte gedurende de proeftijd
Benadeelde partij [persoon 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 1] toe tot een bedrag van € 4.473,48 (vierduizendvierhonderddrieënzeventig euro en achtenveertig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 7.500,- (zevenduizendvijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 februari 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] voornoemd en veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Schadevergoedingsmaatregel Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 1] aan de Staat € 11.973,48,- (elfduizend negenhonderddrieënzeventig euro en achtenveertig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (11 februari 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 94 (vierennegentig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.S. Dogan, voorzitter,
mrs. W.M.C. van den Berg en J. Langer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.S. Eisses, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 april 2025.