ECLI:NL:RBAMS:2025:5018

ECLI:NL:RBAMS:2025:5018, Rechtbank Amsterdam, 02-07-2025, 1310683425

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 02-07-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 1310683425
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Eerste en enige aanleg
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0016664

Samenvatting

Pools executie-EAB. Artikel 12 OLW staat niet aan overlevering in de weg. Overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-106834-25

Datum uitspraak: 2 juli 2025

UITSPRAAK

op de vordering van 7 mei 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 24 maart 2025 door the Circuit Court in Poznań, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] (Polen),

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 juni 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat te Breda, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt the decision of 4 February 2021 of the Poznań - Grunwald and Jeżyce Disctrict Court in Poznań ordering the substitutive custodial sentence of 365 days for [opgeëiste persoon] (VIII Ko 2074/20) to replace the sentence of the restriction of liberty for two years handed down in the summary judgment of 3 January 2018 of the Poznań - Grunwald and Jeżyce Disctrict Court in Poznań (VIII K 1152/17).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 365 dagen, door de opgeëiste persoon nog geheel te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft ten aanzien van het vonnis van 3 januari 2018 (met referentie: VIII K 1152/17) aangevoerd dat, hoewel de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen, niet kan worden geconcludeerd dat de opgeëiste persoon (stilzwijgend) afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten. Onderzocht moet worden naar welk adres de summary judgment daadwerkelijk is verstuurd.

Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat op basis van de beschikbare informatie niet duidelijk is of de omzettingsbeslissing van 4 februari 2021 (met referentie: VIII Ko 2074/20) ook onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen of the Poznań - Grunwald and Jeżyce Disctrict Court in Poznań een zekere mate van beoordelingsvrijheid had bij de beslissing tot het opleggen van de vrijheidsbenemende straf van 365 dagen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten aanzien van het vonnis met referentie VIII K 1152/17 kan afzien van weigering op grond van artikel 12 OLW en heeft daarbij verwezen naar een andere uitspraak van deze rechtbank.

De omzettingsbeslissing valt niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW, aangezien sprake is van een ‘kale omzetting’ waarbij de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen. Dit duidt erop dat er geen beoordelingsruimte was.

Duidelijk is dat de straf is omgezet omdat de opgeëiste persoon zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden, zodat er ook geen andere beslissing is die aan artikel 12 OLW getoetst moet worden.

Oordeel van de rechtbank

Uit het EAB en de aanvullende informatie van 27 mei 2025 blijkt dat aan de opgeëiste persoon aanvankelijk bij het vonnis met referentie VIII K 1152/17 een straf van twee jaar restriction of liberty is opgelegd in de vorm van een taakstraf met als voorwaarde reclasseringscontact. Omdat de opgeëiste persoon niet is gestart met deze taakstraf en geen contact heeft opgenomen met de reclassering, is bij beslissing met referentie VIII Ko 2074/20 de omzetting van de taakstraf in de vervangende gevangenisstraf van 365 dagen bevolen. De rechtbank stelt vast dat in het EAB gesproken wordt over ‘the substitutive custodial sentence of 365 days (…) to replace the sentence of the restriction of liberty’. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat de beslissing met referentie VIII Ko 2074/20 weliswaar een beslissing is waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk op 3 januari 2018 opgelegde straf is gewijzigd, maar niet een beslissing is waarbij de autoriteit die deze beslissing heeft gegeven, op dat punt over een zekere mate van beoordelingsbevoegdheid beschikte. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om aanvullende informatie op te vragen over de procedure die heeft geleid tot die omzettingsbeslissing.

De omzetting heeft plaatsgevonden vanwege het niet naleven van voorwaarden. Er is dus geen sprake van een triggerende veroordeling. Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW hoeft te toetsen dan het vonnis met referentie VIII K 1152/17.

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van het vonnis van 3 januari 2018 terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en die - kort gezegd - is gegeven zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.

Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.

Uit het EAB en de aanvullende informatie van 27 mei 2025 volgt dat de opgeëiste persoon tijdens pre-trial proceedings het aan het EAB ten grondslag liggende feit heeft bekend en dat aan hem een adresinstructie is verstrekt. De Poolse autoriteiten hebben de opgeëiste persoon gewezen op zijn verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten hiervan. Vervolgens is een summary judgment gewezen en verstuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. De opgeëiste persoon is daarbij ook gewezen op de mogelijkheid van bezwaar of beroep en binnen welke termijn hij dat moest aantekenen. Deze correspondentie kon echter niet aan de opgeëiste persoon op het adres worden betekend en vervolgens is de aan hem gerichte correspondentie ook niet door de opgeëiste persoon opgehaald op het postkantoor. De opgeëiste persoon heeft geen bezwaar of beroep tegen de beslissing ingesteld. Dat de correspondentie en de daarin gegeven informatie de opgeëiste persoon niet heeft bereikt, is in het licht van het voorgaande aan hemzelf te wijten.

Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank – met de officier van justitie – van oordeel dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De opgeëiste persoon was klaarblijkelijk op de hoogte van het proces en is, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.

4. Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:

vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten.

Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

6. Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7. Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.

8. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Poznań, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,

mrs. M.E.M. James - Pater en E.M. de Bie, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. D.F.A. Reuvekamp en M.C. Hooibrink, griffiers,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 juli 2025.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand